helphelp

Einddoelen

Wiskunde ( bb kb gl/tl )

  • = CE
  • = Basis
  • = Verdiepende keuzestof
  • = SE
  • = Verbredende keuzestof
  • = SE Papieren versie CE Digitale versie [bij digitale versie mag deze eindterm ook nog op SE]
  • = CE [mag op SE]
  • = Varieert per bb/kb/gt-leerweg en varieert ook door de keuze voor papieren of digitaal examen. Zie Syllabus 2014.
  • = CE en SE
  • = K
  • = Kgv
Inzicht en handelen
VaksubkernenInhoudenbbkbgl/tlexameneenheden
Vaktaal wiskundeWiskundetaal
3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel

3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel

3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel

WI/K/3
Representeren van gegevens uit een situatie
3.1 Relevante gegevens uit een situatie weergeven in een geschikte wiskundige representatie (model)

3.1 Relevante gegevens uit een situatie weergeven in een geschikte wiskundige representatie (model)

3.1 Relevante gegevens uit een situatie weergeven in een geschikte wiskundige representatie (model)

WI/K/3
Herkennen en gebruiken van wiskundeProbleem vertalen naar wiskunde
8.1 Problemen in alledaagse situaties analyseren

8.2 Problemen in alledaagse situaties vertalen naar wiskundige problemen

8.1 Problemen in alledaagse situaties analyseren

8.2 Problemen in alledaagse situaties vertalen naar wiskundige problemen

8.1 Problemen in alledaagse situaties analyseren

8.2 Problemen in alledaagse situaties vertalen naar wiskundige problemen

8.3 Wiskundige problemen die voortgekomen zijn uit alledaagse situaties oplossen

WI/V/2
Wiskunde herkennen en toepassen
3.2 Wiskundige informatie identificeren, beoordelen en gebruiken om een probleem op te lossen

3.2 Wiskundige informatie identificeren, beoordelen en gebruiken om een probleem op te lossen

3.2 Wiskundige informatie identificeren, beoordelen en gebruiken om een probleem op te lossen

WI/K/3
Uitkomst terugvertalen naar situatie
3.5 Cijfermatige uitkomsten kritisch beoordelen

3.5 Cijfermatige uitkomsten kritisch beoordelen

3.5 Cijfermatige uitkomsten kritisch beoordelen

8.4 Een uitkomst terugvertalen naar de situatIe

WI/V/2
Conclusies trekken
3.6 Op basis van verwerkte informatie verwachtingen uitspreken en conclusies trekken

8.5 Conclusies trekken die relevant zijn voor de bewuste probleemsituatie

3.6 Op basis van verwerkte informatie verwachtingen uitspreken en conclusies trekken

8.5 Conclusies trekken die relevant zijn voor de bewuste probleemsituatie

3.6 Op basis van verwerkte informatie verwachtingen uitspreken en conclusies trekken

8.5 Conclusies trekken die relevant zijn voor de bewuste probleemsituatie

WI/K/8
Wiskundig redenerenReflecteren
3.8 Situaties waarin wiskundige presentaties, redeneringen of berekeningen voorkomen kritisch beschouwen en beoordelen

3.8 Situaties waarin wiskundige presentaties, redeneringen of berekeningen voorkomen kritisch beschouwen en beoordelen

3.8 Situaties waarin wiskundige presentaties, redeneringen of berekeningen voorkomen kritisch beschouwen en beoordelen

WI/K/3
Onderzoeks- en redeneerstrategieën
3.3 Zich bedienen van adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën

3.3 Zich bedienen van adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën

3.3 Zich bedienen van adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën

WI/K/3
Getallen
VaksubkernenInhoudenbbkbgl/tlexameneenheden
Getallen, getalsystemen en -relatiesVaktaal voor getallen
wortel, kwadraat, macht, breuk, teller, noemer, deelstreep, positief, negatief, decimaal, grondtal, exponent
3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
wortel, kwadraat, macht, breuk, teller, noemer, deelstreep, positief, negatief, decimaal, grondtal, exponent

3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
wortel, kwadraat, macht, breuk, teller, noemer, deelstreep, positief, negatief, decimaal, grondtal, exponent

3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
wortel, kwadraat, macht, breuk, teller, noemer, deelstreep, positief, negatief, decimaal, grondtal, exponent

WI/K/3
Relaties tussen getallen
5.2 Een rekenmachine gebruiken: met een rekenmachine breuken, procenten, machten en wortels berekenen of benaderen als eindige decimale getallen

5.2 Een rekenmachine gebruiken: met een rekenmachine breuken, procenten, machten en wortels berekenen of benaderen als eindige decimale getallen

5.2 Een rekenmachine gebruiken: met een rekenmachine breuken, procenten, machten en wortels berekenen of benaderen als eindige decimale getallen

WI/K/5
Negatieve getallen
negatieve getallen
5.4 Basistechnieken gebruiken: in betekenisvolle situaties negatieve getallen ordenen, optellen en aftrekken
negatieve getallen

5.4 Basistechnieken gebruiken: in betekenisvolle situaties negatieve getallen ordenen, optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen
negatieve getallen

5.4 Basistechnieken gebruiken: negatieve getallen ordenen, optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen
negatieve getallen

WI/K/5
Grote getallen
miljoen, miljard
5.1 Handig rekenen in alledaagse situaties: bij het rekenen en vermelden van resultaten gebruik maken van gangbare begrippen en voorvoegsels zoals miljoen, miljard
miljoen, miljard

5.1 Handig rekenen in alledaagse situaties: bij het rekenen en vermelden van resultaten gebruik maken van gangbare begrippen en voorvoegsels zoals miljoen, miljard
miljoen, miljard

5.1 Handig rekenen in alledaagse situaties: bij het rekenen en vermelden van resultaten gebruik maken van gangbare begrippen en voorvoegsels zoals miljoen, miljard
miljoen, miljard

WI/K/5
Rekenen met getallenBerekenen en afronden
afronden
5.1 Handig rekenen in alledaagse situaties: het resultaat van een berekening afronden in overeenstemming met de gegeven situatie
afronden

5.1 Handig rekenen in alledaagse situaties: het resultaat van een berekening afronden in overeenstemming met de gegeven situatie
afronden

5.1 Handig rekenen in alledaagse situaties: het resultaat van een berekening afronden in overeenstemming met de gegeven situatie
afronden

WI/K/5
Berekenen en schatten
schatten
5.3 Meten en schatten: vooraf uitkomsten schatten van berekeningen en meetresultaten
schatten

5.3 Meten en schatten: vooraf uitkomsten schatten van berekeningen en meetresultaten en uitspraken doen over de orde van grootte en de nauwkeurigheid
schatten

5.3 Meten en schatten: vooraf uitkomsten schatten van berekeningen en meetresultaten en uitspraken doen over de orde van grootte en de nauwkeurigheid
schatten

