helphelp

Kennisbasis

( )

Kennisbasis natuurwetenschappen en technologie

  • Technologie
    • Technologie
      • Waar het om gaat
        • Technologie
          Technologie speelt een grote rol in de moderne samenleving. In het dagelijkse leven gebruiken we bijvoorbeeld technologie om voedsel te bereiden en te conserveren, het huis te verwarmen, te communiceren met anderen, ons te verplaatsen en gezond te blijven. Ook op de werkvloer wordt veel technologie gebruikt. Zonder energievoorziening, communicatietechnologie en medische technologie zou de samenleving er heel anders uit zien.
          Kennis over techniek is in de moderne samenleving van belang voor elke burger: bij het aanschaffen en gebruik van producten maar ook om mee te kunnen praten en beslissen over technische ontwikkelingen die grote gevolgen kunnen hebben voor de toekomst, zoals voor het klimaat, het milieu, de gezondheid en de beschikbaarheid van grondstoffen en energie. Ons land heeft ook veel deskundige mensen nodig om technologie te ontwikkelen, toe te passen en te onderhouden.
          In deze kennisbasis gaat het om onderwijs over techniek. We gebruiken daarom de term ‘technologie’ in plaats van techniek. ‘Technologie’ betekent immers ‘de bestudering van techniek’. Die naam is analoog aan andere schoolvakken zoals biologie of natuurkunde. Bij technologie gaat het om kennis en vaardigheden met betrekking tot het bewerken van materialen, energie en informatie om met een bepaalde fysieke structuur (een artefact) een gewenste functie te realiseren. Gezien het feit dat er een grote variatie aan artefacten is die niet allemaal aan bod kunnen komen in het onderwijs, is ook meer generieke kennis van belang: over veel gebruikte technische representaties,  de ontwerpcyclus, het functioneren en onderhouden van technische systemen en de maatschappelijke impact op onder meer kosten, gezondheid en duurzaamheid.
          Hieronder wordt de samenhang met andere vakken binnen deze kennisbasis aangegeven. Bij technologie geldt in sterke mate dat er ook allerlei dwarsverbanden met andere vakken zijn, zoals met talen, wiskunde, geschiedenis, economie en kunstvakken.
           
      • Samenhang
        • Technologie
          • met natuurkunde: Materie, (eigenschappen van) stoffen, Energie, Licht, geluid en straling, Kracht en beweging;
          • met scheikunde: Materie, Reactiviteit, Energie;
          • met biologie: ecologie; duurzaamheid; voeding en gezondheid;
          • met fysische geografie: systemen op aarde; menselijke activiteit.
           
      • Integrale doelen
        • Technologie
          De leerling kan
          1. een product maken en daarbij de keuze van gereedschappen en materialen uitleggen met behulp van vakinhouden (bijvoorbeeld het begrip ‘systeem’);
          2. een ontwerpprobleem oplossen met gebruikmaking van begrippen en denkwijzen (bijvoorbeeld modelleren en optimaliseren);
          3. op grond van overwegingen van functie en duurzaamheid en met gebruikmaking van kennis van veiligheids- en gezondheidsnormen en risico’s een product kunnen waarderen naar deze eigenschappen.
           
          Relevante contexten: verkeer en transport, telecommunicatie (media); gebouwde omgeving; gebruiksvoorwerpen; lichaamsverzorging; kleding; huishoudelijke apparatuur; landbouw.
           
      • D1. Karakteristieke werkwijzen
        • Onderzoeken
          • Een instructie voor een eenvoudig onderzoek naar de relatie tussen fysieke eigenschappen van een product en het functioneren ervan uitvoeren.
          • Door middel van een onderzoek onder mogelijke toekomstige gebruikers de gebruikerswensen inventariseren.
           
