helphelp

Leerlijn Maatschappijwetenschappen (PO-havo/vwo)

( )

Sectoren
Kernconcepten
kerndoelen primair onderwijskerndoelen onderbouwhavo bovenbouw exameneenhedenvwo bovenbouw exameneenheden
1. De mens en zijn fysieke- en ruimtelijke leefomgeving (duurzaamheid, ruimtelijke inrichting en milieu)

35:
De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht, als verkeersdeelnemer en als consument.

39:
De leerlingen leren met zorg om te gaan met het milieu.

35, 39

42:
De leerling leert in eigen ervaringen en in de eigen omgeving effecten te herkennen van keuzes op het gebied van werk en zorg, wonen en recreëren, consumeren en budgetteren, verkeer en milieu.

42

MW/H Domein G: Milieu en beleid
Subdomein G1: Milieu als maatschappelijk probleem
26. De kandidaat kan:
- uitleggen waarom het milieuprobleem een sociaal en politiek probleem is;
- verband leggen tussen milieuproblematiek en de industriële samenleving.
Subdomein G2: Overheid
27. De kandidaat kan uiteenzetten op welke wijze de landelijke overheid, de provincie, de gemeente, de EU en internationale instanties zich met milieu bezighouden.
Subdomein G3: Maatschappelijke organisaties
28. De kandidaat kan belangen(afwegingen) onderscheiden die een rol spelen bij de positiebepaling van het bedrijfsleven, werkgevers- en werknemersorganisaties en andere maatschappelijke organisaties ten aanzien van het milieu(beleid).
Subdomein G4: Mondiaal niveau
29. De kandidaat kan:
- de milieuproblematiek in verband brengen met de sociaal-economische verhoudingen op mondiaal niveau;
- uitleggen wat het belang is van duurzame ontwikkeling voor het mondiale milieuvraagstuk.
Subdomein G5: Milieu en cultuur
30. De kandidaat kan waarden, normen en gedrag van individuen, van maatschappelijke organisaties en politieke partijen onderscheiden met betrekking tot milieuproblemen.

MW/H/Domein G Milieu en beleid

MW/V Domein G: Milieu en beleid
Subdomein G1: Milieu als maatschappelijk probleem
28. De kandidaat kan sociale dilemma's herkennen in de oorzaken van de milieuproblematiek en de aanpak hiervan door de overheid, het bedrijfsleven en individuele burgers.
Subdomein G2: Overheid
29. De kandidaat kan de effectiviteit van het milieubeleid analyseren aan de hand van taken, verantwoordelijkheden en beleidsinstrumenten van regionale, landelijke en internationale overheden en internationale instanties.
Subdomein G3: Maatschappelijke organisaties
30. De kandidaat kan belangen(afwegingen) onderscheiden die een rol spelen bij de oppositiebepaling van bedrijfsleven, werkgevers- en werknemersorganisaties en andere maatschappelijke organisaties ten aanzien van het milieu(beleid).
Subdomein G4: Mondiaal niveau
31. De kandidaat kan:
- de milieuproblematiek in verband brengen met de sociaal-economische verhoudingen op mondiaal niveau;
- uitleggen wat het belang is van duurzame ontwikkeling voor het mondiale milieuvraagstuk.
Subdomein G5: Milieu en cultuur
32. De kandidaat kan:
- waarden, normen, attitude en gedrag onderscheiden met betrekking tot milieuproblemen;
- uitleggen welke invloed individueel gedrag heeft op de milieuproblematiek.

MW/V/Domein G Milieu en beleid
2. Macht, gezag en bestuur

36:
De leerlingen leren hoofdzaken van de Nederlandse en Europese staatsinrichting en hun rol als burger.

36

44:
De leerling leert op hoofdlijnen hoe het Nederlandse politieke bestel als democratie functioneert en leert zien hoe mensen op verschillende manieren bij politieke processen betrokken zijn.

45:
De leerling leert de betekenis van Europese samenwerking en de Europese Unie te begrijpen voor zichzelf, Nederland en de wereld.

47:
De leerling leert actuele spanningen, conflicten en oorlogen in de wereld te plaatsen tegen hun achtergrond, en leert daarbij de doorwerking ervan op individuen en samenleving (nationaal, Europees en internationaal), de grote onderlinge afhankelijkheid in de wereld, het belang van mensenrechten en de betekenis van internationale samenwerking te zien.

