helphelp

Leerlijn Kunst: algemeen (PO-havo/vwo)

( )

Sectoren
Vakkernen
kerndoelen primair onderwijshavo/vwo bovenbouw exameneenheden
1. Produceren en presenteren
Uitvoeren & reflecteren

54:
De leerlingen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging te gebruiken om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om er mee te communiceren.

54
n.v.t.
2. Kijken en luisteren
Oriënteren & reflecteren

55:
De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.

55

KA/H Domein A: Vaktheorie
Subdomein A1: Drama en maatschappij
1. De kandidaat kan mede op basis van bronnenmateriaal in een gegeven cultureel-maatschappelijke context:
- kenmerken benoemen van theatrale uitingsvormen en orale tradities;
- samenhangen aangeven tussen functie, vorm en inhoud van toneel;
- dramatische aspecten benoemen van vormgegeven informatie op televisie.
Subdomein A2: Betekenis
2. De kandidaat kan theatrale conventies aangeven en aanwijzen, evenals de betekenissen die ze kunnen oproepen.
Subdomein A3: Beschouwen
3. De kandidaat kan:
- een toneelvoorstelling informatief beschrijven;
- aangeven met welke theatrale middelen de inhoud vormgegeven is;
- een eigen mening geven over de effectiviteit van enkele van deze middelen.

KA/V Domein A: Vaktheorie
Subdomein A1: Drama en maatschappij
1. De kandidaat kan mede op basis van bronnenmateriaal in een gegeven cultureel-maatschappelijke context:
- kenmerken benoemen van theatrale uitingsvormen en orale tradities;
- samenhangen aangeven tussen functie, vorm en inhoud van toneel;
- dramatische aspecten benoemen van vormgegeven informatie op televisie en aangeven met welk doel ze zijn ingezet.
Subdomein A2: Geschiedenis
2. De kandidaat kan de geschiedenis van het westerse theater in hoofdlijnen aangeven mede aan de hand van de historische en/of sociaalmaatschappelijke context van enkele speelstijlen en voor toneel belangrijke personen.
Subdomein A3: Betekenis
3. De kandidaat kan:
- de onderlinge samenhang benoemen van de belangrijkste theatrale begrippen;
- theatrale conventies aangeven en aanwijzen, evenals de betekenissen die ze kunnen oproepen.
Subdomein A4: Beschouwen
4. De kandidaat kan:
- een toneelvoorstelling informatief beschrijven;
- aangeven met welke theatrale middelen de inhoud vormgegeven is;
- een eigen mening geven over de effectiviteit van enkele van deze middelen.

KA/H/Domein A Vaktheorie, KA/V/Domein A Vaktheorie
3. Onderzoeken, analyseren, interpreteren en verslag doen
Onderzoeken & reflecteren

55:
De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.

56:
De leerlingen verwerven enige kennis over en krijgen waardering voor aspecten van cultureel erfgoed.

55, 56

KA/H Domein A: Vaktheorie
Subdomein A1: Drama en maatschappij
1. De kandidaat kan mede op basis van bronnenmateriaal in een gegeven cultureel-maatschappelijke context:
- kenmerken benoemen van theatrale uitingsvormen en orale tradities;
- samenhangen aangeven tussen functie, vorm en inhoud van toneel;
- dramatische aspecten benoemen van vormgegeven informatie op televisie.
Subdomein A2: Betekenis
2. De kandidaat kan theatrale conventies aangeven en aanwijzen, evenals de betekenissen die ze kunnen oproepen.
Subdomein A3: Beschouwen
3. De kandidaat kan:
- een toneelvoorstelling informatief beschrijven;
- aangeven met welke theatrale middelen de inhoud vormgegeven is;
- een eigen mening geven over de effectiviteit van enkele van deze middelen.

KA/V Domein A: Vaktheorie
Subdomein A1: Drama en maatschappij
1. De kandidaat kan mede op basis van bronnenmateriaal in een gegeven cultureel-maatschappelijke context:
- kenmerken benoemen van theatrale uitingsvormen en orale tradities;
- samenhangen aangeven tussen functie, vorm en inhoud van toneel;
- dramatische aspecten benoemen van vormgegeven informatie op televisie en aangeven met welk doel ze zijn ingezet.
Subdomein A2: Geschiedenis
2. De kandidaat kan de geschiedenis van het westerse theater in hoofdlijnen aangeven mede aan de hand van de historische en/of sociaalmaatschappelijke context van enkele speelstijlen en voor toneel belangrijke personen.
Subdomein A3: Betekenis
3. De kandidaat kan:
- de onderlinge samenhang benoemen van de belangrijkste theatrale begrippen;
- theatrale conventies aangeven en aanwijzen, evenals de betekenissen die ze kunnen oproepen.
Subdomein A4: Beschouwen
4. De kandidaat kan:
- een toneelvoorstelling informatief beschrijven;
- aangeven met welke theatrale middelen de inhoud vormgegeven is;
- een eigen mening geven over de effectiviteit van enkele van deze middelen.

