helphelp

Leerlijn Nederlands (PO-havo/vwo)

( )

Sectoren
Domeinen
kerndoelen primair onderwijsbeheersings­niveau 1Fbeheersings­niveau 2Fkerndoelen onderbouw beheersings­niveau 3Fhavo bovenbouw exameneenhedenvwo bovenbouw exameneenheden
1. Leesvaardigheid

4:
De leerlingen leren informatie te achterhalen in informatieve en instructieve teksten, waaronder schema's, tabellen en digitale bronnen.

6:
De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het lezen van school- en studieteksten en andere instructieve teksten, bij systematisch geordende bronnen, waaronder digitale.

7:
De leerlingen leren informatie en meningen te vergelijken en te beoordelen in verschillende teksten.

9:
De leerlingen krijgen plezier in het lezen en schrijven van voor hen bestemde verhalen, gedichten en informatieve teksten.

10:
De leerlingen leren bij de doelen onder 'mondeling taalonderwijs' en 'schriftelijk taalonderwijs' strategieën te herkennen, te verwoorden, te gebruiken en te beoordelen.

12:
De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder 'woordenschat' vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.

4, 6, 7, 9, 10, 12

NE/1F Zakelijke teksten
Eenvoudige teksten lezen over alledaagse onderwerpen en over onderwerpen die aansluiten bij de leefwereld.
 
Taken:
1. Lezen van informatieve teksten.
2. Lezen van instructies.
3. Lezen van betogende teksten.
 
De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven:
  • techniek en woordenschat;
  • begrijpen;
  • interpreteren;
  • evalueren;
  • opzoeken.
Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld.
 
Begrippenlijst
Er zijn begrippen beschreven voor:
- leestekens;
- woordsoorten;
- grammaticale kennis;
- tekstkennis;
- stilistiek en semantiek;
- morfologie;
- opmaak;
- klanken.
 
 

NE/1F Fictionele, narratieve en literaire teksten
Jeugdliteratuur belevend lezen.
 
De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven:
  • begrijpen;
  • interpreteren;
  • evalueren.
 
Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld.
 

NE/1F Zakelijke teksten, NE/1F Fictionele, narratieve en literaire teksten

NE/2F Zakelijke teksten
Teksten lezen over alledaagse onderwerpen, onderwerpen die aansluiten bij de leefwereld van de leerling en over onderwerpen die verder van de leerling afstaan.
 
Taken:
1. Lezen van informatieve teksten.
2. Lezen van instructies.
3. Lezen van betogende teksten.
 
De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven:
  • techniek en woordenschat;
  • begrijpen;
  • interpreteren;
  • evalueren;
  • samenvatten;
  • opzoeken.
 
Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld.
 
Begrippenlijst
Er zijn begrippen beschreven  voor:
  • leestekens;
  • grammaticale kennis;
  • tekstkennis;
  • stilistiek en semantiek.

NE/2F Fictionele, narratieve en literaire teksten
Eenvoudige adolescentenliteratuur herkennend lezen.
 
De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven:
  • begrijpen;
  • interpreteren;
  • evalueren.
 
Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld.
 

NE/2F Zakelijke teksten, NE/2F Fictionele, narratieve en literaire teksten

3:
De leerling leert strategieën te gebruiken voor het uitbreiden van zijn woordenschat.

4:
De leerling leert strategieën te gebruiken bij het verwerven van informatie uit gesproken en geschreven teksten.

5:
De leerling leert in schriftelijke en digitale bronnen informatie te zoeken, deze informatie te ordenen en te beoordelen op waarde voor hemzelf en anderen.

8:
De leerling leert verhalen, gedichten en informatieve teksten te lezen die aan zijn belangstelling tegemoet komen en zijn belevingswereld uitbreiden.

9:
De leerling leert taalactiviteiten (spreken, luisteren, schrijven en lezen) planmatig voor te bereiden en uit te voeren.

10:
De leerling leert te reflecteren op de manier waarop hij zijn taalactiviteiten uitvoert en leert, op grond daarvan en van reacties van anderen, conclusies te trekken voor het uitvoeren van nieuwe taalactiviteiten.

3, 4, 5, 8, 9, 10

NE/3F Zakelijke teksten
Een grote variatie aan teksten over onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard zelfstandig lezen, met begrip voor geheel en details.
 