        • Ontwerpen
          • De belangrijkste stappen in een technisch ontwerpproces benoemen.
          • Een beknopt programma van eisen afleiden uit een gegeven probleemformulering (behoeften, waarin alleen de functie en de gebruiksvriendelijkheid van het product zijn opgenomen.
          • Van een gegeven concept beoordelen of het een oplossing biedt voor een gegeven behoefte.
          • Een concept-oplossing voor een ontwerpprobleem verder uitwerken zodanig dat die structuur voldoet aan het programma van eisen.
          • Bij het ontwerpen gebruik maken van relevante kennis uit de natuur- en scheikunde.
          • Voorbeelden:
            • kennis van energie om een energie-omzetter te ontwerpen (zie Energie bij natuurkunde).
            • kennis van licht en geluid om een speldenprikcamera en (snaar)instrument te ontwikkelen (zie Licht, geluid en straling bij natuurkunde).
            • kennis van krachten bij het ontwerpen van een meubelstuk (zie Kracht en beweging bij natuurkunde).
            • kennis van scheikunde bij het ontwerpen van een chemisch product, een model van een waterzuiveringsinstallatie en opschalen (zie bij scheikunde).
          • Op grond van een gegeven representatie van een technisch artefact (schets, tekening, etc.) het bedoelde artefact op gestructureerde wijze maken uit materialen met de daartoe meest geëigende gereedschappen.
          • Voor dat doel verschillende typen materialen, zoals hout, metaal, textiel en kunststof bewerken.
          • Voor dat doel verschillende typen verbindingen realiseren.
          • Een product demonteren, de technische conditie bepalen, onderhoud plegen en daarna weer assembleren.
          • In een klaslokaal kunnen werken met inachtneming van veiligheids- en gezondheidsvoorschriften.
           
        • Modelontwikkeling en -gebruik
          • Een model (maquette, technische tekening, mock-up of CAD-tekening) genereren waarin relevante eigenschappen van een technisch systeem op vereenvoudigde wijze zijn opgenomen.
          • Daarbij kunnen aangeven welke abstracties en idealiseringen zijn gebruikt ten opzichte van het echte systeem.
           
        • Redeneervaardigheden
          • Uit een fysieke structuur van een artefact afleiden hoe de werking zal zijn (oorzaak-gevolg redeneren).
          • Beredeneren of een beoogde functie voor een artefact door een gegeven mogelijke fysieke structuur (zowel vorm- als materiaaleigenschappen) kan worden gerealiseerd (doel-middel redeneren).
          Tussen niveaus van een technisch systeem (hoofdsysteem-deelsystemen) heen en weer redeneren ten aanzien van functie en werking.
        • Reken- en wiskundige vaardigheden
          • Bepaalde kwantitatieve eigenschappen van een constructie berekenen (b.v. lengte, oppervlakte, hoeken).
          • Overbrengingsverhouding bij een overbrenging berekenen.
          • Een resulterende kracht bij een hefboom berekenen.
           
        • Informatievaardigheden
          • Een eenvoudige projectietekening van een gegeven voorwerp maken.
           
        • Waarderen en oordelen
          • Een bestaand product beoordelen op gebruiksvriendelijkheid, functionaliteit en veiligheid.
          • Een verantwoorde beslissing te nemen over de aanschaf van een product op basis van een zelf opgesteld programma van eisen, bestaande uit ten minste:
            • functievervulling (incl. gebruiksvriendelijkheid)
            • kosten
            • veiligheid
            • duurzaamheid.
           
