helphelp

Tussendoelen

Nederlands ( 2F havo vwo )

  • = CE
  • = Basis
  • = Verdiepende keuzestof
  • = SE
  • = Verbredende keuzestof
  • = SE Papieren versie CE Digitale versie [bij digitale versie mag deze eindterm ook nog op SE]
  • = CE [mag op SE]
  • = Varieert per bb/kb/gt-leerweg en varieert ook door de keuze voor papieren of digitaal examen. Zie Syllabus 2014.
  • = CE en SE
  • = K
  • = Kgv
Leesvaardigheid94 leermiddelen
SLO heeft in opdracht van het Ministerie van OCW voor de kernvakken Nederlands, Engels en wiskunde/rekenen tussendoelen ontwikkeld. Deze nog niet wettelijk vastgestelde tussendoelen worden op verzoek van het Ministerie van OCW toch alvast openbaar gemaakt om het onderwijsveld de gelegenheid te geven om het onderwijsaanbod en methodes op de tussendoelen aan te passen en hier ervaringen mee op te doen.
SubdomeinenKenmerken van de taakuitvoering2Fhavovwokerndoelen onderbouw
zakelijke tekstenOnderwerpen
teksten over alledaagse onderwerpen, onderwerpen die aansluiten bij de leefwereld van de leerling en onderwerpen die verder van de leerling afstaan.

n.v.t.n.v.t.
Kenmerken van teksten
teksten hebben een eenvoudige structuur, herkenbaar geordende informatie, lage informatiedichtheid, belangrijke informatie wordt gemarkeerd en/of herhaald, nieuwe informatie gelijkmatig geïntroduceerd, frequent gebruikte woorden.

n.v.t.n.v.t.
Taken
lezen van eenvoudige informatieve teksten, lezen van eenvoudige instructieve teksten, lezen van eenvoudige betogende teksten.

n.v.t.n.v.t.
Lezen van zakelijke teksten42 leermiddelenA 1.1 Woordenschatn.v.t.
De leerling kan
 1.1 de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context
 1.2 de betekenis van onbekende woorden afleiden uit bekende delen van het woord
 1.3 de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de grammaticale vorm (werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, enkel- of meervoud)

De leerling kan
 1.1 de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context
 1.2 de betekenis van onbekende woorden afleiden uit bekende delen van het woord
 1.3 de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de grammaticale vorm (werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, enkel- of meervoud)

VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
A 1.2 Begrijpenn.v.t.
De leerling kan
 2.1 een of meer informatie-elementen weergeven
 2.2 hoofd- en bijzaken herkennen
 2.3 tekstdelen herkennen en verbanden leggen tussen tekstdelen en tussen teksten
 2.4 de hoofdgedachte weergeven
 2.5 tekstverbanden herkennen, namelijk opsommingen, tijdvolgorde, tegenstellingen, conclusies en oorzaak-gevolg
 2.6 feiten en meningen herkennen
 2.7 standpunt en argumenten herkennen
 2.8 informatie ordenen, bijvoorbeeld op basis van signaalwoorden
 2.9 figuurlijk taalgebruik herkennen

De leerling kan
 2.1 een of meer informatie-elementen weergeven
 2.2 hoofd- en bijzaken herkennen
 2.3 tekstdelen herkennen en verbanden leggen tussen tekstdelen en tussen teksten
 2.4 de hoofdgedachte weergeven
 2.5 tekstverbanden herkennen, namelijk opsommingen, tijdvolgorde, tegenstellingen, conclusies en oorzaak-gevolg
 2.6 feiten en meningen herkennen
 2.7 standpunt en argumenten herkennen
 2.8 informatie ordenen, bijvoorbeeld op basis van signaalwoorden
 2.9 figuurlijk taalgebruik herkennen

VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
A 1.3 Interpreterenn.v.t.
De leerling kan
 3.1 informatie en meningen interpreteren
 3.2 het tekstdoel herkennen, namelijk informeren, instrueren of betogen
 3.3 de bedoeling van tekstgedeeltes verwoorden
 3.4 de bedoeling van specifieke formuleringen verwoorden
 3.5 conclusies verwoorden die expliciet in de tekst staan
 3.6 de bedoeling van de schrijver verwoorden

