helphelp

Leerlijn Maatschappijleer (PO-havo/vwo)

( )

Sectoren
Kernconcepten
kerndoelen primair onderwijskerndoelen onderbouwhavo bovenbouw exameneenhedenvwo bovenbouw exameneenheden
1. Macht, gezag en bestuur

36:
De leerlingen leren hoofdzaken van de Nederlandse en Europese staatsinrichting en hun rol als burger.

36

44:
De leerling leert op hoofdlijnen hoe het Nederlandse politieke bestel als democratie functioneert en leert zien hoe mensen op verschillende manieren bij politieke processen betrokken zijn.

45:
De leerling leert de betekenis van Europese samenwerking en de Europese Unie te begrijpen voor zichzelf, Nederland en de wereld.

47:
De leerling leert actuele spanningen, conflicten en oorlogen in de wereld te plaatsen tegen hun achtergrond, en leert daarbij de doorwerking ervan op individuen en samenleving (nationaal, Europees en internationaal), de grote onderlinge afhankelijkheid in de wereld, het belang van mensenrechten en de betekenis van internationale samenwerking te zien.

44, 45, 47

ML/H Domein B: Rechtsstaat
Subdomein B1: Vrijheidsrechten en plichten; het beginsel rechtsstaat
3. De kandidaat kan:
- voorbeelden van vrijheidsrechten en plichten die inwoners van Nederland hebben, herleiden tot wetten en artikelen in de Grondwet;
- de waarden noemen die aan die grondbeginselen ten grondslag liggen;
- uitleggen wat de beginselen van de rechtsstaat zijn.
Subdomein B2: De praktijk van de rechtsstaat
4. De kandidaat kan aan de hand van voorbeelden de spanning weergeven tussen de beginselen van de rechtsstaat enerzijds en de praktijk zoals die door groepen burgers ervaren wordt anderzijds.
Subdomein B3: Internationale vergelijking en internationale organisaties
5. De kandidaat kan de waarden en praktijk van de rechtsstaat in Nederland vergelijken met die van enkele andere westerse landen.

ML/H Domein C: Parlementaire democratie
Subdomein C1: Politieke rechten; de structuur van de democratie
6. De kandidaat kan:
- voorbeelden van politieke rechten die inwoners van Nederland hebben, herleiden tot artikelen in de Grondwet;
- de waarden noemen die aan democratie ten grondslag liggen;
- de structuur van de representatieve democratie in Nederland uitleggen op gemeentelijk, provinciaal en landelijk niveau;
- de structuur van de vertegenwoordiging op EU-niveau uitleggen.
Subdomein C2: De praktijk van de parlementaire democratie
7. De kandidaat kan:
- de fasen in het proces van politieke besluitvorming op gemeentelijk, provinciaal en nationaal niveau beschrijven;
- de rol van massamedia bij politieke besluitvorming beschrijven;
- dilemma’s herkennen die samenhangen met de uitgangspunten van de democratie en de hoofdlijnen van de politieke discussie hierover weergeven.
Subdomein C3: Internationale vergelijking en internationale organisaties
8. De kandidaat kan aangeven welke gevolgen de vorming van de Europese Unie heeft voor de politieke rechten van de Europese burger.

ML/H/Domein B Rechtsstaat, ML/H/Domein C Parlementaire democratie

ML/V Domein B: Rechtsstaat
Subdomein B1: Vrijheidsrechten en plichten; het beginsel rechtsstaat
3. De kandidaat kan:
- voorbeelden van vrijheidsrechten en plichten die inwoners van Nederland hebben, herleiden tot wetten en artikelen in de Grondwet;
- de waarden noemen die aan die grondbeginselen ten grondslag liggen;
- uitleggen wat de beginselen van de rechtsstaat zijn.
Subdomein B2: De praktijk van de rechtsstaat
4. De kandidaat kan aan de hand van voorbeelden de spanning weergeven tussen de beginselen van de rechtsstaat enerzijds en de praktijk zoals die door groepen burgers ervaren wordt anderzijds.
Subdomein B3: Internationale vergelijking en internationale organisaties
5. De kandidaat kan:
- de waarden en praktijk van de rechtsstaat in Nederland vergelijken met die van enkele andere westerse landen;
- voorbeelden geven van internationale invloed op het Nederlandse beleid en de Nederlandse regelgeving ten aanzien van de praktijk van de rechtsstaat.

