helphelp

Leerlijn Kunst: dans (PO-vmbo)

( )

Sectoren
Vakkernen
kerndoelen primair onderwijskerndoelen onderbouwvmbo bovenbouw exameneenheden
1. Kijken en luisteren
Oriënteren en reflecteren

55:
De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.

55
n.v.t.

DA/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.
 

DA/K/9  Dans en andere kunsten
9. De kandidaat kan:
− binnen een dansproductie andere kunstvormen dan dans herkennen en de functies ervan benoemen;
− zich praktisch en theoretisch voorbereiden op een bezoek aan een voorstelling waarin meer kunstvormen aan de orde komen, en verslag doen van de functies van de diverse kunstvormen in de voorstelling.
 

DA/V/3  Vaardigheden in samenhang
12. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

DA/K/2, DA/K/9, DA/V/3
2. Onderzoeken, analyseren, interpreteren en verslag doen
Onderzoeken en reflecteren

55:
De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.

56:
De leerlingen verwerven enige kennis over en krijgen waardering voor aspecten van cultureel erfgoed.

55, 56
n.v.t.

DA/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.
 

DA/K/7  Beschouwen
7. De kandidaat kan:
− danssoorten onderkennen, hiervan kenmerken noemen en deze omschrijven;
− van een dans de volgende elementen benoemen:
• danser
• dans (danselementen, lichaam, structuur)
• geluid
• ruimte/locatie
• theatrale middelen
• dansinhoud/betekenis en de samenhang ervan beargumenteren.
 

DA/K/8  Dans en maatschappij
8. De kandidaat kan:
− functies van dans herkennen en benoemen;
− herkennen en beargumenteren dat dans het product is van een bepaalde cultuur/samenleving in een bepaalde tijdsperiode en leefomgeving;
− verslag doen van een culturele activiteit, waarvan dans een expliciet onderdeel is.
 

DA/K/9  Dans en andere kunsten
9. De kandidaat kan:
− binnen een dansproductie andere kunstvormen dan dans herkennen en de functies ervan benoemen;
− zich praktisch en theoretisch voorbereiden op een bezoek aan een voorstelling waarin meer kunstvormen aan de orde komen, en verslag doen van de functies van de diverse kunstvormen in de voorstelling.
 

DA/V/2  Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
11. De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken, bijvoorbeeld in het kader van het sectorwerkstuk.
 

DA/V/3  Vaardigheden in samenhang
12. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

DA/K/2, DA/K/7, DA/K/8, DA/K/9, DA/V/2, DA/V/3
3. Produceren en presenteren
Uitvoeren en reflecteren

54:
De leerlingen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging te gebruiken om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om er mee te communiceren.

54

48:
De leerling leert door het gebruik van elementaire vaardigheden de zeggingskracht van verschillende kunstzinnige disciplines te onderzoeken en toe te passen om eigen gevoelens uit te drukken, ervaringen vast te leggen, verbeelding vorm te geven en communicatie te bewerkstelligen.

49:
De leerling leert eigen kunstzinnig werk, alleen of als deelnemer in een groep, aan derden te presenteren.

48, 49

DA/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.
 

DA/K/3  Leervaardigheden in het vak dans
3. De kandidaat kan een aantal vaardigheden toepassen die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen, zoals:
− vakbegrippen herkennen, benoemen en toepassen;
− door middel van exploreren, improviseren en structureren een dansontwerp maken;
− de creatieve en de expressieve mogelijkheden van het lichaam gebruiken;
− functioneel gebruik maken van theatrale middelen.
 

DA/K/4  Dansen
4. De kandidaat kan alleen en in samenwerking met anderen:
− gevoelens, ervaringen, ideeën, situaties en gebeurtenissen;
− bewegingsideeën;
− een fysiek, muzikaal, dramatisch of beeldend thema;
in dans vertalen, met gebruikmaking van de danselementen ruimte, tijd en kracht, met toepassing van lichaamsbesef en vormbewustzijn en met een persoonlijke lading.
 

DA/K/5  Vormgeven
5. De kandidaat kan:
− exploreren en improviseren vanuit een gegeven bewegings- en/of thematisch gerichte opdracht;
− door middel van improviseren, exploreren en structureren een dans ontwerpen en uitvoeren waarin een inhoudelijke ontwikkelingslijn zichtbaar wordt, en gebruik gemaakt wordt van de danselementen, structuur en theatrale middelen.
 

DA/K/6  Presenteren
6. De kandidaat kan alleen of samen met anderen een zelfgemaakte en/of bestaande dans presenteren.
 

DA/V/1  Eindopdracht
10. De kandidaat kan een zelf gemaakte en een bestaande dans presenteren aan een ander publiek dan de eigen klas, waarbij:
− de betekenis/dansinhoud en de zeggingskracht naar voren komen;
− rekening gehouden wordt met de aanwezigheid van het publiek.
 

DA/V/3  Vaardigheden in samenhang
12. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

DA/K/2, DA/K/3, DA/K/4, DA/K/5, DA/K/6, DA/V/1, DA/V/3
4. Reflecteren en evalueren
Evalueren & reflecteren

55:
De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.

55
n.v.t.

DA/K/1  Oriëntatie op leren en werken
1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van dans in de maatschappij.
 

DA/K/3  Leervaardigheden in het vak dans
3. De kandidaat kan een aantal vaardigheden toepassen die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen, zoals:
− vakbegrippen herkennen, benoemen en toepassen;
− door middel van exploreren, improviseren en structureren een dansontwerp maken;
− de creatieve en de expressieve mogelijkheden van het lichaam gebruiken;
− functioneel gebruik maken van theatrale middelen.
 

DA/K/8  Dans en maatschappij
8. De kandidaat kan:
− functies van dans herkennen en benoemen;
− herkennen en beargumenteren dat dans het product is van een bepaalde cultuur/samenleving in een bepaalde tijdsperiode en leefomgeving;
− verslag doen van een culturele activiteit, waarvan dans een expliciet onderdeel is.
 

DA/V/3  Vaardigheden in samenhang
12. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

DA/K/1, DA/K/3, DA/K/8, DA/V/3