De leerling kan
 3.1 informatie en meningen interpreteren
 3.2 het tekstdoel herkennen, namelijk informeren, instrueren of betogen
 3.3 de bedoeling van tekstgedeeltes verwoorden
 3.4 de bedoeling van specifieke formuleringen verwoorden
 3.5 conclusies trekken naar aanleiding van de tekst
 3.6 de bedoeling van de schrijver verwoorden

VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
A 1.4 Evaluerenn.v.t.
De leerling kan
 4.1 verbanden binnen een tekst beoordelen, zoals argumenten voor en tegen, en verbanden tussen teksten beoordelen, zoals overeenkomsten en verschillen

De leerling kan
 4.1 verbanden binnen een tekst beoordelen, zoals argumenten voor en tegen, en verbanden tussen teksten beoordelen, zoals overeenkomsten en verschillen
 4.2 van een aantal eenheden in de tekst de functie benoemen, zoals argumenten voor en tegen, probleem en oplossing of voor- en nadelen

VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
A 1.5 Samenvattenn.v.t.
De leerling kan
 5.1 een tekst beknopt samenvatten
 5.2 een schematische samenvatting maken

De leerling kan
5.1 een tekst beknopt samenvatten
5.2 een schematische samenvatting maken

VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
A 1.6 Opzoekenn.v.t.
De leerling kan
6.1 systematisch informatie opzoeken (alfabetisch en met trefwoorden), in naslagwerken, op internet of in de mediatheek
6.2 schematische informatie lezen, zoals tabellen en grafieken
6.3 de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van informatiebronnen beoordelen

De leerling kan
6.1 systematisch informatie opzoeken (alfabetisch en met trefwoorden), in naslagwerken, op internet of in de mediatheek
6.2 schematische informatie lezen, zoals tabellen en grafieken
6.3 de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van informatiebronnen beoordelen

VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
Lezen van fictie81 leermiddelenA 2.1 Begrijpenn.v.t.
De leerling kan
 7.1 het genre herkennen
 7.2 structuurelementen herkennen, zoals wisselingen van tijd en plaats
 7.3 het denken, voelen en handelen van personages beschrijven
 7.4 de ontwikkeling van de hoofdpersoon beschrijven
 7.5 situaties en verwikkelingen in de tekst beschrijven
 7.6 de geschiedenis chronologisch navertellen
 7.7 figuurlijk taalgebruik herkennen, zoals metaforen
 7.8 verhalen en gedichten in eigen woorden navertellen

De leerling kan
 7.1 het genre herkennen
 7.2 structuurelementen herkennen, zoals wisselingen van tijd en plaats
 7.3 het denken, voelen en handelen van personages beschrijven
 7.4 de ontwikkeling van de hoofdpersoon beschrijven
 7.5 verbanden leggen tussen handelingen van personages en gebeurtenissen
 7.6 de geschiedenis chronologisch navertellen
 7.7 figuurlijk taalgebruik herkennen, zoals metaforen
 7.8 verhalen en gedichten in eigen woorden navertellen

VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
A 2.2 Interpreterenn.v.t.
De leerling kan
 8.1 beschrijven in welke mate de personages en gebeurtenissen herkenbaar en realistisch zijn
 8.2 het thema van de tekst benoemen
 8.4 personages typeren, zowel innerlijk als uiterlijk
 8.5 passages in de tekst typeren als spannend, humoristisch, dramatisch of realistisch

De leerling kan
 8.1 beschrijven in welke mate de personages en gebeurtenissen herkenbaar en realistisch zijn
 8.2 uitleggen hoe het thema van de tekst wordt uitgewerkt
 8.3 symboliek uitleggen
 8.4 expliciete doelen en motieven van personages benoemen
 8.5 passages in de tekst typeren als spannend, humoristisch, dramatisch of realistisch

VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
A 2.3 Interpreterenn.v.t.
De leerling kan
  9.1 de tekst evalueren met argumenten en/of voorbeelden uit de tekst

n.v.t.VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
A 2.3 Evaluerenn.v.t.n.v.t.
De leerling kan
 9.1 de tekst evalueren met argumenten en/of voorbeelden uit de tekst
 9.2 verwoorden welke emotie de tekst oproept

VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
Mondelinge taalvaardigheid73 leermiddelen
SLO heeft in opdracht van het Ministerie van OCW voor de kernvakken Nederlands, Engels en wiskunde/rekenen tussendoelen ontwikkeld. Deze nog niet wettelijk vastgestelde tussendoelen worden op verzoek van het Ministerie van OCW toch alvast openbaar gemaakt om het onderwijsveld de gelegenheid te geven om het onderwijsaanbod en methodes op de tussendoelen aan te passen en hier ervaringen mee op te doen.
SubdomeinenKenmerken van de taakuitvoering2Fhavovwokerndoelen onderbouw
GesprekkenOnderwerpen
alledaagse en niet alledaagse onderwerpen uit de leefwereld.

n.v.t.n.v.t.
Taken
deelnemen aan discussie en overleg, informatie uitwisselen.

n.v.t.n.v.t.
Kenmerken van de taakuitvoering
beurten nemen en bijdragen aan samenhang, afstemming op doel, afstemming op gesprekspartners, woordgebruik en woordenschat, vloeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersing.

n.v.t.n.v.t.
luisterenOnderwerpen
eenvoudige teksten over alledaagse, concrete onderwerpen of over onderwerpen die aansluiten bij de leefwereld of die verder van de leerling af staan.

n.v.t.n.v.t.
Kenmerken van teksten
lengte, opbouw.

n.v.t.n.v.t.
Taken
luisteren naar instructies, luisteren als lid van een live publiek, luisteren naar radio en tv en naar gesproken tekst op internet.

n.v.t.n.v.t.
Kenmerken van de taakuitvoering
begrijpen, interpreteren, evalueren, samenvatten.

n.v.t.n.v.t.
sprekenOnderwerpen
redelijk vloeiend en helder ervaringen, gebeurtenissen, meningen, verwachtingen, gevoelens onder woorden brengen over onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard.

n.v.t.n.v.t.
Taken
monoloog houden.

n.v.t.n.v.t.
Kenmerken van de taakuitvoering
samenhang, afstemming op doel, afstemming op publiek, woordgebruik en woordenschat, vloeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersing.

n.v.t.n.v.t.
Luister- en kijkvaardigheidB 2.1 Woordenschatn.v.t.
De leerling kan
15.1 de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context
15.2 de betekenis van onbekende woorden afleiden uit bekende delen van het woord
15.3 de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de grammaticale vorm (werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, enkel- of meervoud)

De leerling kan
15.1 de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context
15.2 de betekenis van onbekende woorden afleiden uit bekende delen van het woord
15.3 de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de grammaticale vorm (werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, enkel- of meervoud)

VO 01, VO 02, VO 03, VO 04, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 2.2 Begrijpenn.v.t.
De leerling kan
16.1 het onderwerp benoemen
16.2 enkele deelonderwerpen benoemen
16.3 de hoofdgedachte weergeven
16.4 hoofd- en bijzaken herkennen
16.5 verbanden herkennen, namelijk opsommingen, tijdvolgorde, tegenstellingen, conclusies en oorzaak-gevolg
16.6 feiten en meningen herkennen
16.7 standpunt en argumenten herkennen
16.8 figuurlijk taalgebruik herkennen

De leerling kan
16.1 het onderwerp benoemen
16.2 enkele deelonderwerpen benoemen
16.3 de hoofdgedachte weergeven
16.4 hoofd- en bijzaken herkennen
16.5 verbanden herkennen, namelijk opsommingen, tijdvolgorde, tegenstellingen, conclusies en oorzaak-gevolg
16.6 feiten en meningen herkennen
16.7 standpunt en argumenten herkennen
16.8 figuurlijk taalgebruik herkennen