44, 45, 47

MW/H Domein B: Politieke besluitvorming
Subdomein B1: Politieke structuren
4. De kandidaat kan de structuur van het Nederlandse stelsel van politieke besluitvorming typeren.
Subdomein B2: Actoren in het proces van politieke besluitvorming
5. De kandidaat kan aangeven op welke wijze actoren beleids- en besluitvormingsprocessen beïnvloeden op lokaal, provinciaal, landelijk en Europees niveau.
Subdomein B3: Politieke stromingen
6. De kandidaat kan de belangrijkste politieke stromingen en politieke partijen onderscheiden.

MW/H/Domein B Politieke besluitvorming

MW/V Domein B: Politieke besluitvorming
Subdomein B1: Politieke structuren
4. De kandidaat kan de structuur van het Nederlandse stelsel van politieke besluitvorming en die van andere stelsels typeren.
Subdomein B2: Actoren in het proces van politieke besluitvorming
5. De kandidaat kan beleids- en besluitvormingsprocessen analyseren met behulp van diverse modellen van het politieke proces en de rol van diverse actoren in het politieke proces.
Subdomein B3: Politieke cultuur en politieke stromingen
6. De kandidaat kan in discussies over het politieke systeem en over beleidsvraagstukken veranderingen in de politieke cultuur beschrijven, en de belangrijkste politieke stromingen en politieke partijen onderscheiden.
Subdomein B4: Internationale betrekkingen
7. De kandidaat kan uitleggen hoe politieke beleids- en besluitvormingsprocessen in Nederland worden beïnvloed door de politieke, economische en culturele verwevenheid van de internationale samenleving.

MW/V/Domein B Politieke besluitvorming
3. Cultuur, levensbeschouwing en identiteit

37:
De leerlingen leren zich te gedragen vanuit respect voor algemeen aanvaarde waarden en normen.

38:
De leerlingen leren hoofdzaken over geestelijke stromingen die in de Nederlandse multiculturele samenleving een belangrijke rol spelen, en ze leren respectvol om te gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit.

37, 38

43:
De leerling leert over overeenkomsten, verschillen en veranderingen in cultuur en levensbeschouwing in Nederland, leert eigen en andermans leefwijze daarmee in verband te brengen, en leert de betekenis voor de samenleving te zien van respect voor elkaars opvattingen en leefwijzen, en leert respectvol om te gaan met de seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit.

43

MW/H Domein D: Multiculturele samenleving
Subdomein D1: Multiculturele samenleving
12. De kandidaat kan een beschrijving geven van de Nederlandse samenleving als een multiculturele samenleving en de aanwezigheid van de grootste allochtone groepen verklaren.
Subdomein D2: Overheidsbeleid
13. De kandidaat kan de uitgangspunten en hoofdlijnen van vreemdelingenbeleid en minderhedenbeleid verwoorden en de standpunten van politieke partijen met betrekking tot genoemd beleid vergelijken en becommentariëren.
Subdomein D3: Maatschappelijke positie
14. De kandidaat kan verschillende visies onderscheiden die een verklaring geven voor de maatschappelijke positie van etnische minderheden voor wat betreft arbeid en inkomen, onderwijs en huisvesting.
Subdomein D4: Cultuur en discriminatie
15. De kandidaat kan de verhouding tussen allochtone groepen en autochtone groepen in Nederland beschrijven en mogelijke oorzaken en gevolgen van discriminatie aangeven.

MW/H/Domein D Multiculturele samenleving

MW/V Domein D: Multiculturele samenleving
Subdomein D1: Multiculturele samenleving
13. De kandidaat kan een beschrijving geven van de Nederlandse samenleving als een multiculturele samenleving en de aanwezigheid van de grootste allochtone groepen verklaren.
Subdomein D2: Overheidsbeleid
14. De kandidaat kan de uitgangspunten en hoofdlijnen van vreemdelingenbeleid en minderhedenbeleid verwoorden en de standpunten van politieke partijen met betrekking tot genoemd beleid vergelijken en becommentariëren.
Subdomein D3: Maatschappelijke positie
15. De kandidaat kan verschillende visies onderscheiden die een verklaring geven voor de maatschappelijke positie van etnische minderheden voor wat betreft arbeid en inkomen, onderwijs en huisvesting en de gevolgen van deze maatschappelijke positie uitleggen.
Subdomein D4: Cultuur en discriminatie
16. De kandidaat kan:
- de verhouding tussen allochtone groepen en autochtone groepen in Nederland beschrijven;
- de mogelijke oorzaken en gevolgen van discriminatie aangeven;
- mogelijke modellen beschrijven van samenlevingen met verschillende groepen en hun (sub)culturen.