ML/V Domein C: Parlementaire democratie
Subdomein C1: Politieke rechten; de structuur van de democratie
6. De kandidaat kan:
- voorbeelden van politieke rechten die inwoners van Nederland hebben, herleiden tot artikelen in de Grondwet;
- de waarden noemen die aan democratie ten grondslag liggen;
- de structuur van de representatieve democratie in Nederland uitleggen op gemeentelijk, provinciaal, landelijk niveau;
- de structuur van de vertegenwoordiging op EU-niveau uitleggen.
Subdomein C2: De praktijk van de parlementaire democratie
7. De kandidaat kan:
- de fasen in het proces van politieke besluitvorming op gemeentelijk, provinciaal en nationaal niveau beschrijven;
- het verschil beschrijven tussen een parlementair stelsel en een presidentieel stelsel; alsmede tussen een meerderheidsstelsel en een stelsel van evenredige vertegenwoordiging;
- de rol van massamedia bij politieke besluitvorming beschrijven;
- aangeven welke factoren de politieke participatie van burgers beïnvloeden en waarom niet een ieder van zijn of haar politieke rechten gebruik maakt;
- uitleggen dat er spanning bestaat tussen representatie en representativiteit;
- dilemma’s herkennen, die samenhangen met de uitgangspunten van de democratie en de hoofdlijnen van de politieke discussie hierover weergeven.
Subdomein C3: Internationale vergelijking en internationale organisaties
8. De kandidaat kan aangeven welke gevolgen de vorming van de Europese Unie heeft voor de politieke rechten van de Europese burger.

ML/V/Domein B Rechtsstaat, ML/V/Domein C Parlementaire democratie
2. Cultuur, levensbeschouwing en identiteit

37:
De leerlingen leren zich te gedragen vanuit respect voor algemeen aanvaarde waarden en normen.

38:
De leerlingen leren hoofdzaken over geestelijke stromingen die in de Nederlandse multiculturele samenleving een belangrijke rol spelen, en ze leren respectvol om te gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit.

37, 38

43:
De leerling leert over overeenkomsten, verschillen en veranderingen in cultuur en levensbeschouwing in Nederland, leert eigen en andermans leefwijze daarmee in verband te brengen, en leert de betekenis voor de samenleving te zien van respect voor elkaars opvattingen en leefwijzen, en leert respectvol om te gaan met de seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit.

43

ML/H Domein E: Pluriforme samenleving
Subdomein E1: Geschiedenis van de pluriforme samenleving
13. De kandidaat kan uitleggen onder invloed van welke factoren de huidige pluriforme samenleving in Nederland is ontstaan en welke actoren erbij betrokken zijn.
Subdomein E2: Grondrechten die horen bij de pluriforme samenleving
14. De kandidaat kan:
- voorbeelden van grondrechten die horen bij de pluriforme samenleving, herleiden tot artikelen in de Grondwet;
- de waarden noemen die ten grondslag liggen aan de grondrechten;
- uitleggen wat het verschil is tussen morele verplichtingen en plichten;
- kenmerken van een pluriforme samenleving beschrijven.
Subdomein E3: De praktijk van de pluriforme samenleving
15. De kandidaat kan:
- op basis van bronnen de verschillen in leefomstandigheden, gewoonten en gebruiken van (afstammelingen van) migranten enerzijds en de autochtone meerderheid van de bevolking anderzijds verklaren;
- het beleid van de politiek ten aanzien van etnische minderheden en vreemdelingen/asielzoekers terugvoeren op (inter)nationale documenten;
- de standpunten van politieke partijen met betrekking tot vluchtelingen en migranten vergelijken en becommentariëren.
Subdomein E4: Internationale vergelijking en internationale organisaties
16. De kandidaat kan aangeven welke gevolgen de Europese integratie heeft voor de Nederlandse cultuur en identiteit.

ML/H/Domein E Pluriforme samenleving.

