helphelp

Leerlijn Biologie inhouden (PO-havo/vwo), Dynamisch evenwicht

( )

kerndoelen primair onderwijskerndoelen onderbouw havo bovenbouw exameneenhedenvwo bovenbouw exameneenheden

BI/H Domein C: Zelforganisatie
Subdomein C1: Zelforganisatie van cellen
25. De kandidaat kan met behulp van de concepten genexpressie en celdifferentiatie ten minste in contexten op het gebied van energie en gezondheid benoemen op welke wijze de ontwikkeling van cellen verloopt.
Subdomein C2: Zelforganisatie van het organisme
26. De kandidaat kan met behulp van het concept levenscyclus ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van organismen verloopt en verklaren op welke wijze verstoringen van de ontwikkeling ontstaan, kunnen worden voorkomen en worden aangepakt.
Subdomein C3: Zelforganisatie van ecosystemen
27. De kandidaat kan met behulp van de concepten dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld benoemen op welke wijze ecosystemen zich kunnen ontwikkelen en beargumenteren met welke maatregelen de mens de zelforganisatie van ecosystemen beïnvloedt.

BI/H Domein B: Zelfregulatie
Subdomein B1: Eiwitsynthese
17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze bouwstoffen van de cel worden gevormd.
Subdomein B2: Stofwisseling van de cel
18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport, assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen van prokaryoten en eukaryoten verloopt.
Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme
19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese, ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de stofwisseling van organismen verloopt en benoemen op welke wijze stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden aangepakt.
Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme
20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport en voeding verklaren op welke wijze eukaryoten zichzelf reguleren.
Subdomein B5: Afweer van het organisme
21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke wijze eukaryoten zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en allergenen en welke problemen daarbij kunnen ontstaan.
Subdomein B6: Beweging van het organisme
22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit kan worden geoptimaliseerd.
Subdomein B7: Waarneming door het organisme
23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen.
Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen
24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop, dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren en kan beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden.

BI/H Domein F: Evolutie
Subdomein F1: Selectie
36. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA, mutatie, recombinatie en variatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze variatie in populaties tot stand komt.
Subdomein F2: Soortvorming
37. De kandidaat kan met behulp van de concepten populatie, variatie, selectie en soortvorming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en wereldbeeld verklaren op welke wijze nieuwe soorten kunnen ontstaan.
Subdomein F3: Biodiversiteit
38. De kandidaat kan met behulp van het concept biodiversiteit ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid benoemen op welke wijze de diversiteit van populaties en ecosystemen binnen het systeem Aarde varieert.

BI/H Domein A: Vaardigheden
Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau)
Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken
1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken.
Subdomein A2: Communiceren
2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied.
Subdomein A3: Reflecteren op leren
3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces.
Subdomein A4: Studie en beroep
4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.
 
Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau)
Subdomein A5: Onderzoeken
5. De kandidaat kan in contexten instructies voor onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.
Subdomein A6: Ontwerpen
6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren.
Subdomein A7: Modelvorming
7. De kandidaat kan in contexten een probleem analyseren, een adequaat model selecteren, en modeluitkomsten genereren en interpreteren. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.
Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium
8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen.
Subdomein A9: Waarderen en oordelen
9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.
 
Biologie - specifieke vaardigheden
Subdomein A10: Beleven
10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen.
Subdomein A11: Vorm-functie-denken
11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom.
Subdomein A12: Ecologisch denken
12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn.
Subdomein A13: Evolutionair denken
13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen.
Subdomein A14: Systeemdenken
14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen.
Subdomein A15: Contexten
15. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in beroepscontexten en in leefwereldcontexten.
Subdomein A16: Kennisontwikkeling en -toepassing
16. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast.

BI/H Domein D: Interactie
Subdomein D1: Moleculaire interactie
28. De kandidaat kan met behulp van de concepten genregulatie en interactie met(a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op welke wijze de moleculaire regulatie plaatsvindt.
Subdomein D2: Gedrag en interactie
29. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van communicatie, gezondheid en veiligheid verklaren op welke wijze gedrag van organismen en populaties ontstaat en benoemen wat de functie daarvan is.
Subdomein D3: Seksualiteit
30. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en communicatie beargumenteren op welke wijze vraagstukken met betrekking tot seksualiteit van de mens kunnen worden benaderd.
Subdomein D4: Interactie in ecosystemen
31. De kandidaat kan met behulp van de concepten voedselrelatie en interactie met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en voedselproductie benoemen welke relaties tussen populaties in ecosystemen bestaan en beargumenteren op welke wijze
vraagstukken die daar betrekking op hebben, kunnen worden benaderd.