MW/V/Domein D Multiculturele samenleving
4. Werk, welzijn en welvaart

34:
De leerlingen leren zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van henzelf en anderen.

35:
De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht, als verkeersdeelnemer en als consument.

34, 35

42:
De leerling leert in eigen ervaringen en in de eigen omgeving effecten te herkennen van keuzes op het gebied van werk en zorg, wonen en recreëren, consumeren en budgetteren, verkeer en milieu.

46:
De leerling leert over de verdeling van welvaart en armoede over de wereld, hij leert de betekenis daarvan te zien voor de bevolking en het milieu en relaties te leggen met het (eigen) leven in Nederland.

42, 46

MW/H Domein E: Mens en werk
Subdomein E1: Politieke visies en verzorgingsstaat
16. De kandidaat kan:
- aangeven welke visies de belangrijkste politieke stromingen en politieke partijen in Nederland hebben op sociaal-economische vraagstukken en op de rol die de overheid op sociaal-economisch terrein dient te spelen;
- de ontwikkeling van de verzorgingsstaat beschrijven en verschillende visies hierop benoemen;
- aangeven op welke verschillende manieren de overheid betrokken is bij het sociaal-economisch proces.
Subdomein E2: Arbeidsverhoudingen
17. De kandidaat kan van de belangrijkste groeperingen die betrokken zijn bij arbeid aangeven wat hun belangen zijn, hoe ze georganiseerd zijn en wat hun onderlinge verhoudingen zijn.
Subdomein E3: Arbeidsverdeling
18. De kandidaat kan uitleggen welke gevolgen een voortschrijdende arbeidsverdeling heeft voor mens en samenleving.
Subdomein E4: Arbeid en informatisering
19. De kandidaat kan de invloed van informatisering op arbeid en samenleving beschrijven.
Subdomein E5: Betekenis en waardering van werk
20. De kandidaat kan uitleggen wat de betekenis is van werk voor mens en samenleving.

MW/H/Domein E Mens en werk

MW/V Domein E: Mens en werk
Subdomein E1: Politieke visies en verzorgingsstaat
17. De kandidaat kan:
- aangeven welke visies de belangrijkste politieke stromingen en politieke partijen in Nederland hebben op sociaal-economische vraagstukken en op de rol die de overheid op sociaal-economisch terrein dient te spelen;
- de ontwikkeling van de verzorgingsstaat beschrijven en verschillende visies hierop benoemen;
- aangeven op welke verschillende manieren de overheid betrokken is bij het sociaal-economisch proces.
Subdomein E2: Economische orde
18. De kandidaat kan de Nederlandse economische orde vergelijken met die van andere landen.
Subdomein E3: Arbeidsverhoudingen
19. De kandidaat kan van de belangrijkste groeperingen die betrokken zijn bij arbeid aangeven wat hun belangen zijn, hoe ze georganiseerd zijn en wat hun onderlinge verhoudingen zijn.
Subdomein E4: Arbeidsverdeling
20. De kandidaat kan uitleggen welke gevolgen een voortschrijdende arbeidsverdeling heeft voor mens en samenleving.
Subdomein E5: Arbeid en informatisering
21. De kandidaat kan de invloed van informatisering op arbeid en samenleving beschrijven.
Subdomein E6: Betekenis en waardering van werk
22. De kandidaat kan uitleggen wat de betekenis is van werk voor mens en samenleving.

MW/V/Domein E Mens en werk
5. Internationale verhoudingen
n.v.t.

46:
De leerling leert over de verdeling van welvaart en armoede over de wereld, hij leert de betekenis daarvan te zien voor de bevolking en het milieu en relaties te leggen met het (eigen) leven in Nederland.