WI/K/5
Berekenen en de rekenmachine
verschil – en (-)
5.2 Een rekenmachine gebruiken: met een rekenmachine optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen
verschil – en (-)

5.2 Een rekenmachine gebruiken: met een rekenmachine optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen en gebruik maken van de functietoetsen voor omgekeerde, kwadraat, wortel, yx en van de +/- toets
verschil – en (-)

5.2 Een rekenmachine gebruiken: met een rekenmachine optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen en gebruik maken van de functietoetsen voor omgekeerde, kwadraat, wortel,  yx , INV-yx en van de +/- toets
verschil – en (-)

WI/K/5
Substitueren
4.5 Rekenen met woordformules: in een woordformule de invoervariabele vervangen door een getal en de waarde van de uitvoervariabele berekenen

4.5 Rekenen met (woord)formules: in een (woord)formule een variabele vervangen door een getal en de waarde van de andere variabele berekenen

4.5 Rekenen met formules: in een woordformule een variabele vervangen door een getal en de waarde van de andere variabele berekenen

WI/K/4/GL/TL
Efficiënt rekenen
3.5 Efficiënt rekenen

3.5 Efficiënt rekenen

3.5 Efficiënt rekenen

WI/K/3
Rekenmodel kiezen
3.4 Bij berekeningen een bij de situatie passend rekenmodel kiezen, zoals een verhoudingstabel

3.4 Bij berekeningen een bij de situatie passend rekenmodel kiezen, zoals een verhoudingstabel

3.4 Bij berekeningen een bij de situatie passend rekenmodel kiezen, zoals een verhoudingstabel

WI/K/3
Rekenen met breuken
samengestelde breuk
5.4 Basistechnieken gebruiken: in betekenisvolle situaties gelijknamige breuken optellen en aftrekken, in betekenisvolle situaties eenvoudige breuken vermenigvuldigen met een geheel getal

5.4 Basistechnieken gebruiken: in betekenisvolle situaties gelijknamige breuken optellen en aftrekken, in betekenisvolle situaties eenvoudige en samengestelde breuken vermenigvuldigen met een geheel getal
samengestelde breuk

5.4 Basistechnieken gebruiken: in betekenisvolle situaties gelijknamige breuken optellen en aftrekken; eenvoudige breuken vermenigvuldigen en delen en in betekenisvolle situaties eenvoudige en samengestelde breuken vermenigvuldigen met een geheel getal
samengestelde breuk

WI/K/5
Rekenen met negatieve getallen
negatieve getallen
5.4 Basistechnieken gebruiken: in betekenisvolle situaties negatieve getallen ordenen, optellen en aftrekken
negatieve getallen

5.4 Basistechnieken gebruiken: in betekenisvolle situaties negatieve getallen ordenen, optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen
negatieve getallen

5.4 Basistechnieken gebruiken: negatieve getallen ordenen, optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen
negatieve getallen

WI/K/5
De wetenschappelijke notatie
wetenschappelijke notatie
n.v.t.
5.4 Basistechnieken gebruiken: bij het berekenen en bij het vermelden van resultaten gebruik maken van de wetenschappelijke notatie
wetenschappelijke notatie

5.4 Basistechnieken gebruiken: bij het berekenen en bij het vermelden van resultaten gebruik maken van de wetenschappelijke notatie
wetenschappelijke notatie

5.2 Een rekenmachine gebruiken: wetenschappelijke notatie kennen en gebruiken bij vermenigvuldigen met en delen door machten van 10
wetenschappelijke notatie

WI/V/1
Voorrangsregels voor bewerkingen
haakjes, som, product, quotiënt, verschil
n.v.t.n.v.t.
5.4 Basistechnieken gebruiken: hoofdbewerkingen in de afgesproken volgorde toepassen
haakjes, som, product, quotiënt, verschil

WI/K/5
Verhoudingen
VaksubkernenInhoudenbbkbgl/tlexameneenheden
VerhoudingenVaktaal verhoudingen
per, deel van, op de, van de, staat tot, procent, percentage, in verhouding
3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
per, deel van, op de, van de, staat tot, procent, percentage, in verhouding

3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
per, deel van, op de, van de, staat tot, procent, percentage, in verhouding

3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
per, deel van, op de, van de, staat tot, procent, percentage, in verhouding

WI/K/3
Toepassing verhoudingen
vergrotingsfactor, (verhoudings)factor, verhoudingstabel
5.4 Basistechnieken gebruiken: verhoudingen vergelijken
vergrotingsfactor, (verhoudings)factor, verhoudingstabel

5.4 Basistechnieken gebruiken: een verhouding omzetten in een breuk, decimaal getal of percentage
vergrotingsfactor, (verhoudings)factor, verhoudingstabel

5.4 Basistechnieken gebruiken: verhoudingen vergelijken
vergrotingsfactor, (verhoudings)factor, verhoudingstabel

5.4 Basistechnieken gebruiken: een verhouding omzetten in een breuk, decimaal getal of percentage
vergrotingsfactor, (verhoudings)factor, verhoudingstabel

5.4 Basistechnieken gebruiken: verhoudingen vergelijken
vergrotingsfactor, (verhoudings)factor, verhoudingstabel

5.4 Basistechnieken gebruiken: een verhouding omzetten in een breuk, decimaal getal of percentage
vergrotingsfactor, (verhoudings)factor, verhoudingstabel

WI/K/5
Rekenen met samengestelde grootheden
5.1 Handig rekenen in alledaagse situaties: bij het oplossen van problemen, enkelvoudige en eenvoudig samengestelde grootheden herkennen en gebruiken, in elk geval grootheden die te maken hebben met lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht, tijd, temperatuur, geld en snelheid

5.1 Handig rekenen in alledaagse situaties: bij het oplossen van problemen, enkelvoudige en eenvoudig samengestelde grootheden herkennen en gebruiken, in elk geval grootheden die te maken hebben met lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht, tijd, temperatuur, geld en snelheid

5.1 Handig rekenen in alledaagse situaties: bij het oplossen van problemen, enkelvoudige en eenvoudig samengestelde grootheden herkennen en gebruiken, in elk geval grootheden die te maken hebben met lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht, tijd, temperatuur, geld en snelheid

WI/K/5
Rekenen met percentages en factoren
groeifactor
n.v.t.n.v.t.
4.1 Exponentiële verbanden herkennen en gebruiken: een rente op rente berekening maken
(vermenigvuldigings)factor

5.2 Een rekenmachine gebruiken: berekeningen met een groeifactor of –percentage uitvoeren
groeifactor

WI/V/1
Meten en meetkunde
VaksubkernenInhoudenbbkbgl/tlexameneenheden
Meten met matenReferentiematen
5.3 Meten en schatten:  gangbare maten en referentiematen hanteren

