helphelp

Leerlijn Kunst en cultuur (PO-vmbo)

( )

Sectoren
Vakkernen
kerndoelen primair onderwijskerndoelen onderbouwvmbo bovenbouw exameneenheden
1. Produceren en presenteren
Uitvoeren & reflecteren

54:
De leerlingen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging te gebruiken om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om er mee te communiceren.

55:
De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.

54, 55

48:
De leerling leert door het gebruik van elementaire vaardigheden de zeggingskracht van verschillende kunstzinnige disciplines te onderzoeken en toe te passen om eigen gevoelens uit te drukken, ervaringen vast te leggen, verbeelding vorm te geven en communicatie te bewerkstelligen.

49:
De leerling leert eigen kunstzinnig werk, alleen of als deelnemer in een groep, aan derden te presenteren.

48, 49

KV1/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.
 

BV/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.
 

BV/K/3  Leervaardigheden in de beeldende vakken  CE
3. De kandidaat beheerst een aantal strategische beeldende vaardigheden die bijdragen tot de ontwikkeling van zijn leervermogen.
 

BV/K/4  Beeldend werk, productief
4. De kandidaat kan naar aanleiding van een probleemstelling - autonoom en toegepast - beeldend werk maken.
 

BV/K/5  Werkproces, productief
5. De kandidaat kan een beeldende probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren.
6. De kandidaat kan een werkplan opstellen, bewaken en uitvoeren, zijn werkproces vastleggen, ordenen en presenteren en er op reflecteren.
 

BV/K/6  Middelen, productief
7. De kandidaat kan aspecten van de voorstelling en vormgeving zó gebruiken dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van het eigen beeldend werk.
 

BV/V/1  Eindopdracht, productief en reflectief  CE
11. De kandidaat kan naar aanleiding van een eigen probleemstelling - autonoom en toegepast - beeldend werk maken.
12. De kandidaat kan deze probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren.
13. De kandidaat kan een werkplan opstellen, bewaken en uitvoeren, zijn werkproces vastleggen, ordenen en presenteren en er op reflecteren.
14. De kandidaat kan aspecten van de voorstelling en vormgeving zó gebruiken dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van het eigen beeldend werk.
15. De kandidaat kan in eigen beeldend werk de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving benoemen en toelichten.
16. De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving.
17. De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de functionaliteit, de aspecten van de voorstelling en van vormgeving en de culturele en/of kunsthistorische context.
 

BV/V/3  Vaardigheden in samenhang  CE
19. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

DA/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.
 

DA/K/3  Leervaardigheden in het vak dans
3. De kandidaat kan een aantal vaardigheden toepassen die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen, zoals:
− vakbegrippen herkennen, benoemen en toepassen;
− door middel van exploreren, improviseren en structureren een dansontwerp maken;
− de creatieve en de expressieve mogelijkheden van het lichaam gebruiken;
− functioneel gebruik maken van theatrale middelen.
 

DA/K/4  Dansen
4. De kandidaat kan alleen en in samenwerking met anderen:
− gevoelens, ervaringen, ideeën, situaties en gebeurtenissen;
− bewegingsideeën;
− een fysiek, muzikaal, dramatisch of beeldend thema;
in dans vertalen, met gebruikmaking van de danselementen ruimte, tijd en kracht, met toepassing van lichaamsbesef en vormbewustzijn en met een persoonlijke lading.
 

DA/K/5  Vormgeven
5. De kandidaat kan:
− exploreren en improviseren vanuit een gegeven bewegings- en/of thematisch gerichte opdracht;
− door middel van improviseren, exploreren en structureren een dans ontwerpen en uitvoeren waarin een inhoudelijke ontwikkelingslijn zichtbaar wordt, en gebruik gemaakt wordt van de danselementen, structuur en theatrale middelen.
 

DA/K/6  Presenteren
6. De kandidaat kan alleen of samen met anderen een zelfgemaakte en/of bestaande dans presenteren.
 

DA/V/1  Eindopdracht
10. De kandidaat kan een zelf gemaakte en een bestaande dans presenteren aan een ander publiek dan de eigen klas, waarbij:
− de betekenis/dansinhoud en de zeggingskracht naar voren komen;
− rekening gehouden wordt met de aanwezigheid van het publiek.
 

