helphelp

Leerlijn Kunst: beeldende vorming (PO-vmbo)

( )

Sectoren
Vakkernen
kerndoelen Streefdoelen pokerndoelen onderbouwvmbo bovenbouw exameneenheden
1. Kijken en luisteren
Oriënteren & reflecteren

55:
De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.

55

50:
De leerling leert, op grond van enige achtergrondkennis, te kijken naar beeldende kunst, te luisteren naar muziek en te kijken en luisteren naar theater-, dans- en filmvoorstellingen.

50

BV/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.
 

BV/K/3  Leervaardigheden in de beeldende vakken  CE
3. De kandidaat beheerst een aantal strategische beeldende vaardigheden die bijdragen tot de ontwikkeling van zijn leervermogen.
 

BV/K/2, BV/K/3
2. Onderzoeken, analyseren, interpreteren en verslag doen
Onderzoeken & reflecteren

55:
De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.

56:
De leerlingen verwerven enige kennis over en krijgen waardering voor aspecten van cultureel erfgoed.

55, 56

51:
De leerling leert, met behulp van visuele of auditieve middelen, verslag te doen van deelname aan kunstzinnige activiteiten (als toeschouwer en als deelnemer).

52:
De leerling leert mondeling of schriftelijk te reflecteren op eigen werk en werk van anderen, waaronder kunstenaars.

51, 52

BV/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.
 

BV/K/5  Werkproces, productief
5. De kandidaat kan een beeldende probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren.
6. De kandidaat kan een werkplan opstellen, bewaken en uitvoeren, zijn werkproces vastleggen, ordenen en presenteren en er op reflecteren.
 

BV/K/7  Beschouwen - eigen werk, reflectief
8. De kandidaat kan in eigen beeldend werk de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving benoemen en toelichten.
9. De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving.
 

BV/K/8  Beschouwen - werk van anderen, reflectief  CE
10. De kandidaat kan in beeldend werk van anderen de functionaliteit, de aspecten van de voorstelling, de vormgeving en de culturele en/of kunsthistorische context benoemen en toelichten.
 

BV/V/1  Eindopdracht, productief en reflectief  CE
11. De kandidaat kan naar aanleiding van een eigen probleemstelling - autonoom en toegepast - beeldend werk maken.
12. De kandidaat kan deze probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren.
13. De kandidaat kan een werkplan opstellen, bewaken en uitvoeren, zijn werkproces vastleggen, ordenen en presenteren en er op reflecteren.
14. De kandidaat kan aspecten van de voorstelling en vormgeving zó gebruiken dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van het eigen beeldend werk.
15. De kandidaat kan in eigen beeldend werk de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving benoemen en toelichten.
16. De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving.
17. De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de functionaliteit, de aspecten van de voorstelling en van vormgeving en de culturele en/of kunsthistorische context.
 

BV/V/2  Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
18. De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken.
 

BV/V/3  Vaardigheden in samenhang  CE
19. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

BV/K/2, BV/K/5, BV/K/7, BV/K/8, BV/V/1, BV/V/2, BV/V/3
3. Produceren en presenteren
Uitvoeren & reflecteren

54:
De leerlingen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging te gebruiken om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om er mee te communiceren.

54

48:
De leerling leert door het gebruik van elementaire vaardigheden de zeggingskracht van verschillende kunstzinnige disciplines te onderzoeken en toe te passen om eigen gevoelens uit te drukken, ervaringen vast te leggen, verbeelding vorm te geven en communicatie te bewerkstelligen.

49:
De leerling leert eigen kunstzinnig werk, alleen of als deelnemer in een groep, aan derden te presenteren.

48, 49

BV/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.
 

BV/K/3  Leervaardigheden in de beeldende vakken  CE
3. De kandidaat beheerst een aantal strategische beeldende vaardigheden die bijdragen tot de ontwikkeling van zijn leervermogen.
 

BV/K/4  Beeldend werk, productief
4. De kandidaat kan naar aanleiding van een probleemstelling - autonoom en toegepast - beeldend werk maken.
 

BV/K/5  Werkproces, productief
5. De kandidaat kan een beeldende probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren.
6. De kandidaat kan een werkplan opstellen, bewaken en uitvoeren, zijn werkproces vastleggen, ordenen en presenteren en er op reflecteren.
 

BV/K/6  Middelen, productief
7. De kandidaat kan aspecten van de voorstelling en vormgeving zó gebruiken dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van het eigen beeldend werk.
 

BV/V/1  Eindopdracht, productief en reflectief  CE
11. De kandidaat kan naar aanleiding van een eigen probleemstelling - autonoom en toegepast - beeldend werk maken.
12. De kandidaat kan deze probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren.
13. De kandidaat kan een werkplan opstellen, bewaken en uitvoeren, zijn werkproces vastleggen, ordenen en presenteren en er op reflecteren.
14. De kandidaat kan aspecten van de voorstelling en vormgeving zó gebruiken dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van het eigen beeldend werk.
15. De kandidaat kan in eigen beeldend werk de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving benoemen en toelichten.
16. De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving.
17. De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de functionaliteit, de aspecten van de voorstelling en van vormgeving en de culturele en/of kunsthistorische context.
 

BV/V/3  Vaardigheden in samenhang  CE
19. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

BV/K/2, BV/K/3, BV/K/4, BV/K/5, BV/K/6, BV/V/1, BV/V/3
4. Reflecteren en evalueren
Evalueren & reflecteren

55:
De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.

55

52:
De leerling leert mondeling of schriftelijk te reflecteren op eigen werk en werk van anderen, waaronder kunstenaars.

52

BV/K/1  Oriëntatie op leren en werken
1. De kandidaat oriënteert zich op het belang van beeldende kunst en vormgeving in de maatschappij.
 

BV/K/3  Leervaardigheden in de beeldende vakken  CE
3. De kandidaat beheerst een aantal strategische beeldende vaardigheden die bijdragen tot de ontwikkeling van zijn leervermogen.
 

BV/K/5  Werkproces, productief
5. De kandidaat kan een beeldende probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren.
6. De kandidaat kan een werkplan opstellen, bewaken en uitvoeren, zijn werkproces vastleggen, ordenen en presenteren en er op reflecteren.
 

BV/V/1  Eindopdracht, productief en reflectief  CE
11. De kandidaat kan naar aanleiding van een eigen probleemstelling - autonoom en toegepast - beeldend werk maken.
12. De kandidaat kan deze probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren.
13. De kandidaat kan een werkplan opstellen, bewaken en uitvoeren, zijn werkproces vastleggen, ordenen en presenteren en er op reflecteren.
14. De kandidaat kan aspecten van de voorstelling en vormgeving zó gebruiken dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van het eigen beeldend werk.
15. De kandidaat kan in eigen beeldend werk de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving benoemen en toelichten.
16. De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving.
17. De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de functionaliteit, de aspecten van de voorstelling en van vormgeving en de culturele en/of kunsthistorische context.
 

BV/V/3  Vaardigheden in samenhang  CE
19. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

BV/K/1, BV/K/3, BV/K/5, BV/V/1, BV/V/3