5.3 Meten en schatten:  gangbare maten en referentiematen hanteren

5.3 Meten en schatten:  gangbare maten en referentiematen hanteren

WI/K/5
Meetinstrumenten
5.3 Meten en schatten: schalen aflezen

5.3 Meten en schatten: schalen aflezen

5.3 Meten en schatten: schalen aflezen

WI/K/5
Maten schatten
5.1 Handig rekenen in alledaagse situaties: schattingen maken over afmetingen en hoeveelheden

5.1 Handig rekenen in alledaagse situaties: schattingen maken over afmetingen en hoeveelheden

5.1 Handig rekenen in alledaagse situaties: schattingen maken over afmetingen en hoeveelheden

WI/K/5
Rekenen in de meetkundeVaktaal meetkunde
rechte hoek, stompe hoek, scherpe hoek, gestrekte hoek, graden,  ∟, (┐),⁰, volle hoek, hoekpunt, been van een hoek
3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
rechte hoek, stompe hoek, scherpe hoek, gestrekte hoek, graden,  ∟, (┐),⁰, volle hoek, hoekpunt, been van een hoek

3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
rechte hoek, stompe hoek, scherpe hoek, gestrekte hoek, graden,  ∟, (┐),⁰, volle hoek, hoekpunt, been van een hoek

3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
rechte hoek, stompe hoek, scherpe hoek, gestrekte hoek, graden,  ∟, (┐),⁰, volle hoek, hoekpunt, been van een hoek

WI/K/3
Maateenheden gebruiken
milli-, centi-, kilo
5.1 Handig rekenen in alledaagse situaties: rekenen met gangbare maten voor lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht, tijd, temperatuur, geld en snelheid

5.1 Handig rekenen in alledaagse situaties: bij het rekenen en vermelden van resultaten gebruik maken van gangbare begrippen en voorvoegsels zoals milli-, centi-, kilo-
milli-, centi-, kilo

5.1 Handig rekenen in alledaagse situaties: rekenen met gangbare maten voor lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht, tijd, temperatuur, geld en snelheid

5.1 Handig rekenen in alledaagse situaties: bij het rekenen en vermelden van resultaten gebruik maken van gangbare begrippen en voorvoegsels zoals milli-, centi-, kilo-
milli-, centi-, kilo

5.1 Handig rekenen in alledaagse situaties: rekenen met gangbare maten voor lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht, tijd, temperatuur, geld en snelheid

5.1 Handig rekenen in alledaagse situaties: bij het rekenen en vermelden van resultaten gebruik maken van gangbare begrippen en voorvoegsels zoals milli-, centi-, kilo-
milli-, centi-, kilo

WI/K/5
Lengte, oppervlakte en inhoud van figuren
stelling van Pythagoras
6.2 Schatten, meten en berekenen: schattingen en metingen doen van lengten en oppervlakten, inhouden van objecten in de ruimte

6.2 Schatten, meten en berekenen: lengten in vlakke en ruimtelijke figuren berekenen met behulp van schaal
afstand

6.2 Schatten, meten en berekenen: omtrek berekenen van driehoek, rechthoek en figuren die daaruit samengesteld zijn, zoals een parallellogram, omtrek van een cirkel berekenen met behulp van gegeven woordformules
omtrek

6.2 Schatten, meten en berekenen: oppervlakte berekenen van driehoek, rechthoek en figuren die daaruit samengesteld zijn, zoals een parallellogram, oppervlakte van een cirkel berekenen met behulp van gegeven woordformules
oppervlakte, parallellogram

6.2 Schatten, meten en berekenen: inhoud van kubus en balk berekenen en inhoud van ruimtelijke figuren berekenen met behulp van gegeven simpele woordformules
inhoud

6.2 Schatten, meten en berekenen: schattingen en metingen doen van lengten en oppervlakten, inhouden van objecten in de ruimte

6.2 Schatten, meten en berekenen: lengten in vlakke en ruimtelijke figuren berekenen met behulp van schaal
afstand

6.2 Schatten, meten en berekenen: omtrek berekenen van driehoek, rechthoek en figuren die daaruit samengesteld zijn, zoals een parallellogram, omtrek van een cirkel berekenen met behulp van gegeven (woord)formules
omtrek

6.2 Schatten, meten en berekenen: oppervlakte berekenen van driehoek, rechthoek en figuren die daaruit samengesteld zijn, zoals een parallellogram, oppervlakte van een cirkel berekenen met behulp van gegeven (woord)formules
oppervlakte, parallellogram

6.2 Schatten, meten en berekenen: inhoud van kubus en balk berekenen en inhoud van prisma, kegel, piramide, bol en cilinder berekenen met behulp van gegeven (woord)formules
inhoud

6.3 Redeneren en tekenen: bij redeneren, tekenen en berekenen van hoeken, afstanden en patronen, gebruik maken de stelling van Pythagoras
stelling van Pythagoras

6.2 Schatten, meten en berekenen: schattingen en metingen doen van lengten en oppervlakten, inhouden van objecten in de ruimte

6.2 Schatten, meten en berekenen: de grootte van afstanden in 2- en 3-dimensionale figuren berekenen
afstand

6.2 Schatten, meten en berekenen: omtrek berekenen van driehoek, rechthoek en figuren die daaruit samengesteld zijn, zoals een parallellogram, omtrek van een cirkel berekenen met behulp van gegeven formules
omtrek

6.2 Schatten, meten en berekenen: oppervlakte berekenen van driehoek, rechthoek en figuren die daaruit samengesteld zijn, zoals een parallellogram, oppervlakte van een cirkel berekenen met behulp van gegeven formules
oppervlakte, parallellogram

6.2 Schatten, meten en berekenen: inhoud van kubus en balk berekenen en inhoud van prisma, kegel, piramide, bol en cilinder berekenen met behulp van gegeven formules
inhoud

6.3 Redeneren en tekenen: bij redeneren, tekenen en berekenen van hoeken, afstanden en patronen, gebruik maken van de stelling van Pythagoras
stelling van Pythagoras

WI/K/6/KB/GL/TL
Hoeken berekenen
goniometrische verhoudingen, sinus, cosinus, tangens, hellingshoek
6.2 Schatten, meten en berekenen: schattingen en metingen doen van hoeken van objecten in de ruimte

6.3 Redeneren en tekenen: bij redeneren, tekenen en berekenen van hoeken, afstanden en patronen gebruik maken van eigenschappen van hoeken
F-hoeken, Z-hoeken

6.2 Schatten, meten en berekenen: schattingen en metingen doen van hoeken van objecten in de ruimte

6.3 Redeneren en tekenen: bij redeneren, tekenen en berekenen van hoeken, afstanden en patronen, gebruik maken van eigenschappen van hoeken
F-hoeken, Z-hoeken, overstaande hoeken