DA/V/3  Vaardigheden in samenhang
12. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

DR/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, (samen)werken en informatie verwerven en verwerken.

DR/K/3  Leervaardigheden in het vak drama
3. De kandidaat kan een aantal vaardigheden toepassen die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen, zoals:
− vakbegrippen herkennen, benoemen en toepassen;
− de eigen expressieve mogelijkheden van lichaam en stem gebruiken;
− functioneel gebruik maken van spelgegevens en vormingsmiddelen.
 

DR/K/4  Spelen
4. De kandidaat kan in spel:
− non-verbale en verbale uitingsmogelijkheden toepassen;
− spelgegevens geïntegreerd gebruiken;
− zelf functioneel spelimpulsen geven en reageren op spelimpulsen van anderen.
 

DR/K/5  Vormgeven
5. De kandidaat kan vanuit een bron een spel vormgeven, waarbij functioneel gebruik gemaakt wordt van: spelgegevens, rolopbouw, spelopbouw en materiële vormgevingsmiddelen.
 

DR/K/6  Presenteren
6. De kandidaat kan alleen en/of in samenwerking met anderen bij een optreden voor een publiek:
− spel- en vormgevingsvaardigheden toepassen;
− een tekst presenteren met gebruikmaking van voordrachtstechnieken.
 

DR/V/1  Eindopdracht
10. De kandidaat kan zelfstandig een spel vormgeven en kan dit spel presenteren voor een ander publiek dan de eigen klasgenoten.
 

DR/V/3  Vaardigheden in samenhang
12. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

MU/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.
 

MU/K/3  Leervaardigheden in het vak muziek
3. De kandidaat kan een aantal vaardigheden toepassen, zoals het toepassen van muzikale begrippen, die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen.
 

MU/K/4  Musiceren: zingen en spelen
4. De kandidaat kan individueel en in samenwerking met anderen een representatief repertoire uitvoeren van één- en meerstemmige, vocale/instrumentale muziek.
 

MU/K/5  Vormgeven: improviseren/componeren
5. De kandidaat kan individueel en in samenwerking met anderen muziek improviseren/componeren, vanuit een (buiten)muzikaal gegeven met weloverwogen gebruik van klankeigenschappen en vormprincipes.
 

MU/K/6  Presenteren
6. De kandidaat kan alleen en/of in samenwerking met anderen (onderdelen van) het musiceerrepertoire presenteren.
 

MU/V/1  Eindopdracht
10. De kandidaat kan zelfstandig:
− een presentatie verzorgen over een onderwerp de muziek betreffend;
− een presentatie verzorgen van een eigen muziekwerk voor een ander publiek dan de eigen groep/klas;
− verslag doen van onderzoek dat hij/zij heeft verricht op het gebied van muziek in relatie tot minimaal één van de andere kunstvormen.
 

MU/V/3  Vaardigheden in samenhang
12. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

KV1/K/2, BV/K/2, BV/K/3, BV/K/4, BV/K/5, BV/K/6, BV/V/1, BV/V/3, DA/K/2, DA/K/3, DA/K/4, DA/K/5, DA/K/6, DA/V/1, DA/V/3, DR/K/2, DR/K/3, DR/K/4, DR/K/5, DR/K/6, DR/V/1, DR/V/3, MU/K/2, MU/K/3, MU/K/4, MU/K/5, MU/K/6, MU/V/1, MU/V/3
2. Kijken en luisteren
Oriënteren & reflecteren

55:
De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.

56:
De leerlingen verwerven enige kennis over en krijgen waardering voor aspecten van cultureel erfgoed.

55, 56
n.v.t.

CKV/K/3  Culturele activiteiten
3. De kandidaat heeft actief deelgenomen aan tenminste 4 culturele activiteiten en kan een eigen keuze maken uit het culturele aanbod. De culturele activiteiten zijn daarbij gespreid over verschillende kunstdisciplines.
 

BV/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.
 

BV/K/3  Leervaardigheden in de beeldende vakken  CE
3. De kandidaat beheerst een aantal strategische beeldende vaardigheden die bijdragen tot de ontwikkeling van zijn leervermogen.
 