      • D2. Vakinhouden
        • Materialen
          • bb; kb/gl/tl
            De correcte benaming van bepaalde traditionele en nieuwe materialen, gereedschappen en bewerkingen geven
          • bb; kb/gl/tl
            Materiaaleigenschappen (mechanische, natuurkundige, chemische, technologische) benoemen en de manier waarop die gemeten worden Met behulp van deze kennis materialen herkennen
        • Energie
          • bb; kb/gl/tl
            Verschillende typen overbrengingen (bv hefbomen) benoemen Met die kennis concrete hefbomen indelen
          • bb; kb/gl/tl
            Kennis van het begrip rendement (in relatie tot energiebehoud in de natuurkunde)
        • Technische systemen
          • bb; kb/gl/tl
            Input, output en proces van een gegeven systeem benoemen
          • bb; kb/gl/tl
            De betekenis van de begrippen deelsysteem en feedback geven
          • bb; kb/gl/tl
            Verschillende typen functies benoemen: verbinden, scheiden, omzetten en opslaan van materie, energie en informatie Deze herkennen in concrete situaties
          • bb; kb/gl/tl
            Bij een technisch systeem feedbackmechanismen identificeren (minimaal bij de voorbeelden van thermostaat en toilet)
          • bb; kb/gl/tl
            Het verschil tussen functie en werking bij een technisch systeem benoemen
        • Wisselwerking technologie, natuurwetenschap en samenleving
          • bb; kb/gl/tl
            Belangrijke technologische ontwikkelingen op het gebied van transport, communicatie, productie, gebouwde omgeving en gezondheidszorg benoemen
          • bb; kb/gl/tl
            Toepassingsgebieden van techniek in verschillende beroepen benoemen, zowel in technische als in niet-technische beroepen
          • bb; kb/gl/tl
            Bepaalde normen tav gezondheid, milieu en arbeidsomstandigheden benoemen
          • bb; kb/gl/tl
            Benoemen hoe technische vindingen van invloed zijn op maatschappelijke ontwikkelingen en daar eenvoudige voorbeelden van kunnen noemen
        • Relevante contexten: verkeer en transport, telecommunicatie (media): gebouwde omgeving: biomedische technieken; kleding: biotechnologie; nanotechnologie
          • kb/gl/tl
            Een product maken en daarbij de keuze van gereedschappen en materialen uitleggen met behulp van vakinhouden (bijvoorbeeld het begrip ‘systeem’)
      • D3. Karakteristieke denkwijzen
        • Patronen
          • Materialen, gereedschappen en bewerkingen kunnen worden geclassificeerd op basis van relevante eigenschappen (b.v. onderscheiden in brandbare en niet-brandbare materialen; onderscheiden in soorten verbindingen)
        • Schaal, verhouding en hoeveelheid
          • Uit een schaaltekening kan worden afgeleid welke afmetingen het werkelijke product heeft.
           
        • Oorzaak en gevolg
          • Van een gegeven product kan op basis van oorzaak-gevolg relaties worden aangeven welke verschijnselen de werking verklaren.
           
        • Systemen en systeemmodellen
          • Bij een technisch systeem kan op basis van de relaties tussen de deelsystemen worden aangeven hoe de onderdelen (deelsystemen) samen een hoofdfunctie realiseren.
          • Een productiesysteem, een transportsysteem en een communicatiesysteem hebben elk specifieke hoofdonderdelen; dit geldt ook voor installaties in huis.
           
        • Behoud, transport en kringlopen van energie en materie
          • Van elk product kan een systeemanalyse gemaakt worden, waarin de materiestromen zijn aangegeven in de verschillende deelsystemen. 
           
        • Structuur en functie
          • Bij een gegeven productstructuur kan de functie en werking worden beschrijven.
           
        • Duurzaamheid
          • Bij het ontwerpen van techniek wordt rekening gehouden met onderhoud en recyclen (hergebruik van het hele product na reparatie en hergebruik van materialen na demontage).
           
        • Risico's en veiligheid
          • Van een gegeven product kan worden aangeven welke risico’s het gebruik van dit product met zich mee brengt.
           
  • Nask2
    • Materie
      • Waar het om gaat
        • Materie
          In het dagelijks leven gebruiken we heel veel stoffen en materialen voor allerlei doeleinden. Die stoffen en materialen kunnen voor specifieke doeleinden gebruikt worden vanwege de eigenschappen die ze hebben. Die eigenschappen bepalen waar ze voor gebruikt kunnen worden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen zuivere stoffen (bestaand uit één type atomen of moleculen) en mengsels van verschillende stoffen. Mengsels worden doorgaans gemaakt zodat de eigenschappen ervan aangepast kunnen worden voor de taak waar het voor gebruikt gaat worden. IJzer kan roesten, maar sommige andere metalen doen dat weer niet, bijmenging van andere metalen zoals nikkel en chroom (en ook koolstof) maakt ijzer tot roestvrij staal. Stoffen zijn vaak ook te herkennen op grond van de fase (vast, vloeibaar of gas) waarin ze verkeren bij kamertemperatuur (en normale druk 1 atm.) dan wel aan hun dichtheid.
           