46

MW/H Domein B: Politieke besluitvorming
Subdomein B1: Politieke structuren
4. De kandidaat kan de structuur van het Nederlandse stelsel van politieke besluitvorming typeren.
Subdomein B2: Actoren in het proces van politieke besluitvorming
5. De kandidaat kan aangeven op welke wijze actoren beleids- en besluitvormingsprocessen beïnvloeden op lokaal, provinciaal, landelijk en Europees niveau.
Subdomein B3: Politieke stromingen
6. De kandidaat kan de belangrijkste politieke stromingen en politieke partijen onderscheiden.

MW/H/Domein B Politieke besluitvorming

MW/V Domein B: Politieke besluitvorming
Subdomein B1: Politieke structuren
4. De kandidaat kan de structuur van het Nederlandse stelsel van politieke besluitvorming en die van andere stelsels typeren.
Subdomein B2: Actoren in het proces van politieke besluitvorming
5. De kandidaat kan beleids- en besluitvormingsprocessen analyseren met behulp van diverse modellen van het politieke proces en de rol van diverse actoren in het politieke proces.
Subdomein B3: Politieke cultuur en politieke stromingen
6. De kandidaat kan in discussies over het politieke systeem en over beleidsvraagstukken veranderingen in de politieke cultuur beschrijven, en de belangrijkste politieke stromingen en politieke partijen onderscheiden.
Subdomein B4: Internationale betrekkingen
7. De kandidaat kan uitleggen hoe politieke beleids- en besluitvormingsprocessen in Nederland worden beïnvloed door de politieke, economische en culturele verwevenheid van de internationale samenleving.

MW/V/Domein B Politieke besluitvorming
6. Communicatie en samenleving
n.v.t.
n.v.t.

MW/H Domein C: Massamedia
Subdomein C1: Communicatie en massamedia
7. De kandidaat kan verschillende soorten massamedia onderscheiden en met elkaar vergelijken en uitleggen welke functies de massamedia hebben voor mens en samenleving.
Subdomein C2: Massamedia en technologische ontwikkelingen
8. De kandidaat kan het verband aangeven tussen technologische ontwikkelingen en ontwikkelingen op het gebied van massamedia en communicatie (waaronder internet).
Subdomein C3: Massamedia en de overheid
9. De kandidaat kan uitleggen op welke wijze de overheid in ons land betrokken is bij de massamedia en uitleggen binnen welke wettelijke kaders de omroep in ons land functioneert.
Subdomein C4: Massamedia en commercie
10. De kandidaat kan uitleggen dat economische overwegingen, belangen en ontwikkelingen invloed hebben op het functioneren van de media en op het media-aanbod.
Subdomein C5: Massamedia en cultuur
11. De kandidaat kan:
- de invloed aangeven van sociaal-culturele ontwikkelingen en centrale waarden in de samenleving op de inhoud van het media-aanbod en op de organisatie van de media;
- uitleggen welke rol de media vervullen bij cultuuroverdracht en in de beeldvorming over de werkelijkheid;
- aangeven welke visies er bestaan op de invloed of macht van de media.

MW/H/Domein C Massamedia

MW/V Domein C: Massamedia
Subdomein C1: Communicatie en massamedia
8. De kandidaat kan het functioneren van massamedia in de samenleving analyseren.
Subdomein C2: Massamedia en technologische ontwikkelingen
9. De kandidaat kan analyseren welke relatie er bestaat tussen technologische ontwikkelingen en ontwikkelingen op het gebied van de massamedia.
Subdomein C3: Massamedia en de overheid
10. De kandidaat kan uitleggen op welke wijze de overheid in ons land betrokken is bij de massamedia en kan het mediabeleid becommentariëren.
Subdomein C4: Massamedia en commercie
11. De kandidaat kan de invloed analyseren van economische overwegingen, belangen en ontwikkelingen op de organisatie en de werking van de media en op het media-aanbod.
Subdomein C5: Massamedia en cultuur
12. De kandidaat kan:
- de invloed analyseren van sociaal-culturele ontwikkelingen en centrale waarden in de samenleving op de inhoud van het media-aanbod en op de organisatie van de media;
- de invloed en macht van de media analyseren aan de hand van cultuuroverdracht, beeldvorming en beïnvloedingstheorieën.

MW/V/Domein C Massamedia