VO 01, VO 02, VO 03, VO 04, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 2.3 Interpreterenn.v.t.
De leerling kan
17.1 informatie en meningen interpreteren
17.2 het spreekdoel herkennen, namelijk informeren, instrueren of betogen
17.3 de bedoeling van de spreker verwoorden

De leerling kan
17.1 informatie en meningen interpreteren
17.2 het spreekdoel herkennen, namelijk informeren, instrueren of betogen
17.3 de bedoeling van de spreker verwoorden

VO 01, VO 02, VO 03, VO 04, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 2.4 Evaluerenn.v.t.
De leerling kan
18.1 een oordeel over een fragment verwoorden en toelichten
18.2 de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatiebronnen beoordelen

De leerling kan
18.1 een oordeel over een fragment verwoorden en toelichten
18.2 de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatiebronnen beoordelen

VO 01, VO 02, VO 03, VO 04, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 2.5 Samenvattenn.v.t.
De leerling kan
19.1 een fragment beknopt samenvatten
19.2 een schematische samenvatting maken van de belangrijkste informatie-elementen (ook visuele)

De leerling kan
19.1 een fragment beknopt samenvatten
19.2 een schematische samenvatting maken van de belangrijkste informatie-elementen (ook visuele)

VO 01, VO 02, VO 03, VO 04, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
GespreksvaardigheidB 1.1 De beurt nemen en bijdragen aan de samenhangn.v.t.
De leerling kan
10.1 een juiste frase gebruiken om aan het woord te komen
10.2 op het juiste moment een reactie geven die aansluit

De leerling kan
10.1 een juiste frase gebruiken om aan het woord te komen
10.2 op het juiste moment een reactie geven die aansluit
10.3 samenvatten of parafraseren wat gezegd is

VO 01, VO 02, VO 03, VO 04, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 1.2 Afstemming op doeln.v.t.
De leerling kan
11.1 een gesprek voeren om informatie en meningen uit te wisselen, uitleg te geven, instructie te geven en te volgen of om iemand te overtuigen
11.2 een juiste frase gebruiken om het eigen gespreksdoel duidelijk te maken
11.4 doelgericht doorvragen om de gewenste informatie te krijgen (in ieder geval wie-, wat-, waar-, wanneer-, waarom- en hoe-vragen)

De leerling kan
11.1 een gesprek voeren om informatie en meningen uit te wisselen, uitleg te geven, instructie te geven en te volgen of om iemand te overtuigen
11.2 een juiste frase gebruiken om het eigen gespreksdoel duidelijk te maken
11.3 een juiste frase gebruiken om van gespreksdoel te veranderen
11.4 doelgericht doorvragen om de gewenste informatie te krijgen (in ieder geval wie-, wat-, waar-, wanneer-, waarom- en hoe-vragen)
11.5 open en gesloten vragen afwisselen om het doel te bereiken

VO 01, VO 02, VO 03, VO 04, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 1.3 Afstemming op de gesprekspartner(s)n.v.t.
De leerling kan
12.1 de gesprekspartner goed volgen, ook als er een onverwachte wending in het gesprek volgt
12.2 non-verbaal contact onderhouden met de gesprekspartner (door oogcontact, mimiek, handgebaren en lichaamshouding)
12.3 het spreekdoel van gesprekspartner(s) herkennen, namelijk informeren, instrueren of betogen
12.4 woordgebruik en toon op het publiek afstemmen

De leerling kan
12.1 de gesprekspartner goed volgen, ook als er een onverwachte wending in het gesprek volgt
12.2 non-verbaal contact onderhouden met de gesprekspartner (door oogcontact, mimiek, handgebaren en lichaamshouding)
12.3 het spreekdoel van gesprekspartner(s) herkennen, namelijk informeren, instrueren of betogen
12.4 woordgebruik en toon op het publiek afstemmen

VO 01, VO 02, VO 03, VO 04, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 1.4 Woordenschat en woordgebruikn.v.t.
De leerling kan
13.1 over voldoende woorden beschikken om informatie over te brengen
13.2 omschrijvingen geven van een woord als het goede woord onbekend is
13.3 in woordgebruik variëren om storende herhaling te voorkomen
13.4 figuurlijk taalgebruik hanteren, zoals uitdrukkingen