          Kennis van eigenschappen van stoffen, materialen, chemische reacties en van chemische processen (ook op industriële schaal) en verklarende modellen is belangrijk voor een goed begrip van de grote verscheidenheid aan stoffen, materialen en processen en waar die in het dagelijks leven voor gebruikt kunnen worden.
           
      • Samenhang
        • Materie
          • met biologie: Eenheid in verscheidenheid;
          • met technologie: ontwerpen, eigenschappen van stoffen; metalen in toepassingen. schoonmaakmiddelen, kunststoffen;
          • met natuurkunde: Materie.
           
      • Integrale doelen
        • Materie
          De leerling kan:
          1. een experimenteel onderzoek opzetten en uitvoeren om gegevens te verzamelen over eigenschappen van stoffen en materialen;
          2. met het deeltjesmodel eigenschappen van stoffen (mengsels en zuivere stoffen) en scheidingsmethodes illustreren;
          3. via experimenten een overzicht maken van eigenschappen van stoffen om ons heen (water, metalen, kunststoffen) en hun toepassingen;
          4. beschrijven dat er bij die stoffen patronen in hun eigenschappen zijn aan te wijzen;
          5. in beeld brengen van de kringloop van water met aandacht voor watergebruik, (water)footprint en kwaliteit van water;
          6. modellen ontwerpen en testen en opschalen tot industrieel niveau (shampoo, drop, olie en azijn mengsel, en een waterzuiveringsinstallatie).
           
          Relevante contexten: gebruik van stoffen en materialen in en rond het huis (water, schoonmaakmiddelen, zout, bakpoeder en andere stoffen in de keuken, frisdranken, metalen, gebruiksvoorwerpen, industriële processen); verbranden; blusdriehoek
           
      • D1. Karakteristieke werkwijzen
        • Modelontwikkeling en -gebruik
          • Opzetten van een grafische voorstelling van een stof in drie fases (vast, vloeistof, gas) en de invloed die de verandering in temperatuur hier op heeft. 
        • Onderzoeken
          • Met een experiment vaststellen hoe mengsels van stoffen gescheiden kunnen worden in hun componenten 
          • Met een experiment vaststellen welke metalen roesten en welke niet. 
          • Onderzoek doen naar de hoeveelheid water die elke leerling per dag gebruikt, en die vergelijken met het gemiddelde gebruik. 
          • Foto’s maken van de pictogrammen voor chemische stoffen die je in het dagelijks leven tegen komt, en toelichten waar ze voor staan.
           
        • Ontwerpen
          • Maken of aanpassen van een product op basis van zelf geformuleerde eisen (zoals shampoo, drop, olie en azijn mengsel met mosterd als emulgator.
          • Aspecten van het opschalen van een van deze producten  tot industriële schaal in kaart brengen.
          • Ontwerpen, testen en verbeteren van een eenvoudig werkend model van een waterzuiveringsinstallatie op basis van zelf geformuleerde eisen.
           