6.3 Redeneren en tekenen: bij redeneren, tekenen en berekenen van hoeken, afstanden en patronen, gebruik maken goniometrische verhoudingen sinus, cosinus en tangens in rechthoekige driehoeken
goniometrische verhoudingen, sinus, cosinus, tangens, hellingshoek

6.2 Schatten, meten en berekenen: schattingen en metingen doen van hoeken van objecten in de ruimte en de grootte van hoeken in 2- en 3-dimensionale figuren berekenen

6.3 Redeneren en tekenen: bij redeneren, tekenen en berekenen van hoeken, afstanden en patronen, gebruik maken van eigenschappen van hoeken
F-hoeken, Z-hoeken, overstaande hoeken

6.3 Redeneren en tekenen: bij redeneren, tekenen en berekenen van hoeken, afstanden en patronen, gebruik maken van goniometrische verhoudingen sinus, cosinus en tangens
goniometrische verhoudingen, sinus, cosinus, tangens, hellingshoek

WI/K/6/KB/GL/TL
Vormen en figurenFiguren en situaties analyseren
lijnsymmetrie, draaisymmetrie
6.1 Voorstellingen van objecten en van hun plaats in de ruimte of het platte vlak maken en interpreteren: vlakke tekeningen van ruimtelijke situaties interpreteren en bewerken, zoals foto’s, plattegronden, patroontekeningen, landkaarten, bouwtekeningen. Daarbij kan de kandidaat onder andere gebruik maken van kijklijnen, aanzichten, uitslagen, doorsneden, projecties, plattegronden
kijklijn, aanzicht, uitslag, doorsnede, plattegrond

6.1 Voorstellingen van objecten en van hun plaats in de ruimte of het platte vlak maken en interpreteren: situaties beschrijven met coördinaten (alleen in het platte vlak)
coördinaat

6.1 Voorstellingen van objecten en van hun plaats in de ruimte of het platte vlak maken en interpreteren: situaties beschrijven met met behulp van richting of hoek en afstand
koershoek

6.1 Voorstellingen van objecten en van hun plaats in de ruimte of het platte vlak maken en interpreteren: conclusies trekken over de bijbehorende objecten en hun plaats in de ruimte

6.3 Redeneren en tekenen: bij redeneren, tekenen en berekenen van hoeken, afstanden en patronen gebruik maken van lijnsymmetrie
lijnsymmetrie

6.1 Voorstellingen van objecten en van hun plaats in de ruimte of het platte vlak maken en interpreteren: vlakke tekeningen van ruimtelijke situaties interpreteren en bewerken, zoals foto’s, plattegronden, patroontekeningen, landkaarten, bouwtekeningen. Daarbij kan de kandidaat onder andere gebruik maken van kijklijnen, aanzichten, uitslagen, doorsneden, projecties, plattegronden
kijklijn, aanzicht, uitslag, doorsnede, plattegrond

6.1 Voorstellingen van objecten en van hun plaats in de ruimte of het platte vlak maken en interpreteren: situaties beschrijven met coördinaten, zowel in het platte vlak als in de ruimte
coördinaat

6.1 Voorstellingen van objecten en van hun plaats in de ruimte of het platte vlak maken en interpreteren: situaties beschrijven met behulp van richting of hoek en afstand
koershoek

6.1 Voorstellingen van objecten en van hun plaats in de ruimte of het platte vlak maken en interpreteren: conclusies trekken over de bijbehorende objecten en hun plaats in de ruimte

6.3 Redeneren en tekenen: bij redeneren, tekenen en berekenen van hoeken, afstanden en patronen, gebruik maken van lijn- en/of draaisymmetrie
lijnsymmetrie, draaisymmetrie

6.1 Voorstellingen van objecten en van hun plaats in de ruimte of het platte vlak maken en interpreteren: vlakke tekeningen van ruimtelijke situaties interpreteren en bewerken, zoals foto’s, plattegronden, patroontekeningen, landkaarten, bouwtekeningen. Daarbij kan de kandidaat onder andere gebruik maken van kijklijnen, aanzichten, uitslagen, doorsneden, projecties, plattegronden
kijklijn, aanzicht, uitslag, doorsnede, plattegrond

6.1 Voorstellingen van objecten en van hun plaats in de ruimte of het platte vlak maken en interpreteren: situaties beschrijven met coördinaten, zowel in het platte vlak als in de ruimte
coördinaat

6.1 Voorstellingen van objecten en van hun plaats in de ruimte of het platte vlak maken en interpreteren: situaties beschrijven met met behulp van richting of hoek en afstand
koershoek

6.1 Voorstellingen van objecten en van hun plaats in de ruimte of het platte vlak maken en interpreteren: conclusies trekken over de bijbehorende objecten en hun plaats in de ruimte

6.3 Redeneren en tekenen: bij redeneren, tekenen en berekenen van hoeken, afstanden en patronen, gebruik maken van lijn- en/of draaisymmetrie
lijnsymmetrie, draaisymmetrie

WI/K/6/KB/GL/TL
Figuren tekenen en beschrijven
driehoek, parallellogram, vierkant, rechthoek, ruit, cirkel, kubus, balk, prisma, piramide, cilinder, kegel, bol
6.1 Voorstellingen van objecten en van hun plaats in de ruimte of het platte vlak maken en interpreteren: situaties beschrijven  met woorden en door middel van figuren waaronder driehoek, parallellogram, vierkant, rechthoek, ruit, cirkel, kubus, balk, prisma, piramide, cilinder, kegel en bol
driehoek, parallellogram, vierkant, rechthoek, ruit, cirkel, kubus, balk, prisma, piramide, cilinder, kegel, bol

6.1 Voorstellingen van objecten en van hun plaats in de ruimte of het platte vlak maken en interpreteren: situaties beschrijven  met woorden en door middel van figuren waaronder driehoek, parallellogram, vierkant, rechthoek, ruit, cirkel, kubus, balk, prisma, piramide, cilinder, kegel en bol
driehoek, parallellogram, vierkant, rechthoek, ruit, cirkel, kubus, balk, prisma, piramide, cilinder, kegel, bol

6.1 Voorstellingen van objecten en van hun plaats in de ruimte of het platte vlak maken en interpreteren: situaties beschrijven  met woorden en door middel van figuren waaronder driehoek, parallellogram, vierkant, rechthoek, ruit, cirkel, kubus, balk, prisma, piramide, cilinder, kegel en bol
driehoek, parallellogram, vierkant, rechthoek, ruit, cirkel, kubus, balk, prisma, piramide, cilinder, kegel, bol