KA/H/Domein A Vaktheorie, KA/V/Domein A Vaktheorie
4. Reflecteren en evalueren
Evalueren & reflecteren

55:
De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.

55

KA/H Domein A: Vaktheorie
Subdomein A1: Drama en maatschappij
1. De kandidaat kan mede op basis van bronnenmateriaal in een gegeven cultureel-maatschappelijke context:
- kenmerken benoemen van theatrale uitingsvormen en orale tradities;
- samenhangen aangeven tussen functie, vorm en inhoud van toneel;
- dramatische aspecten benoemen van vormgegeven informatie op televisie.
Subdomein A2: Betekenis
2. De kandidaat kan theatrale conventies aangeven en aanwijzen, evenals de betekenissen die ze kunnen oproepen.
Subdomein A3: Beschouwen
3. De kandidaat kan:
- een toneelvoorstelling informatief beschrijven;
- aangeven met welke theatrale middelen de inhoud vormgegeven is;
- een eigen mening geven over de effectiviteit van enkele van deze middelen.

KA/V Domein A: Vaktheorie
Subdomein A1: Drama en maatschappij
1. De kandidaat kan mede op basis van bronnenmateriaal in een gegeven cultureel-maatschappelijke context:
- kenmerken benoemen van theatrale uitingsvormen en orale tradities;
- samenhangen aangeven tussen functie, vorm en inhoud van toneel;
- dramatische aspecten benoemen van vormgegeven informatie op televisie en aangeven met welk doel ze zijn ingezet.
Subdomein A2: Geschiedenis
2. De kandidaat kan de geschiedenis van het westerse theater in hoofdlijnen aangeven mede aan de hand van de historische en/of sociaalmaatschappelijke context van enkele speelstijlen en voor toneel belangrijke personen.
Subdomein A3: Betekenis
3. De kandidaat kan:
- de onderlinge samenhang benoemen van de belangrijkste theatrale begrippen;
- theatrale conventies aangeven en aanwijzen, evenals de betekenissen die ze kunnen oproepen.
Subdomein A4: Beschouwen
4. De kandidaat kan:
- een toneelvoorstelling informatief beschrijven;
- aangeven met welke theatrale middelen de inhoud vormgegeven is;
- een eigen mening geven over de effectiviteit van enkele van deze middelen.

KA/V Domein B: Praktijk
Subdomein B1: Spelen
5. De kandidaat kan:
- spelgegevens combineren en toepassen, en daarbij gebruikmaken van timing en verandering in stemgebruik en bewegingspatroon;
- de interactie tussen personages intensiveren door middel van actie en reactie;
- in spel een sociaal of maatschappelijk vraagstuk analyseren en onderzoeken.
Subdomein B2: Vormgeven
6. De kandidaat kan:
- een rol opbouwen gebaseerd op personage en dramatische ontwikkeling;
- scènes creëren en realiseren, rekening houdend met de intentie ten opzichte van het publiek.
Subdomein B3: Presenteren
7. De kandidaat kan:
- spel- en vormgevingsvaardigheden toepassen bij het optreden voor een publiek;
- het publiek van de nodige informatie voorzien.

KA/H Domein B: Praktijk
Subdomein B1: Spelen
4. De kandidaat kan:
- spelgegevens combineren en toepassen, en daarbij gebruikmaken van timing en verandering in stemgebruik en bewegingspatroon;
- de interactie tussen personages intensiveren door middel van actie en reactie;
- in spel een sociaal of maatschappelijk vraagstuk analyseren en onderzoeken.
Subdomein B2: Vormgeven
5. De kandidaat kan:
- een rol opbouwen gebaseerd op personage en dramatische ontwikkeling;
- scènes creëren en realiseren, rekening houdend met de intentie ten opzichte van het publiek.
Subdomein B3: Presenteren
6. De kandidaat kan:
- spel- en vormgevingsvaardigheden toepassen bij het optreden voor een publiek;
- het publiek van de nodige informatie voorzien.

KA/V Domein C: Oriëntatie op studie en beroep

KA/H Domein C: Oriëntatie op studie en beroep

KA/H/Domein A Vaktheorie, KA/V/Domein A Vaktheorie, KA/V/Domein B Praktijk, KA/H/Domein B Praktijk, KA/V/Domein C Oriëntatie op studie en beroep., KA/H/Domein C Oriëntatie op studie en beroep.