        • Informatievaardigheden
          • Beeldmateriaal bekijken van staalproductie en (schematisch) weergeven hoe het proces van opgraven van erts tot eindproduct verloopt.
          • Van schoonmaakmiddelen de informatie op de flacons gebruiken om te zien hoe de werking van deze middelen van elkaar verschilt dan wel hetzelfde is.
          • Communiceren over eigenschappen van materialen gebruikmakend van vaktaal. 
        • Waarderen en oordelen
          • Aan de hand van verslagen van recente incidenten in de chemische industrie beschrijven wat de toedracht was, welke stoffen betrokken waren, en hoe het incident mogelijk voorkomen had kunnen worden.
      • D2. Vakinhouden
        • Eigenschappen
          • bb; kb/gl/tl
            Een aantal (stof)eigenschappen benoemen en herkennen, waaronder kleur, oplosbaarheid in water, elektrische geleiding, kookpunt, smeltpunt) en fase bij kamertemperatuur
          • bb; kb/gl/tl
            Onderscheiden van drie stoffen aan de hand van hun eigenschappen
          • bb; kb/gl/tl
            Begrijpen van pictogrammen en etiketten (mate van brandbaarheid en giftigheid), en van H- en P-zinnen
          • bb; kb/gl/tl
            Herkennen en ordenen van stoffen aan de hand van warmtegeleiding, brandbaarheid en mengbaarheid
          • kb/gl/tl
            Uitleggen dat de dichtheid verandert bij veranderende temperatuur
        • Zuiver of gemengd
          • bb; kb/gl/tl
            Het begrip zuivere stof op macroscopisch niveau definiëren
          • bb; kb/gl/tl
            Een aantal zuivere stoffen benoemen en herkennen
          • bb; kb/gl/tl
            Onderscheiden van bekende stoffen in zuivere stoffen en mengsels en van de mengsels de bestanddelen benoemen
          • kb/gl/tl
            Soorten mengsels benoemen en beschrijven: suspensie, oplossing en legering, emulsie, schuim, rook, en nevel
          • kb/gl/tl
            Benoemen en beschrijven van de scheidingsmethodes bezinken en afschenken, filtreren en indampen (bv bij zoutwinning)
        • Stoffen om ons heen
          • bb
            Benoemen waar je water tegenkomt en waar je het voor gebruikt (waaronder kraanwater, regenwater, zeewater)
          • bb
            Productie en distributie van drinkwater beschrijven
          • bb
            Kringloop in het gebruik van water beschrijven
          • bb
            Indeling benoemen in edele en onedele metalen en bij elke soort een aantal voorbeelden noemen
          • bb
            Gebruik van metalen beschrijven, lettend op hun eigenschappen waaronder dichtheid
          • bb
            Van metalen aantal methodes ter bescherming tegen corrosie herkennen en beschrijven
          • bb
            Van kunststoffenmeen aantal eigenschappen van thermoplasten, thermoharders, composieten en elastomeren herkennen en benoemen
          • bb; kb/gl/tl
            Gebruik van kunststoffen benoemen, lettend op hun eigenschappen (waaronder elasticiteit, sterkte, hardheid en mogelijkheid tot hergebruik)
          • kb/gl/tl
            benoemen waar je water tegenkomt en waar je het voor gebruikt (waaronder kraanwater, regenwater, zeewater)
          • kb/gl/tl
            productie en distributie van drinkwater beschrijven
          • kb/gl/tl
            kringloop in het gebruik van water beschrijven
          • kb/gl/tl
            indeling benoemen in edele en onedele metalen en bij elke soort een aantal voorbeelden noemen
          • kb/gl/tl
            gebruik van metalen beschrijven, lettend op hun eigenschappen waaronder dichtheid
          • kb/gl/tl
            van metalen aantal methodes ter bescherming tegen corrosie herkennen en beschrijven
          • kb/gl/tl
            van kunststoffenmeen aantal eigenschappen van thermoplasten, thermoharders, composieten en elastomeren herkennen en benoemen
        • Bouw van stoffen
          • bb; kb/gl/tl
            Zuivere stof en mengsel herkennen op deeltjes niveau
        • Chemische reacties
          • bb; kb/gl/tl
            Het begrip chemische reactie herkennen
          • bb; kb/gl/tl
            Van een reactie reactieschema opstellen
          • bb; kb/gl/tl
            Een aantal chemische reacties in en rond het huis benoemen en herkennen
        • Verbranding
          • bb
            De drie voorwaarden voor verbranding benoemen en herkennen in eenvoudige situaties
          • bb
            (Simpele) blusmethodes, benoemen en uitleggen waardoor elke methode succesvol is
          • bb; kb/gl/tl
            Onderkennen van de gevaren van (zeer) onvolledige verbranding (en wat te doen bij vergiftiging ten gevolge daarvan)
          • kb/gl/tl
            De drie voorwaarden voor verbranding benoemen en herkennen in eenvoudige situaties (zoals verschillende zuurstofleveranciers)
          • kb/gl/tl
            (Simpele) blusmethodes, ook enige minder voor de hand liggende, benoemen en uitleggen waardoor elke methode succesvol is
      • D3. Karakteristieke denkwijzen
        • Patronen
          • Stoffen kunnen worden ingedeeld in groepen met bepaalde eigenschappen.
          • Metalen zijn te verdelen in edele en onedele metalen.
           