DA/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.
 

DA/K/9  Dans en andere kunsten
9. De kandidaat kan:
− binnen een dansproductie andere kunstvormen dan dans herkennen en de functies ervan benoemen;
− zich praktisch en theoretisch voorbereiden op een bezoek aan een voorstelling waarin meer kunstvormen aan de orde komen, en verslag doen van de functies van de diverse kunstvormen in de voorstelling.
 

DA/V/3  Vaardigheden in samenhang
12. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

DR/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, (samen)werken en informatie verwerven en verwerken.

DR/K/9  Drama en andere kunsten
9. De kandidaat kan:
− binnen een dramaproductie andere kunstvormen dan drama herkennen en de functies ervan benoemen;
− zich praktisch en theoretisch voorbereiden op een bezoek aan een voorstelling waarin meer kunstvormen aan de orde komen, en verslag doen van de functies van de diverse kunstvormen in de voorstelling.
 

DR/V/3  Vaardigheden in samenhang
12. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

MU/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.
 

MU/K/9  Muziek en andere kunsten
9. De kandidaat kan:
− binnen een muziekproductie andere kunstvormen dan muziek herkennen en de functies ervan benoemen;
− zich praktisch en theoretisch voorbereiden op een bezoek aan een voorstelling waarin meerdere kunstvormen aan de orde komen en verslag doen van de functies van de diverse kunstvormen in de voorstelling.
 

MU/V/3  Vaardigheden in samenhang
12. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

CKV/K/3, BV/K/2, BV/K/3, DA/K/2, DA/K/9, DA/V/3, DR/K/2, DR/K/9, DR/V/3, MU/K/2, MU/K/9, MU/V/3
3. Onderzoeken, analyseren, interpreteren en verslag doen
Onderzoeken & reflecteren

55:
De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.

56:
De leerlingen verwerven enige kennis over en krijgen waardering voor aspecten van cultureel erfgoed.

55, 56
n.v.t.

CKV/K/4  Reflectie en kunstdossier
4. De kandidaat kan met betrekking tot de culturele activiteiten:
- een kunstdossier samenstellen waarbij hij verslag doet van het voorbereiden en ondernemen van culturele activiteiten;
- aan de hand daarvan reflecteren op zijn ervaringen, interpretaties en waarderingen.
 

BV/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.
 

BV/K/5  Werkproces, productief
5. De kandidaat kan een beeldende probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren.
6. De kandidaat kan een werkplan opstellen, bewaken en uitvoeren, zijn werkproces vastleggen, ordenen en presenteren en er op reflecteren.
 

BV/K/7  Beschouwen - eigen werk, reflectief
8. De kandidaat kan in eigen beeldend werk de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving benoemen en toelichten.
9. De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving.
 

BV/K/8  Beschouwen - werk van anderen, reflectief  CE
10. De kandidaat kan in beeldend werk van anderen de functionaliteit, de aspecten van de voorstelling, de vormgeving en de culturele en/of kunsthistorische context benoemen en toelichten.
 

BV/V/1  Eindopdracht, productief en reflectief  CE
11. De kandidaat kan naar aanleiding van een eigen probleemstelling - autonoom en toegepast - beeldend werk maken.
12. De kandidaat kan deze probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren.
13. De kandidaat kan een werkplan opstellen, bewaken en uitvoeren, zijn werkproces vastleggen, ordenen en presenteren en er op reflecteren.
14. De kandidaat kan aspecten van de voorstelling en vormgeving zó gebruiken dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van het eigen beeldend werk.
15. De kandidaat kan in eigen beeldend werk de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving benoemen en toelichten.
16. De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving.
17. De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de functionaliteit, de aspecten van de voorstelling en van vormgeving en de culturele en/of kunsthistorische context.
 

BV/V/2  Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
18. De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken.
 

BV/V/3  Vaardigheden in samenhang  CE
19. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

DA/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.
 