Domein C: Zelforganisatie
Subdomein C1: Zelforganisatie van cellen
25. De kandidaat kan met behulp van de concepten genexpressie en
celdifferentiatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en
voedselproductie benoemen op welke wijze de ontwikkeling van cellen
verloopt en beargumenteren op welke wijze stoornissen in de ontwikkeling
kunnen ontstaan en worden aangepakt.
Subdomein C2: Zelforganisatie van het organisme
26. De kandidaat kan met behulp van het concept levenscyclus ten minste in
contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie benoemen op
welke wijze de ontwikkeling van organismen verloopt, verklaren op welke
wijze verstoringen van de ontwikkeling ontstaan en beargumenteren op welke
wijze deze kunnen worden voorkomen of worden aangepakt.
Subdomein C3: Zelforganisatie van ecosystemen
27. De kandidaat kan met behulp van de concepten dynamiek en evenwicht ten
minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld
benoemen op welke wijze ecosystemen zich kunnen ontwikkelen en
beargumenteren met welke maatregelen de mens de zelforganisatie van
ecosystemen en het systeem Aarde beïnvloedt.

Domein B: Zelfregulatie
Subdomein B1: Eiwitsynthese
17. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA en eiwitsynthese ten
minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie
verklaren op welke wijze zelfregulatie op moleculair niveau plaatsvindt.
Subdomein B2: Stofwisseling van de cel
18. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, transport,
assimilatie en dissimilatie ten minste in contexten op het gebied van
gezondheid en voeding verklaren op welke wijze de stofwisseling van cellen
van prokaryoten en eukaryoten verloopt.
Subdomein B3: Stofwisseling van het organisme
19. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, fotosynthese,
ademhaling, vertering, uitscheiding en transport ten minste in contexten op het
gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze de
stofwisseling van organismen verloopt en beargumenteren op welke wijze
stoornissen daarin kunnen ontstaan en op welke wijze deze kunnen worden
aangepakt.
Subdomein B4: Zelfregulatie van het organisme
20. De kandidaat kan met behulp van de concepten homeostase, hormonale
regulatie en neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van sport
en voeding verklaren op welke wijze zelfregulatie bij eukaryoten verloopt en
beargumenteren op welke wijze daarin stoornissen kunnen ontstaan en op
welke wijze deze kunnen worden aangepakt.
Subdomein B5: Afweer van het organisme
21. De kandidaat kan met behulp van het concept afweer ten minste in contexten
op het gebied van gezondheidszorg en voedselproductie benoemen op welke
wijze organismen zich te weer stellen tegen andere organismen, virussen en
allergenen en beargumenteren welke problemen daarbij kunnen optreden en
op welke wijze deze kunnen worden aangepakt.
Subdomein B6: Beweging van het organisme
22. De kandidaat kan met behulp van de concepten beweging, neurale regulatie
en waarneming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en
sport verklaren op welke wijze mens en dier bewegen en op welke wijze dit
kan worden geoptimaliseerd.
Subdomein B7: Waarneming door het organisme
23. De kandidaat kan met behulp van de concepten orgaan, waarneming en
neurale regulatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en
sport verklaren op welke wijze organismen waarnemen.
Subdomein B8: Regulatie van ecosystemen
24. De kandidaat kan met behulp van de concepten energiestroom, kringloop,
dynamiek en evenwicht ten minste in contexten op het gebied van
duurzaamheid verklaren op welke wijze ecosystemen zichzelf reguleren; de
kandidaat kan beargumenteren welke effecten op kunnen treden als
zelfregulatie van ecosystemen en het systeem Aarde wordt verstoord, en kan
beargumenteren met welke maatregelen de mens zelfregulatie van
ecosystemen en het systeem Aarde kan beïnvloeden.

BI/V Domein F: Evolutie
Subdomein F1: Selectie
36. De kandidaat kan met behulp van de concepten DNA, mutatie, genetische variatie, recombinatie en populatie ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en voedselproductie verklaren op welke wijze variatie in populaties tot stand komt.
Subdomein F2: Soortvorming
37. De kandidaat kan met behulp van de concepten populatie, variatie, selectie en soortvorming ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en wereldbeeld verklaren op welke wijze nieuwe soorten kunnen ontstaan.
Subdomein F3: Biodiversiteit
38. De kandidaat kan met behulp van het concept biodiversiteit ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en wereldbeeld veranderingen in diversiteit van populaties en ecosystemen binnen het systeem Aarde verklaren en beargumenteren op welke wijze deze veranderingen beïnvloed worden.
Subdomein F4: Ontstaan van het leven
39. De kandidaat kan met behulp van het concept ontstaan van het leven ten minste in contexten op het gebied van wereldbeeld benoemen met behulp van welke theorie het voorkomen van leven op Aarde wordt verklaard.

BI/V Domein A: Vaardigheden
Algemene vaardigheden (profieloverstijgend niveau)
Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken
1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken.
Subdomein A2: Communiceren
2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied.
Subdomein A3: Reflecteren op leren
3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces.
Subdomein A4: Studie en beroep
4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze natuurwetenschappelijke kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.
 