De leerling kan
13.1 over voldoende woorden beschikken om informatie over te brengen
13.2 omschrijvingen geven van een woord als het goede woord onbekend is
13.3 in woordgebruik variëren om storende herhaling te voorkomen
13.4 figuurlijk taalgebruik hanteren, zoals uitdrukkingen

VO 01, VO 02, VO 03, VO 04, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 1.5 Vloeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersingn.v.t.
De leerling kan
14.1 een verstaanbaar volume hanteren, maar niet te hard
14.2 een normaal tempo hanteren dat is afgestemd op de gesprekspartners
14.3 een afwisselende intonatie hanteren
14.4 woorden correct uitspreken
14.5 enkelvoudige en samengestelde zinnen gebruiken
14.6 opvallende fouten in de zinsbouw herstellen
14.7 vloeiend en zonder storende pauzes spreken

De leerling kan
14.1 een verstaanbaar volume hanteren, maar niet te hard
14.2 een normaal tempo hanteren dat is afgestemd op de gesprekspartners
14.3 een afwisselende intonatie hanteren
14.4 woorden correct uitspreken
14.5 enkelvoudige en samengestelde zinnen gebruiken
14.6 opvallende fouten in de zinsbouw herstellen
14.7 vloeiend en zonder storende pauzes spreken

VO 01, VO 02, VO 03, VO 04, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
SpreekvaardigheidB 3.1 Samenhangn.v.t.
De leerling kan
20.1 het onderwerp, de opbouw en structuur vooraf duidelijk maken voor het publiek
20.2 de verschillende deelonderwerpen markeren
20.3 de gedachtegang samenhangend presenteren
20.4 signaalwoorden gebruiken voor opsomming, tegenstelling, tijdvolgorde, oorzaak- gevolg en conclusie

De leerling kan
20.1 het onderwerp, de opbouw en structuur vooraf duidelijk maken voor het publiek
20.2 de verschillende deelonderwerpen markeren
20.3 de gedachtegang samenhangend presenteren
20.4 signaalwoorden gebruiken voor opsomming, tegenstelling, tijdvolgorde, oorzaak- gevolg en conclusie

VO 01, VO 02, VO 03, VO 04, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 3.2 Afstemming op doeln.v.t.
De leerling kan
21.1 een herkenbaar spreekdoel hanteren, namelijk informeren, instrueren of betogen

De leerling kan
21.1 een herkenbaar spreekdoel hanteren, namelijk informeren, instrueren of betogen

VO 01, VO 02, VO 03, VO 04, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 3.3 Afstemming op publiekn.v.t.
De leerling kan
22.1 woordgebruik en toon afstemmen op publiek
22.2 concrete voorbeelden en ervaringen met het onderwerp verwoorden
22.3 na afloop vragen beantwoorden
22.4 bij voorbereide presentaties ondersteunende materialen gebruiken, zoals voorwerpen, posters, beeld- of geluidsfragmenten

De leerling kan
22.1 woordgebruik en toon afstemmen op publiek
22.2 concrete voorbeelden en ervaringen met het onderwerp verwoorden
22.3 na afloop vragen beantwoorden
22.4 bij voorbereide presentaties ondersteunende materialen gebruiken, zoals voorwerpen, posters, beeld- of geluidsfragmenten

VO 01, VO 02, VO 03, VO 04, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 3.4 Woordenschat en woordgebruikn.v.t.
De leerling kan
23.1 over voldoende woorden beschikken om informatie over te brengen
23.2 omschrijvingen geven van een woord als het goede woord onbekend is
23.3 in woordgebruik variëren om storende herhaling te voorkomen
23.4 figuurlijk taalgebruik hanteren, zoals uitdrukkingen

De leerling kan
23.1 over voldoende woorden beschikken om informatie over te brengen
23.2 omschrijvingen geven van een woord als het goede woord onbekend is
23.3 in woordgebruik variëren om storende herhaling te voorkomen
23.4 figuurlijk taalgebruik hanteren, zoals uitdrukkingen