WI/K/6/KB/GL/TL
Vaktaal meetkunde
straal, middelpunt, diameter, middellijn , gelijkbenig, gelijkzijdig, rechthoekig, hoogtelijn, uitslag, zijvlak, ribbe, hoekpunt, loodrecht, evenwijdig, // en ∆, symmetrieas
3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
straal, middelpunt, diameter, gelijkbenig, gelijkzijdig, rechthoekig, uitslag, zijvlak, ribbe, hoekpunt, loodrecht, evenwijdig, // en ∆, symmetrieas

3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
straal, middelpunt, diameter, middellijn , gelijkbenig, gelijkzijdig, rechthoekig, uitslag, zijvlak, ribbe, hoekpunt, loodrecht, evenwijdig, // en ∆, symmetrieas

3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
straal, middelpunt, diameter, middellijn , gelijkbenig, gelijkzijdig, rechthoekig, hoogtelijn, uitslag, zijvlak, ribbe, hoekpunt, loodrecht, evenwijdig, // en ∆, symmetrieas

WI/K/3
Tekeningen maken en beschrijven
6.3 Redeneren en tekenen: gebruik maken van instrumenten en apparaten, in het bijzonder: liniaal, gradenboog, rechthoekige driehoek, passer, zelfgemaakt gereedschap, rekenmachine en computer

6.3 Redeneren en tekenen: gebruik maken van instrumenten en apparaten, in het bijzonder: liniaal, gradenboog, rechthoekige driehoek, passer, zelfgemaakt gereedschap, rekenmachine en computer

6.3 Redeneren en tekenen: gebruik maken van instrumenten en apparaten, in het bijzonder: liniaal, gradenboog, rechthoekige driehoek, passer, zelfgemaakt gereedschap, rekenmachine en computer

WI/K/6/KB/GL/TL
Gelijkvormigheid
gelijkvormigheid
6.3 Redeneren en tekenen: bij redeneren, tekenen en berekenen van hoeken, afstanden en patronen gebruik maken van gelijke verhoudingen, waaronder rekenen met vergrotingen en verkleiningen; alleen in platte vlak

6.3 Redeneren en tekenen: bij redeneren, tekenen en berekenen van hoeken, afstanden en patronen, gebruik maken gelijke verhoudingen, waaronder rekenen met vergrotingen en verkleiningen; alleen in platte vlak

6.3 Redeneren en tekenen: bij redeneren, tekenen en berekenen van hoeken, afstanden en patronen, gebruik maken van gelijke verhoudingen, waaronder rekenen met vergrotingen en verkleiningen; ook in ruimtelijke situaties
gelijkvormigheid

WI/V/1
Verbanden en formules
VaksubkernenInhoudenbbkbgl/tlexameneenheden
Grafieken, tabellen, verbanden en formulesGrafieken tekenen
grafiek
4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken:  in een gegeven assenstelsel een grafiek tekenen van het verband tussen variabelen in een gegeven situatie
grafiek

4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken:  een grafiek tekenen van het verband tussen variabelen in een gegeven situatie, in het bijzonder hierbij een passende schaalverdeling kiezen en coördinaten van punten bepalen
grafiek

4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken:  een grafiek tekenen van het verband tussen variabelen in een gegeven situatie, in het bijzonder hierbij een passende schaalverdeling kiezen en coördinaten van punten bepalen
grafiek

WI/K/4/GL/TL
Verbanden beschrijven
formule
4.2 Tabellen maken, aflezen, vergelijken en interpreteren: een tabel maken van het verband tussen variabelen in een gegeven situatie
tabel

4.2 Tabellen maken, aflezen, vergelijken en interpreteren: regelmatigheden in een tabel vaststellen
tabel

4.2 Tabellen maken, aflezen, vergelijken en interpreteren: grootste of kleinste waarde vaststellen in een tabel, controleren of een gegeven verband bij een gegeven tabel hoort en bij een gegeven tabel conclusies trekken over de bijbehorende situatie
tabel

4.4 Werken met woordformules: bij een gegeven woordformule vaststellen, of daarmee in een gegeven situatie het verband tussen de variabelen beschreven is en in een gegeven situatie vaststellen welke variabelen met elkaar in verband staan
formule

4.2 Tabellen maken, aflezen, vergelijken en interpreteren: een tabel maken van het verband tussen variabelen in een gegeven situatie
tabel

4.2 Tabellen maken, aflezen, vergelijken en interpreteren: regelmatigheden in een tabel vaststellen en beschrijven
tabel

4.2 Tabellen maken, aflezen, vergelijken en interpreteren: grootste of kleinste waarde vaststellen in een tabel, controleren of een gegeven verband bij een gegeven tabel hoort en bij een gegeven tabel conclusies trekken over de bijbehorende situatie
tabel

4.4 Werken met (woord)formules: bij een gegeven (woord)formule vaststellen, of daarmee in een gegeven situatie het verband tussen de variabelen beschreven is, in een gegeven situatie vaststellen welke variabelen met elkaar in verband staan, woordformules omzetten in formules waarin variabelen door één letter worden weergegeven en bij een verandering in een variabele het effect aangeven op de andere variabele
formule

4.5 Rekenen met (woord)formules: een schakeling van elementaire rekenacties omzetten in een (woord)formule en omgekeerd
formule

4.2 Tabellen maken, aflezen, vergelijken en interpreteren: een tabel maken van het verband tussen variabelen in een gegeven situatie
tabel

4.2 Tabellen maken, aflezen, vergelijken en interpreteren: regelmatigheden in een tabel vaststellen en beschrijven
tabel

4.2 Tabellen maken, aflezen, vergelijken en interpreteren: grootste of kleinste waarde vaststellen in een tabel, controleren of een gegeven verband bij een gegeven tabel hoort en bij een gegeven tabel conclusies trekken over de bijbehorende situatie
tabel

4.4 Werken met formules: bij een gegeven formule vaststellen, of daarmee in een gegeven situatie het verband tussen de variabelen beschreven is, in een gegeven situatie vaststellen welke variabelen met elkaar in verband staan, woordformules omzetten in formules waarin variabelen door één letter worden weergegeven en bij een verandering in een variabele het effect aangeven op de andere variabele
formule

4.5 Rekenen met formules: een schakeling van elementaire rekenacties omzetten in een formule en omgekeerd
formule

WI/K/4/GL/TL
Grafieken analyseren
grafiek, minimum, maximum
4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken: het verloop van een grafiek of interval beschrijven met de termen constant, stijgend of dalend, controleren of een gegeven verband bij een gegeven grafiek hoort en uit het verloop de vorm en de plaats van punten op de grafiek conclusies trekken over de bijbehorende situatie
grafiek, stijgen, dalen, constant

4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken: aflezen welke minima en maxima er op een gegeven interval zijn en coördinaten van punten van een grafiek aflezen, berekenen of benaderen
grafiek, minimum, maximum