DA/K/7  Beschouwen
7. De kandidaat kan:
− danssoorten onderkennen, hiervan kenmerken noemen en deze omschrijven;
− van een dans de volgende elementen benoemen:
• danser
• dans (danselementen, lichaam, structuur)
• geluid
• ruimte/locatie
• theatrale middelen
• dansinhoud/betekenis en de samenhang ervan beargumenteren.
 

DA/K/8  Dans en maatschappij
8. De kandidaat kan:
− functies van dans herkennen en benoemen;
− herkennen en beargumenteren dat dans het product is van een bepaalde cultuur/samenleving in een bepaalde tijdsperiode en leefomgeving;
− verslag doen van een culturele activiteit, waarvan dans een expliciet onderdeel is.
 

DA/K/9  Dans en andere kunsten
9. De kandidaat kan:
− binnen een dansproductie andere kunstvormen dan dans herkennen en de functies ervan benoemen;
− zich praktisch en theoretisch voorbereiden op een bezoek aan een voorstelling waarin meer kunstvormen aan de orde komen, en verslag doen van de functies van de diverse kunstvormen in de voorstelling.
 

DA/V/2  Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
11. De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken, bijvoorbeeld in het kader van het sectorwerkstuk.
 

DA/V/3  Vaardigheden in samenhang
12. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

DR/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, (samen)werken en informatie verwerven en verwerken.

DR/K/7  Beschouwen
7. De kandidaat kan een beschouwing geven op het eigen spel en op het spel van anderen door:
− te benoemen hoe de inhoud met theatrale middelen is vormgegeven;
− te benoemen hoe de verwijzingen naar de werkelijkheid in spel zijn vormgegeven;
− dramatische technieken te benoemen die gebruikt worden op andere plaatsen dan het theater.
 

DR/K/8  Drama en maatschappij
8. De kandidaat kan:
− kenmerken benoemen van theatrale uitingsvormen en orale tradities van verschillende culturen en deze spelmatig presenteren;
− aangeven wat de functies van drama kunnen zijn en daar voorbeelden van noemen.
 

DR/K/9  Drama en andere kunsten
9. De kandidaat kan:
− binnen een dramaproductie andere kunstvormen dan drama herkennen en de functies ervan benoemen;
− zich praktisch en theoretisch voorbereiden op een bezoek aan een voorstelling waarin meer kunstvormen aan de orde komen, en verslag doen van de functies van de diverse kunstvormen in de voorstelling.
 

DR/V/2  Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
11. De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.
 

DR/V/3  Vaardigheden in samenhang
12. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

MU/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken en informatie verwerven en verwerken.
 

MU/K/7  Beluisteren
7. De kandidaat kan:
− de notatie van ritmische en melodische fragmenten volgen;
− muzikale begrippen herkennen, benoemen en/of noteren.
 

MU/K/8  Muziek en maatschappij
8. De kandidaat kan:
− muziek in verband brengen met betekenissen en functies ervan;
− de eigen muzikale beleving verwoorden en bij het bepalen van een eigen standpunt de meningen van anderen betrekken;
− in de argumentatie voor het standpunt verwijzen naar muzikale aspecten en/of functies en betekenissen van muziek.
 

MU/K/9  Muziek en andere kunsten
9. De kandidaat kan:
− binnen een muziekproductie andere kunstvormen dan muziek herkennen en de functies ervan benoemen;
− zich praktisch en theoretisch voorbereiden op een bezoek aan een voorstelling waarin meerdere kunstvormen aan de orde komen en verslag doen van de functies van de diverse kunstvormen in de voorstelling.
 

MU/V/2  Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
11. De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.
 

MU/V/3  Vaardigheden in samenhang
12. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

CKV/K/4, BV/K/2, BV/K/5, BV/K/7, BV/K/8, BV/V/1, BV/V/2, BV/V/3, DA/K/2, DA/K/7, DA/K/8, DA/K/9, DA/V/2, DA/V/3, DR/K/2, DR/K/7, DR/K/8, DR/K/9, DR/V/2, DR/V/3, MU/K/2, MU/K/7, MU/K/8, MU/K/9, MU/V/2, MU/V/3
4. Reflecteren en evalueren
Evalueren & reflecteren

55:
De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.

55
n.v.t.