VO 01, VO 02, VO 03, VO 04, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 3.5 Vloeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersingn.v.t.
De leerling kan
24.1 een verstaanbaar volume hanteren, maar niet te hard
24.2 een normaal tempo hanteren dat is afgestemd op het publiek
24.3 passende en afwisselende intonatie gebruiken
24.4 woorden correct uitspreken
24.5 enkelvoudige en samengestelde zinnen gebruiken
24.6 vloeiend en zonder storende pauzes spreken
24.7 een betrokken, geïnteresseerde houding tonen
24.8 passende mimiek gebruiken om emoties uit te drukken

De leerling kan
24.1 een verstaanbaar volume hanteren, maar niet te hard
24.2 een normaal tempo hanteren dat is afgestemd op het publiek
24.3 passende en afwisselende intonatie gebruiken
24.4 woorden correct uitspreken
24.5 enkelvoudige en samengestelde zinnen gebruiken
24.6 vloeiend en zonder storende pauzes spreken
24.7 een betrokken, geïnteresseerde houding tonen
24.8 passende mimiek gebruiken om emoties uit te drukken.

VO 01, VO 02, VO 03, VO 04, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
Schrijfvaardigheid260 leermiddelen
SLO heeft in opdracht van het Ministerie van OCW voor de kernvakken Nederlands, Engels en wiskunde/rekenen tussendoelen ontwikkeld. Deze nog niet wettelijk vastgestelde tussendoelen worden op verzoek van het Ministerie van OCW toch alvast openbaar gemaakt om het onderwijsveld de gelegenheid te geven om het onderwijsaanbod en methodes op de tussendoelen aan te passen en hier ervaringen mee op te doen.
SubdomeinenKenmerken van de taakuitvoering2Fhavovwokerndoelen onderbouw
Schrijven230 leermiddelenOnderwerpen
samenhangende teksten met een eenvoudige, lineaire opbouw, over uiteenlopende vertrouwde onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard.

n.v.t.n.v.t.
Taken
correspondentie, formulieren invullen, berichten, advertenties en aantekeningen, verslagen, werkstukken, samenvattingen, artikelen, vrij schrijven.

n.v.t.n.v.t.
Kenmerken van de taakuitvoering
samenhang, afstemming op doel, afstemming op publiek, woordgebruik en woordenschat, spelling, interpunctie en grammatica, leesbaarheid.

n.v.t.n.v.t.
C 1 Samenhangn.v.t.
De leerling kan
25.1 een onderwerp en de belangrijkste deelonderwerpen beschrijven
25.2 het onderwerp in een inleiding introduceren en met een passend slot afronden
25.3 een gedachtegang presenteren
25.4 een tekst in alinea’s onderverdelen
25.5 signaalwoorden gebruiken voor opsomming, tegenstelling, tijdsvolgorde, oorzaak en gevolg, conclusies
25.6 verwijswoorden gebruiken, zoals die, dat

De leerling kan
25.1 een onderwerp en de belangrijkste deelonderwerpen beschrijven
25.2 het onderwerp in een inleiding introduceren en met een passend slot afronden
25.3 een gedachtegang presenteren
25.4 een tekst in alinea’s onderverdelen
25.5 signaalwoorden gebruiken voor opsomming, tegenstelling, tijdsvolgorde, oorzaak en gevolg, conclusies
25.6 verwijswoorden gebruiken, zoals die, dat

VO 01, VO 02, VO 05, VO 09, VO 10
C 2 Afstemming op doeln.v.t.
De leerling kan
26.1 een herkenbaar schrijfdoel hanteren, namelijk informeren, instrueren of betogen
26.2 argumenten voor en tegen weergeven
26.3 voor- en nadelen weergeven

De leerling kan
26.1 een herkenbaar schrijfdoel hanteren, namelijk informeren, instrueren of betogen
26.2 argumenten voor en tegen weergeven
26.3 voor- en nadelen weergeven