4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken: het verloop van een grafiek of interval beschrijven met de termen constant, stijgend of dalend en periodiek, ontroleren of een gegeven verband bij een gegeven grafiek hoort en uit het verloop, de vorm en de plaats van punten op de grafiek conclusies trekken over de bijbehorende situatie
grafiek, stijgen, dalen, constant

4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken: aflezen welke minima en maxima er op een gegeven interval zijn en coördinaten van punten van een grafiek aflezen, berekenen of benaderen
grafiek, minimum, maximum

4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken: het verloop van een grafiek of interval beschrijven met de termen constant, stijgend of dalend en periodiek, controleren of een gegeven verband bij een gegeven grafiek hoort en uit het verloop, de vorm en de plaats van punten op de grafiek conclusies trekken over de bijbehorende situatie
grafiek, stijgen, dalen, constant

4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken: aflezen welke minima en maxima er op een gegeven interval zijnen coördinaten van punten van een grafiek aflezen, berekenen of benaderen
grafiek, minimum, maximum

WI/K/4/GL/TL
Vaktaal grafieken, tabellen, formules
snijden, snijpunt, assen(stelsel), coördinaten, eenheid, invoervariabele, uitvoervariabele, ingansgvariabele, uitgangsvariabele
3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
snijden, snijpunt, assen(stelsel), coördinaten, eenheid, invoervariabele, uitvoervariabele, ingansgvariabele, uitgangsvariabele

3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
snijden, snijpunt, assen(stelsel), coördinaten, eenheid, invoervariabele, uitvoervariabele, ingansgvariabele, uitgangsvariabele

3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
snijden, snijpunt, assen(stelsel), coördinaten, eenheid, invoervariabele, uitvoervariabele, ingansgvariabele, uitgangsvariabele

WI/K/3
Interpoleren en extrapoleren
grafiek
4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken: aflezen welke minima en maxima er op een gegeven interval zijn en coördinaten van punten van een grafiek aflezen, berekenen of benaderen
grafiek

4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken: aflezen welke minima en maxima er op een gegeven interval zijn en coördinaten van punten van een grafiek aflezen, berekenen of benaderen
grafiek

4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken: aflezen welke minima en maxima er op een gegeven interval zijnen coördinaten van punten van een grafiek aflezen, berekenen of benaderen
grafiek

WI/K/4/GL/TL
Representaties van verbanden vergelijken
4.5 Rekenen met woordformules: onderzoeken of twee woordformules hetzelfde verband beschrijven
formule

4.6 In een gegeven situatie de voorstellingsvormen tabel, grafiek, woordformule of verwoording met elkaar in verband brengen:  bij twee verschillende voorstellingsvormen vaststellen of zij hetzelfde verband beschrijven

4.6 In een gegeven situatie de voorstellingsvormen tabel, grafiek, woordformule of verwoording met elkaar in verband brengen: vaststellen in welk opzicht een verandering in één voorstellingsvorm invloed heeft op een andere

4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken: vaststellen hoe een verandering in de situatie doorwerkt in de grafiek, gewoonlijk in samenhang met tabel en/of (woord)formule

4.4 Werken met woordformules: vaststellen hoe een verandering in de situatie doorwerkt in de formule en omgekeerd

4.5 Rekenen met woordformules: onderzoeken of twee woordformules hetzelfde verband beschrijven en een (woord)formule vervangen door een gelijkwaardige (woord)formule
formule

4.6 In een gegeven situatie de voorstellingsvormen tabel, grafiek, (woordformule of verwoording met elkaar in verband brengen:  bij twee verschillende voorstellingsvormen vaststellen of zij hetzelfde verband beschrijven

4.6 In een gegeven situatie de voorstellingsvormen tabel, grafiek, (woord)formule of verwoording met elkaar in verband brengen: vaststellen in welk opzicht een verandering in één voorstellingsvorm invloed heeft op een andere

4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken: vaststellen hoe een verandering in de situatie doorwerkt in de grafiek, gewoonlijk in samenhang met tabel en/of formule

4.4 Werken met formules: vaststellen hoe een verandering in de situatie doorwerkt in de formule en omgekeerd

4.5 Rekenen met formules: onderzoeken of twee formules hetzelfde verband beschrijven of een formule vervangen door een gelijkwaardige formule
formule

4.6 In een gegeven situatie de voorstellingsvormen tabel, grafiek, formule of verwoording met elkaar in verband brengen:  bij twee verschillende voorstellingsvormen vaststellen of zij hetzelfde verband beschrijven

4.6 In een gegeven situatie de voorstellingsvormen tabel, grafiek, formule of verwoording met elkaar in verband brengen: vaststellen in welk opzicht een verandering in één voorstellingsvorm invloed heeft op een andere

WI/K/4/GL/TL
Zinvolle waarden identificeren
grafiek
4.2 Tabellen maken, aflezen, vergelijken en interpreteren: bij een gegeven tabel vaststellen welke waarden bij de context zinvol zijn
tabel

4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken: bij een gegeven grafiek vaststellen welke waarden van de variabelen bij de context zinvol zijn
grafiek

4.2 Tabellen maken, aflezen, vergelijken en interpreteren: bij een gegeven tabel vaststellen welke waarden bij de context zinvol zijn
tabel

4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken: bij een gegeven grafiek vaststellen welke waarden van de variabelen bij de context zinvol zijn
grafiek

4.2 Tabellen maken, aflezen, vergelijken en interpreteren: bij een gegeven tabel vaststellen welke waarden bij de context zinvol zijn
tabel

4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken: bij een gegeven grafiek vaststellen welke waarden van de variabelen bij de context zinvol zijn
grafiek

WI/K/4/GL/TL
Som of verschil van verbandenn.v.t.
4.6 In een gegeven situatie de voorstellingsvormen tabel, grafiek, (woord)formule of verwoording met elkaar in verband brengen: bij twee functionele verbanden hun som en hun verschil beschrijven met één of meer voorstellingsvormen, mits dat in de gegeven situatie zinvol is

4.1 Eenvoudige machtsverbanden van de vorm y = a xn waarbij n een positief en geheel getal is herkennen en gebruiken: som en verschilverbanden interpreteren en een grafiek van de vorm y = a xn + b tekenen

4.6 In een gegeven situatie de voorstellingsvormen tabel, grafiek, formule of verwoording met elkaar in verband brengen: bij twee functionele verbanden hun som en hun verschil beschrijven met één of meer voorstellingsvormen, mits dat in de gegeven situatie zinvol is

WI/K/4/GL/TL
Verbanden analyseren
periodiek, amplitude, periode, frequentie
n.v.t.
4.1 Periodieke verbanden herkennen en beschrijven in termen als “een regelmatig terugkerende gebeurtenis”
periodiek

4.1 Periodieke verbanden herkennen en gebruiken: de begrippen amplitude, periode en frequentie herkennen en gebruiken
periodiek, amplitude, periode, frequentie