Taken:
  1. Lezen van informatieve teksten.
  2. Lezen van instructies.
  3. Lezen van betogende teksten.
 
De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven:
  • begrijpen;
  • interpreteren;
  • evalueren;
  • samenvatten;
  • opzoeken.
 
Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld.
 
 

NE/3F Fictionele, narratieve en literaire teksten
Adolescentenliteratuur en eenvoudige volwassenenliteratuur kritisch en reflecterend lezen.
 
De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven:
  • begrijpen;
  • interpreteren;
  • evalueren.
 
Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld.

NE/3F Zakelijke teksten, NE/3F Fictionele, narratieve en literaire teksten

NE/HV Domein A: Leesvaardigheid
Subdomein A1: Analyseren en interpreteren
1. De kandidaat kan:
– vaststellen tot welke tekstsoort een tekst of tekstgedeelte behoort;
– de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven;
– relaties tussen delen van een tekst aangeven;
– conclusies trekken met betrekking tot intenties, opvattingen en gevoelens van de auteur;
– standpunten en soorten argumenten herkennen en onderscheiden;
– argumentatieschema’s herkennen.
Subdomein A2: Beoordelen
2. De kandidaat kan een betogende tekst of betogend tekstgedeelte op aanvaardbaarheid beoordelen en in deze tekst drogredenen herkennen.
Subdomein A3: Samenvatten
3. De kandidaat kan teksten en tekstgedeelten beknopt samenvatten.

NE/HV Domein D: Argumentatieve vaardigheden
6. De kandidaat kan een betoog:
– analyseren;
– beoordelen;
– zelf opzetten en presenteren, schriftelijk en mondeling.

NE/HV Domein E: Literatuur
Subdomein E1: Literaire ontwikkeling
7. De kandidaat kan beargumenteerd verslag uitbrengen van zijn leeservaringen met een aantal door hem geselecteerde literaire werken.
* Minimumaantal: havo 8; vwo 12 waarvan minimaal 3 voor 1880.
* De werken zijn oorspronkelijk geschreven in de Nederlandse taal.
Subdomein E2: Literaire begrippen
8. De kandidaat kan literaire tekstsoorten herkennen en onderscheiden, en literaire begrippen hanteren in de interpretatie van literaire teksten.
Subdomein E3: Literatuurgeschiedenis
9. De kandidaat kan een overzicht geven van de hoofdlijnen van de literatuurgeschiedenis, en de gelezen literaire werken plaatsen in dit historisch perspectief.

NE/Domein A: Leesvaardigheid, NE/Domein D: Argumentatieve vaardigheden, NE/Domein E: Literatuur

NE/HV Domein A: Leesvaardigheid
Subdomein A1: Analyseren en interpreteren
1. De kandidaat kan:
– vaststellen tot welke tekstsoort een tekst of tekstgedeelte behoort;
– de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven;
– relaties tussen delen van een tekst aangeven;
– conclusies trekken met betrekking tot intenties, opvattingen en gevoelens van de auteur;
– standpunten en soorten argumenten herkennen en onderscheiden;
– argumentatieschema’s herkennen.
Subdomein A2: Beoordelen
2. De kandidaat kan een betogende tekst of betogend tekstgedeelte op aanvaardbaarheid beoordelen en in deze tekst drogredenen herkennen.
Subdomein A3: Samenvatten
3. De kandidaat kan teksten en tekstgedeelten beknopt samenvatten.

NE/HV Domein D: Argumentatieve vaardigheden
6. De kandidaat kan een betoog:
– analyseren;
– beoordelen;
– zelf opzetten en presenteren, schriftelijk en mondeling.

NE/HV Domein E: Literatuur
Subdomein E1: Literaire ontwikkeling
7. De kandidaat kan beargumenteerd verslag uitbrengen van zijn leeservaringen met een aantal door hem geselecteerde literaire werken.
* Minimumaantal: havo 8; vwo 12 waarvan minimaal 3 voor 1880.
* De werken zijn oorspronkelijk geschreven in de Nederlandse taal.
Subdomein E2: Literaire begrippen
8. De kandidaat kan literaire tekstsoorten herkennen en onderscheiden, en literaire begrippen hanteren in de interpretatie van literaire teksten.
Subdomein E3: Literatuurgeschiedenis
9. De kandidaat kan een overzicht geven van de hoofdlijnen van de literatuurgeschiedenis, en de gelezen literaire werken plaatsen in dit historisch perspectief.