KV1/K/1  Oriëntatie op leren en werken
1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van kunst en cultuur in de maatschappij.
 

CKV/K/4  Reflectie en kunstdossier
4. De kandidaat kan met betrekking tot de culturele activiteiten:
- een kunstdossier samenstellen waarbij hij verslag doet van het voorbereiden en ondernemen van culturele activiteiten;
- aan de hand daarvan reflecteren op zijn ervaringen, interpretaties en waarderingen.
 

BV/K/1  Oriëntatie op leren en werken
1. De kandidaat oriënteert zich op het belang van beeldende kunst en vormgeving in de maatschappij.
 

BV/K/3  Leervaardigheden in de beeldende vakken  CE
3. De kandidaat beheerst een aantal strategische beeldende vaardigheden die bijdragen tot de ontwikkeling van zijn leervermogen.
 

BV/K/5  Werkproces, productief
5. De kandidaat kan een beeldende probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren.
6. De kandidaat kan een werkplan opstellen, bewaken en uitvoeren, zijn werkproces vastleggen, ordenen en presenteren en er op reflecteren.
 

BV/V/1  Eindopdracht, productief en reflectief  CE
11. De kandidaat kan naar aanleiding van een eigen probleemstelling - autonoom en toegepast - beeldend werk maken.
12. De kandidaat kan deze probleemstelling verkennen, analyseren, oplossen en uitvoeren.
13. De kandidaat kan een werkplan opstellen, bewaken en uitvoeren, zijn werkproces vastleggen, ordenen en presenteren en er op reflecteren.
14. De kandidaat kan aspecten van de voorstelling en vormgeving zó gebruiken dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van het eigen beeldend werk.
15. De kandidaat kan in eigen beeldend werk de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving benoemen en toelichten.
16. De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de aspecten van de voorstelling en van de vormgeving.
17. De kandidaat kan een relatie leggen tussen eigen beeldend werk en beeldend werk van anderen aan de hand van de functionaliteit, de aspecten van de voorstelling en van vormgeving en de culturele en/of kunsthistorische context.
 

BV/V/3  Vaardigheden in samenhang  CE
19. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

DA/K/1  Oriëntatie op leren en werken
1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van dans in de maatschappij.
 

DA/K/3  Leervaardigheden in het vak dans
3. De kandidaat kan een aantal vaardigheden toepassen die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen, zoals:
− vakbegrippen herkennen, benoemen en toepassen;
− door middel van exploreren, improviseren en structureren een dansontwerp maken;
− de creatieve en de expressieve mogelijkheden van het lichaam gebruiken;
− functioneel gebruik maken van theatrale middelen.
 

DA/K/8  Dans en maatschappij
8. De kandidaat kan:
− functies van dans herkennen en benoemen;
− herkennen en beargumenteren dat dans het product is van een bepaalde cultuur/samenleving in een bepaalde tijdsperiode en leefomgeving;
− verslag doen van een culturele activiteit, waarvan dans een expliciet onderdeel is.
 

DA/V/3  Vaardigheden in samenhang
12. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

MU/K/1  Oriëntatie op leren en werken
1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van muziek in de maatschappij.
 

MU/K/3  Leervaardigheden in het vak muziek
3. De kandidaat kan een aantal vaardigheden toepassen, zoals het toepassen van muzikale begrippen, die bijdragen tot de ontwikkeling van het eigen leervermogen.
 

MU/K/8  Muziek en maatschappij
8. De kandidaat kan:
− muziek in verband brengen met betekenissen en functies ervan;
− de eigen muzikale beleving verwoorden en bij het bepalen van een eigen standpunt de meningen van anderen betrekken;
− in de argumentatie voor het standpunt verwijzen naar muzikale aspecten en/of functies en betekenissen van muziek.
 

MU/V/3  Vaardigheden in samenhang
12. De kandidaat kan de vaardigheden uit de eindtermen van het kerndeel in samenhang toepassen.
 

KV1/K/1, CKV/K/4, BV/K/1, BV/K/3, BV/K/5, BV/V/1, BV/V/3, DA/K/1, DA/K/3, DA/K/8, DA/V/3, MU/K/1, MU/K/3, MU/K/8, MU/V/3