WI/K/4/GL/TL
Formules interpreteren en bewerken
formule
n.v.t.
4.4 Werken met (woord)formules: uit een formule conclusies trekken over de bijbehorende situatie
formule

4.4 Werken met formules: uit een formule conclusies trekken over de bijbehorende situatie
formule

4.5 Rekenen met formules: In een formule of vuistregel een variabele vervangen door een expressie en in een formule of vuistregel een expressie vervangen door een variabele
formule

WI/V/1
Lineaire verbandenVaktaal lineaire verbanden
lineair, startgetal (vast deel), helling, richtingscoëfficiënt (variabel deel)
3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
lineair, startgetal (vast deel), helling

3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
lineair, startgetal (vast deel), helling, richtingscoëfficiënt (variabel deel)

3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
lineair, startgetal (vast deel), helling, richtingscoëfficiënt (variabel deel)

WI/K/3
Representaties van lineaire verbanden
lineair
4.1 Lineaire verbanden kennen, herkennen en gebruiken: in een gegeven assenstelsel een bijbehorende grafiek tekenen en interpreteren
lineair, rechte lijn, startgetal (vast deel)

4.1 Lineaire verbanden kennen, herkennen en gebruiken: in een woordformule een variabele vervangen door een getal en de waarde van de andere variabele berekenen
lineair

4.1 Lineaire verbanden kennen, herkennen en gebruiken: een bijbehorende grafiek tekenen en interpreteren
lineair, rechte lijn, startgetal (vast deel)

4.1 Lineaire verbanden kennen, herkennen en gebruiken: in een (woord)formule een variabele vervangen door een getal en de waarde van de andere variabele berekenen
lineair

4.1 Lineaire verbanden kennen, herkennen en gebruiken: een bijbehorende grafiek tekenen en interpreteren
lineair, rechte lijn, startgetal (vast deel)

4.1 Lineaire verbanden kennen, herkennen en gebruiken: een formule van de vorm y = ax + b gebruiken
lineair

WI/K/4/GL/TL
Lineaire verbanden herkennen
lineair
4.1 Lineaire verbanden kennen, herkennen en gebruiken: een bijbehorende tabel herkennen, opstellen en gebruiken
lineair

4.1 Lineaire verbanden kennen, herkennen en gebruiken: een bijbehorende tabel herkennen, opstellen en gebruiken, regelmatigheden in een bijbehorende tabel vaststellen en beschrijven met een (woord)formule
lineair

4.1 Lineaire verbanden kennen, herkennen en gebruiken: een bijbehorende tabel herkennen, opstellen en gebruiken, regelmatigheden in een bijbehorende tabel vaststellen en beschrijven met een (woord)formule
lineair

WI/K/4/GL/TL
Formules voor lineaire verbanden
lineair, startgetal (vast deel), helling, richtingscoëfficiënt (variabel deel)
4.1 Lineaire verbanden kennen, herkennen en gebruiken: in een gegeven situatie een woordformule opstellen
lineair, startgetal (vast deel), helling

4.1 Lineaire verbanden kennen, herkennen en gebruiken: in een gegeven situatie een (woord)formule opstellen en bij een gegeven (woord)formule vaststellen of hiermee een lineair verband tussen de variabelen beschreven is
lineair, startgetal (vast deel), helling, richtingscoëfficiënt (variabel deel)

4.1 Lineaire verbanden kennen, herkennen en gebruiken: een formule van de vorm y = ax + b herkennen, opstellen en gebruiken, de parameters a en b herkennen als steilheid, respectievelijk verticale verschuiving
lineair, startgetal (vast deel), helling, richtingscoëfficiënt (variabel deel)

WI/K/4/GL/TL
Patronen en regelmaatRegelmaat in getalspatronen
4.2 Tabellen maken, aflezen, vergelijken en interpreteren: regelmatigheden in een tabel vaststellen

4.2 Tabellen maken, aflezen, vergelijken en interpreteren: regelmatigheden in een tabel vaststellen en beschrijven

4.2 Tabellen maken, aflezen, vergelijken en interpreteren: regelmatigheden in een tabel vaststellen en beschrijven

WI/K/4/GL/TL
Regelmaat in meetkundige patronen
6.3 Redeneren en tekenen: bij redeneren, tekenen en berekenen van hoeken, afstanden en patronen gebruik maken van regelmatige patronen

6.3 Redeneren en tekenen: bij redeneren, tekenen en berekenen van hoeken, afstanden en patronen, gebruik maken van regelmatige patronen

6.3 Redeneren en tekenen: bij redeneren, tekenen en berekenen van hoeken, afstanden en patronen, gebruik maken van regelmatige patronen

WI/K/6/KB/GL/TL
Vergelijkingen en ongelijkhedenVerbanden vergelijken
4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken: twee grafieken vergelijken en de verschillen interpreteren en bij twee grafieken die elkaar snijden de coördinaten van dat snijpunt vaststellen en het snijpunt interpreteren
snijpunt

4.2 Tabellen maken, aflezen, vergelijken en interpreteren: twee verbanden met behulp van de bijbehorende tabellen vergelijken en bepalen of benaderen waar de variabelen een gelijke waarde hebben

4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken: twee grafieken vergelijken en de verschillen interpreteren en bij twee grafieken die elkaar snijden de coördinaten van dat snijpunt vaststellen en het snijpunt interpreteren
snijpunt

4.4 Werken met woordformules: bij twee functionele verbanden aangeven, eventueel in benadering, waar functiewaarden gelijk zijn en op welke intervallen de ene groter is dan de andere

4.2 Tabellen maken, aflezen, vergelijken en interpreteren: twee verbanden met behulp van de bijbehorende tabellen vergelijken en bepalen of benaderen waar de variabelen een gelijke waarde hebben

4.3 Grafieken tekenen, aflezen, interpreteren en vergelijken: twee grafieken vergelijken en de verschillen interpreteren en bij twee grafieken die elkaar snijden de coördinaten van dat snijpunt vaststellen en het snijpunt interpreteren
snijpunt

4.4 Werken met formules: bij twee functionele verbanden aangeven, eventueel in benadering, waar functiewaarden gelijk zijn en op welke intervallen de ene groter is dan de andere

WI/K/4/GL/TL
Eerstegraads vergelijkingen oplossen
4.1 Lineaire verbanden kennen, herkennen en gebruiken: in een woordformule een variabele vervangen door een getal en de waarde van de andere variabele berekenen

4.1 Lineaire verbanden kennen, herkennen en gebruiken: in een (woord)formule een variabele vervangen door een getal en de waarde van de andere variabele berekenen
vergelijking

4.6 In een gegeven situatie de voorstellingsvormen tabel, grafiek, (woord)formule of verwoording met elkaar in verband brengen: als bij een functioneel verband een uitgangsvariabele gegeven is, de bijbehorende ingangsvariabele vinden of berekenen