NE/Domein A: Leesvaardigheid, NE/Domein D: Argumentatieve vaardigheden, NE/Domein E: Literatuur
2. Schrijfvaardigheid

1:
De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven.

5:
De leerlingen leren naar inhoud en vorm teksten te schrijven met verschillende functies, zoals: informeren, instrueren, overtuigen of plezier verschaffen.

6:
De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het lezen van school- en studieteksten en andere instructieve teksten, bij systematisch geordende bronnen, waaronder digitale.

8:
De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het schrijven van een brief, een verslag, een formulier of een werkstuk. Zij besteden daarbij aandacht aan zinsbouw, correcte spelling, een leesbaar handschrift, bladspiegel, eventueel beeldende elementen en kleur.

9:
De leerlingen krijgen plezier in het lezen en schrijven van voor hen bestemde verhalen, gedichten en informatieve teksten.

11:
De leerlingen leren een aantal taalkundige principes en regels. Zij kunnen in een zin het onderwerp, het werkwoordelijk gezegde en delen van dat gezegde onderscheiden. De leerlingen kennen: regels voor het spellen van werkwoorden;

1, 5, 6, 8, 9, 11

NE/1F Schrijven en Taalverzorging
Korte, eenvoudige teksten schrijven over alledaagse onderwerpen of over onderwerpen uit de leefwereld.
 
Taken:
  1. Correspondentie.
  2. Formulieren invullen, berichten, advertenties en aantekeningen.
  3. Verslagen, werkstukken, samenvattingen, artikelen.
  4. Vrij schrijven.
 
De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven:
  • samenhang;
  • afstemming op doel;
  • afstemming op publiek;
  • woordgebruik en woordenschat;
  • spelling, interpunctie en grammatica;
  • leesbaarheid.
 
Taalverzorging
Er zijn regels beschreven voor:
  • alfabetische spelling;
  • orthografische spelling;
  • morfologische spelling;
  • morfologische spelling op syntactische basis ( voor aspecten van de werkwoordspelling);
  • leestekens;
  • afbreekegels;
  • grammaticale begrippen voor werkwoordspelling.

NE/1F Schrijven en Taalverzorging

NE/2F Schrijven en Taalverzorging
Samenhangende teksten schrijven met een eenvoudige, lineaire opbouw, over uiteenlopende vertrouwde onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard.
 
Taken:
  1. Correspondentie.
  2. Formulieren invullen, berichten, advertenties en aantekeningen.
  3. Verslagen, werkstukken, samenvattingen, artikelen.
 
De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven:
  • samenhang;
  • afstemming op doel;
  • afstemming op publiek;
  • woordgebruik en woordenschat;
  • spelling, interpunctie en grammatica;
  • leesbaarheid.
 
Taalverzorging
Er zijn regels beschreven voor:
  • moeilijke gevallen in de morfologische spelling;
  • moeilijke gevallen in de morfologische spelling op syntactische basis (voor aspecten van de werkwoordspelling);
  • leestekens.
 
 

NE/2F Schrijven en Taalverzorging

1:
De leerling leert zich mondeling en schriftelijk begrijpelijk uit te drukken.

2:
De leerling leert zich te houden aan conventies (spelling, grammaticaal correcte zinnen, woordgebruik) en leert het belang van die conventies te zien.

5:
De leerling leert in schriftelijke en digitale bronnen informatie te zoeken, deze informatie te ordenen en te beoordelen op waarde voor hemzelf en anderen.

9:
De leerling leert taalactiviteiten (spreken, luisteren, schrijven en lezen) planmatig voor te bereiden en uit te voeren.

10:
De leerling leert te reflecteren op de manier waarop hij zijn taalactiviteiten uitvoert en leert, op grond daarvan en van reacties van anderen, conclusies te trekken voor het uitvoeren van nieuwe taalactiviteiten.

1, 2, 5, 9, 10

NE/3F Schrijven en Taalverzorging
Gedetailleerde teksten schrijven over onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard, waarin informatie en argumenten uit verschillende bronnen bijeengevoegd en beoordeeld worden.
 