Natuurwetenschappelijke, wiskundige en technische vaardigheden (bètaprofielniveau)
Subdomein A5: Onderzoeken
5. De kandidaat kan in contexten vraagstellingen analyseren, gebruikmakend van relevante begrippen en theorie, vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.
Subdomein A6: Ontwerpen
6. De kandidaat kan in contexten op basis van een gesteld probleem een technisch ontwerp voorbereiden, uitvoeren, testen en evalueren en daarbij relevante begrippen, theorie en vaardigheden en valide en consistente redeneringen hanteren.
Subdomein A7: Modelvorming
7. De kandidaat kan in contexten een relevant probleem analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een model, modeluitkomsten genereren en interpreteren, en het model toetsen en beoordelen. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.
Subdomein A8: Natuurwetenschappelijk instrumentarium
8. De kandidaat kan in contexten een voor de natuurwetenschappen relevant instrumentarium hanteren, waar nodig met aandacht voor risico’s en veiligheid; daarbij gaat het om instrumenten voor dataverzameling en -bewerking, vaktaal, vakconventies, symbolen, formuletaal en rekenkundige bewerkingen.
Subdomein A9: Waarderen en oordelen
9. De kandidaat kan in contexten een beargumenteerd oordeel geven over een situatie in de natuur of een technische toepassing, en daarin onderscheid maken tussen wetenschappelijke argumenten, normatieve maatschappelijke overwegingen en persoonlijke opvattingen.
 
Biologie - specifieke vaardigheden
Subdomein A10: Beleven
10. De kandidaat kan in contexten gevoelens en betekenissen expliciteren die worden opgeroepen door het omgaan met de natuur of in de natuur voorkomende objecten en daarbij aandacht schenken aan de gevoelens en betekenissen van anderen.
Subdomein A11: Vorm-functie-denken
11. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarbij van biologische objecten op verschillende organisatieniveaus vanuit een gegeven vorm naar een bijbehorende functie wordt gezocht en andersom.
Subdomein A12: Ecologisch denken
12. De kandidaat kan in contexten op het gebied van duurzaamheid redeneringen hanteren waarbij uitgewerkt wordt wat de gevolgen van interne of externe veranderingen in een levensgemeenschap of ecosysteem zijn.
Subdomein A13: Evolutionair denken
13. De kandidaat kan in contexten redeneringen hanteren waarmee biologische verschijnselen op verschillende organisatieniveaus verklaard worden met behulp van theorie over evolutiemechanismen.
Subdomein A14: Systeemdenken
14. De kandidaat kan in contexten een onderscheid maken tussen verschillende organisatieniveaus, relaties binnen en tussen organisatieniveaus uitwerken en uiteenzetten hoe biologische eenheden op verschillende organisatieniveaus zichzelf in stand houden en ontwikkelen.
Subdomein A15: Kennisontwikkeling en -toepassing
15. De kandidaat kan in contexten analyseren op welke wijze natuurwetenschappelijke en technologische kennis wordt ontwikkeld en toegepast.
Subdomein A16: Contexten
16. De kandidaat kan de in domein A genoemde vaardigheden en de in domeinen B tot en met F genoemde concepten ten minste gebruiken in wetenschappelijke contexten, in beroepscontexten waarvoor een wetenschappelijke opleiding is vereist en in leefwereldcontexten.

Domein D: Interactie
Subdomein D1: Moleculaire interactie
28. De kandidaat kan met behulp van de concepten genregulatie en interactie met
(a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en
voedselproductie verklaren op welke wijze de moleculaire regulatie
plaatsvindt.
Subdomein D2: Cellulaire interactie
29. De kandidaat kan met behulp van de concepten celcommunicatie en interactie
met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van
gezondheid de wijze waarop cellulaire interactie verloopt benoemen.
Subdomein D3: Gedrag en interactie
30. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met
(a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van communicatie,
gezondheid en veiligheid verklaren op welke wijze gedrag van organismen en
populaties ontstaat, benoemen wat de functie van het gedrag is en benoemen
op welke wijze het zich ontwikkelt.
Subdomein D4: Seksualiteit
31. De kandidaat kan met behulp van de concepten gedrag en interactie met
(a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van gezondheid en
communicatie beargumenteren op welke wijze vraagstukken met betrekking
tot seksualiteit van de mens kunnen worden benaderd.
Subdomein D5: Interactie in ecosystemen
32. De kandidaat kan met behulp van de concepten voedselrelatie en interactie
met (a)biotische factoren ten minste in contexten op het gebied van duurzaamheid en voedselproductie benoemen welke relaties tussen
populaties en ecosystemen bestaan en beargumenteren op welke wijze
vraagstukken die daar betrekking op hebben, kunnen worden benaderd.