ML/V Domein E: Pluriforme samenleving
Subdomein E1: Geschiedenis van de pluriforme samenleving
13. De kandidaat kan uitleggen onder invloed van welke factoren de huidige pluriforme samenleving in Nederland is ontstaan en welke actoren erbij betrokken zijn.
Subdomein E2: Grondrechten die horen bij de pluriforme samenleving
14. De kandidaat kan:
- voorbeelden van grondrechten die horen bij de pluriforme samenleving, herleiden tot artikelen in de Grondwet;
- de waarden noemen die ten grondslag liggen aan de grondrechten;
- uitleggen wat het verschil is tussen morele verplichtingen en plichten;
- kenmerken van een pluriforme samenleving beschrijven.
Subdomein E3: De praktijk van de pluriforme samenleving
15. De kandidaat kan:
- op basis van bronnen de verschillen in leefomstandigheden, gewoonten en gebruiken van (afstammelingen van) migranten enerzijds en de autochtone meerderheid van de bevolking anderzijds verklaren;
- uitleggen welke verschijnselen verband houden met toenemende of afnemende sociale cohesie;
- het beleid van de politiek ten aanzien van etnische minderheden en vreemdelingen/asielzoekers terugvoeren op (inter)nationale documenten;
- de standpunten van politieke partijen met betrekking tot vluchtelingen en migranten vergelijken en becommentariëren;
- verschillende visies weergeven met het oog op de mogelijkheid om waarden te formuleren als basis voor verklaringen waarin aan alle mensen bepaalde rechten worden toegekend.
Subdomein E4: Internationale vergelijking en internationale organisaties
16. De kandidaat kan:
- aangeven welke gevolgen de Europese integratie heeft voor de Nederlandse cultuur en identiteit;
- een vergelijking maken tussen de Nederlandse maatschappij en een ander West-Europees land naar posities en kansen van migranten.

ML/V/Domein E Pluriforme samenleving.
3. Werk, welzijn en welvaart

34:
De leerlingen leren zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van henzelf en anderen.

35:
De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht, als verkeersdeelnemer en als consument.

34, 35

42:
De leerling leert in eigen ervaringen en in de eigen omgeving effecten te herkennen van keuzes op het gebied van werk en zorg, wonen en recreëren, consumeren en budgetteren, verkeer en milieu.

46:
De leerling leert over de verdeling van welvaart en armoede over de wereld, hij leert de betekenis daarvan te zien voor de bevolking en het milieu en relaties te leggen met het (eigen) leven in Nederland.

42, 46

ML/H Domein D: Verzorgingsstaat
Subdomein D1: Geschiedenis van de verzorgingsstaat
9. De kandidaat kan uitleggen onder invloed van welke factoren de verzorgingsstaat zich in Nederland heeft ontwikkeld na de tweede wereldoorlog en welke actoren erbij betrokken zijn.
Subdomein D2: Sociale rechten en plichten; kenmerken van een verzorgingsstaat
10. De kandidaat kan:
- voorbeelden van sociale rechten en plichten die inwoners van Nederland hebben, herleiden tot wetten en artikelen in de Grondwet;
- de waarden noemen die ten grondslag liggen aan de verzorgingsstaat;
- kenmerken van de Nederlandse verzorgingsstaat beschrijven.
Subdomein D3: De praktijk van de verzorgingsstaat
11. De kandidaat kan:
- hoofdlijnen aangeven van politieke discussies over de praktijk van de verzorgingsstaat;
- de relatie tussen de verzorgingsstaat en sociale ongelijkheid uitleggen.
Subdomein D4: Internationale vergelijking en internationale organisaties
12. De kandidaat kan aangeven welke gevolgen de vorming van de Europese Unie heeft voor de sociale rechten van de Europese burger.

ML/H/Domein D Verzorgingsstaat

ML/V Domein D: Verzorgingsstaat
Subdomein D1: Geschiedenis van de verzorgingsstaat
9. De kandidaat kan uitleggen onder invloed van welke factoren de verzorgingsstaat zich in Nederland heeft ontwikkeld na de tweede wereldoorlog en welke actoren erbij betrokken zijn.
Subdomein D2: Sociale rechten en plichten; kenmerken van een verzorgingsstaat
10. De kandidaat kan:
- voorbeelden van sociale rechten en plichten die inwoners van Nederland hebben, herleiden tot wetten en artikelen in de Grondwet;
- de waarden noemen die ten grondslag liggen aan de verzorgingsstaat;
- kenmerken van de Nederlandse verzorgingsstaat beschrijven.
Subdomein D3: De praktijk van de verzorgingsstaat
11. De kandidaat kan:
- hoofdlijnen aangeven van politieke discussies over de praktijk van de verzorgingsstaat en de opvattingen van politieke partijen hierover;
- het proces beschrijven van een mogelijk terugtredende rol van de verzorgingsstaat en de wisselwerking die zich daarbij voordoet tussen politiek en samenleving;
- de relatie tussen de verzorgingsstaat en sociale ongelijkheid uitleggen.
Subdomein D4: Internationale vergelijking en internationale organisaties
12. De kandidaat kan:
- een vergelijking maken tussen de Nederlandse verzorgingsstaat en die in een ander westers land;
- aangeven welke gevolgen de vorming van de Europese Unie heeft voor de sociale rechten van de Europese burger.

ML/V/Domein D Verzorgingsstaat