VO 01, VO 02, VO 05, VO 09, VO 10
C 3 Afstemming op publiekn.v.t.
De leerling kan
27.1 woordgebruik en toon afstemmen op publiek
27.2 een titel gebruiken
27.3 bij langere teksten tussenkopjes gebruiken
27.4 opmaakelementen gebruiken, namelijk lettertype, bladspiegel, illustraties, witregel, marge
27.5 tekstconventies hanteren, zoals voor zakelijke brief, e-mail, werkstuk, verslag, artikel

De leerling kan
27.1 woordgebruik en toon afstemmen op publiek
27.2 een titel gebruiken
27.3 bij langere teksten tussenkopjes gebruiken
27.4 opmaakelementen gebruiken, namelijk lettertype, bladspiegel, illustraties, witregel, marge
27.5 tekstconventies hanteren, zoals voor zakelijke brief, e-mail, werkstuk, verslag, artikel

VO 01, VO 02, VO 05, VO 09, VO 10
C 4 Woordgebruik en woordenschatn.v.t.
De leerling kan
28.1 over voldoende woorden beschikken om informatie over te brengen
28.2 in woordgebruik variëren om storende herhaling te voorkomen
28.3 figuurlijk taalgebruik hanteren, zoals uitdrukkingen
28.4 gebruik maken van bronteksten door citeren en parafraseren

De leerling kan
28.1 over voldoende woorden beschikken om informatie over te brengen
28.2 in woordgebruik variëren om storende herhaling te voorkomen
28.3 figuurlijk taalgebruik hanteren, zoals uitdrukkingen
28.4 gebruik maken van bronteksten door citeren en parafraseren

VO 01, VO 02, VO 05, VO 09, VO 10
C 5 Spelling, interpunctie en grammatican.v.t.
De leerling kan
29.1 correcte spelling en interpunctie hanteren bij het schrijven, maar met af en toe fouten in de volgende gevallen:   
- als 'jij' of 'je' achter de persoonsvorm staat (word jij ziek, wordt je broer ziek)
- als de persoonsvorm en het voltooid deelwoord hetzelfde klinken (gebeurt, gebeurd)
- als de tussenklanken -s- en -e(n)- niet duidelijk hoorbaar zijn in de gesproken taal (Stationsstraat, krantenbericht)
- als het de lastige gevallen van aaneenschrijving en losschrijving betreft (ten minste/tenminste, ervan uitgaan, goed praten/goedpraten, evengoed/even goed
29.2 enkelvoudige en samengestelde zinnen gebruiken

De leerling kan
29.1 correcte spelling en interpunctie hanteren bij het schrijven, maar met af en toe fouten in de volgende gevallen:
- als 'jij' of 'je' achter de persoonsvorm staat (word jij ziek, wordt je broer ziek)
- als de persoonsvorm en het voltooid deelwoord hetzelfde klinken (gebeurt, gebeurd)
- als de tussenklanken -s- en -e(n)- niet duidelijk hoorbaar zijn in de gesproken taal (Stationsstraat, krantenbericht)
- als het de lastige gevallen van aaneenschrijving en losschrijving betreft (ten minste/tenminste, ervan uitgaan, goed praten/goedpraten, evengoed/even goed
29.2 enkelvoudige en samengestelde zinnen gebruiken

VO 01, VO 02, VO 05, VO 09, VO 10
Begrippenlijst en taalverzorging
SubdomeinenKenmerken van de taakuitvoering2Fhavovwokerndoelen onderbouw
BegrippenlijstOnderwerpen
Leestekens, woordsoorten, grammaticale kennis, tekstkennis, stilistiek en semantiek, morfologie, opmaak, klanken.

n.v.t.n.v.t.
TaalverzorgingSpelling
alfabetische spelling

orthografische spelling

morfologische spelling.

n.v.t.n.v.t.
Leestekens
hoofdletters en punten

vraagtekens, uitroeptekens en aanhalingstekens

hoofdletters bij eigennaam en directe rede

komma's, dubbele punten.

n.v.t.n.v.t.
Overige regels
afbreekregels

aaneenschrijving en losschrijving.

n.v.t.n.v.t.