        • Oorzaak en gevolg
          • Een reactie tussen stoffen heeft een oorzaak: bijvoorbeeld het roesten van ijzer (reactie van ijzer met zuurstof en water), omdat het een onedel metaal is.
        • Schaal, verhouding en hoeveelheid
          • Deeltjes van een stof zijn vaak zo klein dat ze niet met het blote oog maar ook niet onder een microscoop te zien zijn.  
           
        • Behoud, transport en kringlopen van energie en materie
          • Chemische reacties beschrijven als processen waarbij geen massa gecreëerd wordt of verloren gaat (behoud van massa).
          • Chemische reacties beschrijven als processen waarbij elementen/atomen behouden blijven.
          • Inzien dat het water dat wij drinken onderdeel is van de waterkringloop.
           
        • Duurzaamheid
          • Inzien dat het gebruik van water invloed heeft op de kwaliteit van drinkwater (zogenaamde footprint van water).
           
        • Risico's en veiligheid
          • Sommige chemische reacties kunnen giftige en corrosieve producten als resultaat hebben. Aandacht voor hoe daar mee om te gaan tijdens een practicum is belangrijk.
          • Transport (maar ook opslag en gebruik) van grote hoeveelheden chemische stoffen (zoals in de chemische industrie) vereisen specifieke maatregelen om de veiligheid ervan te waarborgen (risicoanalyse, voorzorgsmaatregelen zoals gescheiden opslag van reagerende stoffen). 
          • Pictogrammen worden gebruikt om bij opslag, vervoer en gebruik over chemische stoffen te informeren.
          • In de EU gelden voor chemische stoffen gevarenaanduidingen (zogenaamde H-zinnen, met de H van 'hazard') en voorzorgsmaatregelen (zogenaamde P-zinnen, met de P van 'precaution').
  • Nask1
    • Kracht en beweging
      • Waar het om gaat
        • Kracht en beweging
          Het is nog geen vier eeuwen geleden dat duidelijk werd dat krachten in het heelal van dezelfde aard zijn als op aarde. De bewegingswetten uit die tijd maken het mogelijk te begrijpen hoe bewegingen onderhevig zijn aan krachten. Het gaat dan om bewegingen van planeten, manen en satellieten, maar ook om bewegingen in het verkeer en in sport en het functioneren van gereedschappen die handig gebruik maken van krachten.
           
          Kennis op dit gebied is niet alleen van belang om verschijnselen op aarde en in de ruimte beter te begrijpen, maar ook om energie te besparen en om veiliger te kunnen handelen (bijvoorbeeld in het verkeer het gebruik van veiligheidsgordels, het aanpassen van rijgedrag aan weersomstandigheden, voldoende afstand houden en zuinig rijden). Voor het ontwerpen en construeren van gereedschappen en objecten zoals bruggen is kennis van de werking van krachten essentieel.
           
          De kennis uit de natuurkunde die essentieel is voor inzicht op dit gebied zijn begrippen als eenparige beweging, snelheid, versnelling, massa en kracht. Krachten doen zich voor in verschillende vormen en zijn nodig voor het veranderen van snelheid in richting en/of grootte. Er kan sprake zijn van krachten die op afstand werken, zoals de zwaartekracht en magnetische krachten, maar ook van krachten door direct contact, zoals bij druk- en trekkrachten.
           