4.1 Lineaire verbanden kennen, herkennen en gebruiken: een formule van de vorm y = ax + b gebruiken
vergelijking

4.6 In een gegeven situatie de voorstellingsvormen tabel, grafiek,formule of verwoording met elkaar in verband brengen: als bij een functioneel verband een uitgangsvariabele gegeven is, de bijbehorende ingangsvariabele vinden of berekenen

WI/K/4/GL/TL
Exponentiële verbandenVaktaal exponentiële verbanden
verdubbelingstijd, halveringstijd
n.v.t.
3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
exponentieel, groeifactor, beginwaarde

3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel
exponentieel, groeifactor, beginwaarde

4.1 Exponentiële verbanden herkennen en gebruiken: de begrippen verdubbelingstijd en halveringstijd gebruiken
verdubbelingstijd, halveringstijd

WI/V/1
Grafieken van exponentiële verbanden
groeifactor, beginwaarde, exponentieel
n.v.t.
4.1 Exponentiële verbanden herkennen en gebruiken: een bijbehorende grafiek tekenen en interpreteren, termen als groeifactor, respectievelijk beginwaarde hanteren
groeifactor, beginwaarde, exponentieel

4.1 Exponentiële verbanden herkennen en gebruiken: een bijbehorende grafiek tekenen en interpreteren
groeifactor, beginwaarde, exponentieel

WI/K/4/GL/TL
Exponentiële groei herkennen
groeifactor, beginwaarde, exponentieel
n.v.t.
4.1 Exponentiële verbanden herkennen en gebruiken: een bijbehorende tabel opstellen en interpreteren, regelmatigheden in een bijbehorende tabel vaststellen en beschrijven in woorden

4.1 Exponentiële verbanden herkennen en gebruiken: een bijbehorende tabel herkennen, opstellen en interpreteren

4.1 Exponentiële verbanden herkennen en gebruiken: een formule van de vorm y = b gt herkennen en gebruiken en de parameters g en b herkennen als groeifactor respectievelijk beginwaarde
groeifactor, beginwaarde, exponentieel

WI/V/1
MachtsverbandenTabellen van machtsverbanden
machtsverband
n.v.t.
4.1 Eenvoudige machtsverbanden met exponent 2 of 3 herkennen en gebruiken: een bijbehorende tabel opstellen
machtsverband

4.1 Eenvoudige machtsverbanden van de vorm y = axn herkennen en gebruiken: een bijbehorende tabel opstellen en interpreteren
machtsverband

WI/K/4/GL/TL
Grafieken van machtsverbanden
machtsverband
n.v.t.
4.1 Eenvoudige machtsverbanden (met exponent 2 of 3) herkennen en gebruiken: in een gegeven assenstelsel een bijbehorende grafiek tekenen en interpreteren
machtsverband

4.1 Eenvoudige machtsverbanden met exponent 2 of 3 herkennen en gebruiken: een bijbehorende grafiek tekenen en interpreteren
machtsverband

WI/K/4/GL/TL
Machtsverbanden herkennen
machtsverband
n.v.t.n.v.t.
4.1 Eenvoudige machtsverbanden van de vorm y = a xn waarbij n een positief en geheel getal is herkennen en gebruiken: som en verschilverbanden interpreteren en een grafiek van de vorm y = a xn + b tekenen
machtsverband

WI/V/1
Omgekeerd evenredige en gebroken verbandenTabellen van omgekeerd evenredige verbandenn.v.t.
4.1 Verbanden van de vorm y = x / a herkennen en gebruiken: een bijbehorende tabel opstellen

4.1 Verbanden van de vorm y = x / a herkennen en gebruiken: een bijbehorende tabel opstellen

WI/K/4/GL/TL
Grafieken van omgekeerd evenredige verbandenn.v.t.
4.1 Verbanden van de vorm y = x / a herkennen en gebruiken: in een gegeven assenstelsel een bijbehorende grafiek tekenen en interpreteren

4.1 Verbanden van de vorm y = x / a herkennen en gebruiken: een bijbehorende grafiek tekenen en interpreteren

WI/K/4/GL/TL
WortelverbandenTabellen van wortelverbanden
wortelverband
n.v.t.
4.1 Wortelverbanden herkennen en gebruiken: een bijbehorende tabel opstellen en interpreteren
wortelverband

4.1 Wortelverbanden herkennen en gebruiken: een bijbehorende tabel opstellen en interpreteren
wortelverband

WI/K/4/GL/TL
Grafieken van wortelverbanden
wortelverband
n.v.t.
4.1 Wortelverbanden herkennen en gebruiken: een bijbehorende grafiek tekenen en interpreteren
wortelverband

4.1 Wortelverbanden herkennen en gebruiken: een bijbehorende grafiek tekenen en interpreteren
wortelverband

WI/K/4/GL/TL
Wortelverbanden herkennen
wortelverband
n.v.t.
4.1 Wortelverbanden herkennen en gebruiken: een formule van de vorm y = √x herkennen en gebruiken
wortelverband

4.1 Wortelverbanden herkennen en gebruiken: een formule van de vorm y = √x herkennen en gebruiken
wortelverband

WI/K/4/GL/TL
Informatieverwerking en onzekerheid
VaksubkernenInhoudenbbkbgl/tlexameneenheden
InformatieverwerkingGrafische weergaven van data
7.1 Gegevens in een statistische representatievorm weergeven

7.1 Informatie uit statistische representatievormen betrekken en interpreteren

7.1 Gegevens in een statistische representatievorm weergeven

7.1 Informatie uit statistische representatievormen betrekken en interpreteren

7.1 Gegevens in een statistische representatievorm weergeven

7.1 Informatie uit statistische representatievormen betrekken en interpreteren

WI/K/7
Beschrijvende statistiek
gemiddelde
7.3 Gegevens uit statistische representatievormen samenvatten
gemiddelde

7.3 Gegevens uit statistische representatievormen samenvatten
gemiddelde

7.3 Gegevens uit statistische representatievormen samenvatten
gemiddelde

WI/K/7
Experimentele kansen
7.3 Op basis van de verwerkte informatie verwachtingen uitspreken en conclusies trekken.

7.3 Op basis van de verwerkte informatie verwachtingen uitspreken en conclusies trekken

7.3 Op basis van de verwerkte informatie verwachtingen uitspreken en conclusies trekken

WI/K/7
Vaktaal statistiek
3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel

3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel

3.7 Adequate (wiskunde)taal gebruiken als communicatiemiddel

WI/K/3
Discrete Wiskunde
VaksubkernenInhoudenbbkbgl/tlexameneenheden
GrafenEen graaf hanteren
graaf
7.2 Een graaf hanteren
graaf

7.2 Een graaf hanteren
graaf

7.2 Een graaf hanteren
graaf

WI/K/7