Taken:
  1. Correspondentie.
  2. Formulieren invullen, berichten, advertenties en aantekeningen.
  3. Verslagen, werkstukken, samenvattingen, artikelen.
 
De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven:
  • samenhang;
  • afstemming op doel;
  • woordgebruik en woordenschat;
  • spelling, interpunctie en grammatica;
  • leesbaarheid.
 
Taalverzorging
Er zijn regels beschreven voor:
  • moeilijke gevallen in de morfologische spelling op syntactische basis (voor aspecten van de werkwoordspelling);
  • leestekens;
  • aaneenschrijvingen losschrijving.
 
 

NE/3F Schrijven en Taalverzorging

NE/HV Domein C: Schrijfvaardigheid
5. De kandidaat kan ten behoeve van een gedocumenteerde uiteenzetting, beschouwing en betoog:
– relevante informatie verzamelen en verwerken;
– deze informatie adequaat presenteren met het oog op doel, publiek, tekstsoort en conventies voor geschreven taal;
– concepten van de tekst reviseren op basis van geleverd commentaar.

NE/HV Domein D: Argumentatieve vaardigheden
6. De kandidaat kan een betoog:
– analyseren;
– beoordelen;
– zelf opzetten en presenteren, schriftelijk en mondeling.

NE/Domein C: Schrijfvaardigheid, NE/Domein D: Argumentatieve vaardigheden

NE/HV Domein C: Schrijfvaardigheid
5. De kandidaat kan ten behoeve van een gedocumenteerde uiteenzetting, beschouwing en betoog:
– relevante informatie verzamelen en verwerken;
– deze informatie adequaat presenteren met het oog op doel, publiek, tekstsoort en conventies voor geschreven taal;
– concepten van de tekst reviseren op basis van geleverd commentaar.

NE/HV Domein D: Argumentatieve vaardigheden
6. De kandidaat kan een betoog:
– analyseren;
– beoordelen;
– zelf opzetten en presenteren, schriftelijk en mondeling.

NE/Domein C: Schrijfvaardigheid, NE/Domein D: Argumentatieve vaardigheden
3. Mondelinge taalvaardigheid

1:
De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven.

2:
De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren en bij het discussiëren.

3:
De leerlingen leren informatie te beoordelen in discussies en in een gesprek dat informatief of opiniërend van karakter is en leren met argumenten te reageren.

10:
De leerlingen leren bij de doelen onder 'mondeling taalonderwijs' en 'schriftelijk taalonderwijs' strategieën te herkennen, te verwoorden, te gebruiken en te beoordelen.

12:
De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder 'woordenschat' vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.

1, 2, 3, 10, 12

NE/1F Luisteren
Luisteren naar eenvoudige teksten over alledaagse, concrete onderwerpen of over onderwerpen die aansluiten bij de leefwereld van de leerling.
 
Taken:
  1. Luisteren naar instructies.
  2. Luisteren als lid van een live publiek.
  3. Luisteren naar radio, tv en naar gesproken tekst op internet.
 
De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven:
  • begrijpen;
  • interpreteren;
  • evalueren;
  • samenvatten.
 
Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld met betrekking tot:
  • lengte;
  • opbouw.

NE/1F Luisteren

NE/2F Gesprekken
In gesprekken over alledaagse en niet alledaagse onderwerpen uit leefwereld en (beroeps) opleiding uiting geven aan persoonlijke meningen en informatie uitwisselen en gevoelens onder woorden brengen.
 
Taken:
  1. Deelnemen aan discussie en overleg.
  2. Informatie uitwisselen.
 
De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven:
  • beurten nemen en bijdragen aan de samenhang;
  • afstemming op doel;
  • afstemming op de gesprekspartner(s);
  • woordgebruik en woordenschat;
  • vloeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersing.

NE/2F Gesprekken

1:
De leerling leert zich mondeling en schriftelijk begrijpelijk uit te drukken.

2:
De leerling leert zich te houden aan conventies (spelling, grammaticaal correcte zinnen, woordgebruik) en leert het belang van die conventies te zien.

3:
De leerling leert strategieën te gebruiken voor het uitbreiden van zijn woordenschat.

4:
De leerling leert strategieën te gebruiken bij het verwerven van informatie uit gesproken en geschreven teksten.

6:
De leerling leert deel te nemen aan overleg, planning, discussie in een groep.

7:
De leerling leert een mondelinge presentatie te geven.

9:
De leerling leert taalactiviteiten (spreken, luisteren, schrijven en lezen) planmatig voor te bereiden en uit te voeren.

10:
De leerling leert te reflecteren op de manier waarop hij zijn taalactiviteiten uitvoert en leert, op grond daarvan en van reacties van anderen, conclusies te trekken voor het uitvoeren van nieuwe taalactiviteiten.

1, 2, 3, 4, 6, 7, 9, 10

NE/3F Spreken
Monologen en presentaties houden over onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard, waarin ideeën worden uitgewerkt en voorzien van relevante voorbeelden.
 
Taken:
Een monoloog houden.
 
De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven:
  • samenhang;
  • afstemming op doel;
  • afstemming op publiek;
  • woordgebruik en woordenschat;
  • voeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersing.
 

NE/3F Gesprekken
Op effectieve wijze deelnemen aan gesprekken over onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard
 
Taken:
  1. Deelnemen aan discussie en overleg.
  2. Informatie uitwisselen.
 
De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven:
  • beurten nemen en bijdragen aan de samenhang;
  • afstemming op doel;
  • afstemming op de gesprekspartner(s);
  • woordgebruik en woordenschat;
  • vloeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersing.

NE/3F Spreken, NE/3F Gesprekken

NE/HV Domein B: Mondelinge taalvaardigheid
4. De kandidaat kan ten behoeve van een voordracht, discussie of debat (ter keuze van de school):
– relevante informatie verzamelen en verwerken;
– deze informatie adequaat presenteren met het oog op doel, publiek en gespreksvorm;
– adequaat reageren op bijdragen van luisteraars of gespreksdeelnemers.

NE/HV Domein D: Argumentatieve vaardigheden
6. De kandidaat kan een betoog:
– analyseren;
– beoordelen;
– zelf opzetten en presenteren, schriftelijk en mondeling.

NE/Domein B: Mondelinge Taalvaardigheid, NE/Domein D: Argumentatieve vaardigheden

NE/HV Domein B: Mondelinge taalvaardigheid
4. De kandidaat kan ten behoeve van een voordracht, discussie of debat (ter keuze van de school):
– relevante informatie verzamelen en verwerken;
– deze informatie adequaat presenteren met het oog op doel, publiek en gespreksvorm;
– adequaat reageren op bijdragen van luisteraars of gespreksdeelnemers.

NE/HV Domein D: Argumentatieve vaardigheden
6. De kandidaat kan een betoog:
– analyseren;
– beoordelen;
– zelf opzetten en presenteren, schriftelijk en mondeling.

NE/Domein B: Mondelinge Taalvaardigheid, NE/Domein D: Argumentatieve vaardigheden
4. Begrippenlijst en taalverzorging

8:
De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het schrijven van een brief, een verslag, een formulier of een werkstuk. Zij besteden daarbij aandacht aan zinsbouw, correcte spelling, een leesbaar handschrift, bladspiegel, eventueel beeldende elementen en kleur.

8
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
5. Argumentatieve vaardigheden
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.

NE/3F Zakelijke teksten
Een grote variatie aan teksten over onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard zelfstandig lezen, met begrip voor geheel en details.
 
Taken:
  1. Lezen van informatieve teksten.
  2. Lezen van instructies.
  3. Lezen van betogende teksten.
 
De volgende kenmerken van de taakuitvoering zijn beschreven:
  • begrijpen;
  • interpreteren;
  • evalueren;
  • samenvatten;
  • opzoeken.
 
Voor de teksten zijn tekstkenmerken opgesteld.
 
 

NE/3F Zakelijke teksten

NE/HV Domein D: Argumentatieve vaardigheden
6. De kandidaat kan een betoog:
– analyseren;
– beoordelen;
– zelf opzetten en presenteren, schriftelijk en mondeling.

NE/Domein D: Argumentatieve vaardigheden

NE/HV Domein D: Argumentatieve vaardigheden
6. De kandidaat kan een betoog:
– analyseren;
– beoordelen;
– zelf opzetten en presenteren, schriftelijk en mondeling.

NE/Domein D: Argumentatieve vaardigheden