          Als een voorwerp niet kan bewegen, bijvoorbeeld een noot in een notenkraker, kan het door de kracht van vorm veranderen of zelfs uit elkaar vallen. Vaak ondervindt een voorwerp meerdere krachten die kunnen worden samengenomen tot één resulterende kracht die een verandering van beweging bepaalt.
           
      • Samenhang
        • Kracht en beweging
          • binnen natuurkunde: Energie, Materie;
          • met biologie: Instandhouding  (ontwikkeling, bewegen);
          • met fysische geografie: natuurkrachten (onder andere in context van aardbevingen, vulkanisme, getijden), seizoenen, maanstanden;
          met technologie: constructies, voertuigen
      • Integrale doelen
        • Kracht en beweging
          De leerling kan:
          1. een aantal experimentele onderzoeken uitvoeren waarbij gegevens verzameld worden over diverse soorten krachten, zoals zwaartekracht, wrijvingskracht en magnetische kracht;
          2. met een experiment het verband tussen afstand, snelheid en tijd aantonen, gebruik maken van tabel en grafiek;
          3. met een model of tekening van ons zonnestelsel de bewegingen van aarde, maan en planeten uitleggen;
          4. met een demonstratie laten zien dat de druk vermindert als een kracht wordt verdeeld over een groter oppervlak;
          5. met een onderzoek aantonen hoe de remweg van een voertuig (bijvoorbeeld een fiets) afhangt van de beginsnelheid van dat voertuig;
          6. aan de hand van verzamelde informatie uit diverse bronnen een beschrijving geven van relevante aspecten op het gebied van veiligheid en duurzaamheid.
           
          Relevante contexten: transport (verkeer); veiligheid (constructies, verkeersveiligheid); wereldbeeld(zonnestelsel).
           
      • D1. Karakteristieke werkwijzen
        • Modelontwikkeling en -gebruik
          • Tekenen of bouwen van een model van het zonnestelsel. 
          • Tekenen van een kracht als een pijl met een aangrijpingspunt, grootte en richting.
           
        • Onderzoeken
          • Experimenteel onderzoek doen naar de werking van diverse soorten krachten (wrijvingskracht, magnetische kracht).
          • Experimenteel onderzoek doen naar het verband tussen snelheid, afstand en tijd.
           
        • Ontwerpen
          • Met de kennis van krachten en de sterkte van materialen een product/toestel/voertuig ontwerpen(zie ook kennisbasis technologie).
           
        • Informatievaardigheden
          • Met een bronnenonderzoek gegevens verzamelen over de grootte van massa's  (mens, brug, auto).
          • Met een bronnenonderzoek gegevens verzamelen over de grootte van snelheden van verschillende voertuigen(raket, vliegtuig, auto, fiets, lopende mens).
           
        • Redeneervaardigheden
          • Een verband leggen tussen inhoudelijke onderwerpen uit D2 en denkwijzen uit D3.
           
        • Reken- en wiskundige vaardigheden
          • Rekenen met de formule p=F/A.
          • De gemiddelde snelheid bij gegeven afstand en tijd berekenen met gebruik van eenheden. 
          • Construeren van st- en vt-diagrammen aan de hand van metingen.
           
        • Waarderen en oordelen
          • Mediaberichten over zuinig en veilig rijden bestuderen en analyseren waarin de standpunten verschillen en welke belangen een rol spelen.
           
      • D2. Vakinhouden
        • Kracht
          • bb
            Soorten krachten in verschillende contexten (zwaartekracht, wrijvingskracht, magnetische kracht) herkennen
          • bb; kb/gl/tl
            Herkennen dat een kracht nodig is voor een verandering van snelheid (botsing, veiligheidsgordels, hoofdsteunen)
          • bb
            De druk als uitoefenende kracht op een oppervlak beschrijven (spijker, ski, rupsbanden)
          • kb/gl/tl
            Soorten krachten in verschillende contexten (zwaartekracht, wrijvingskracht, magnetische kracht, trek- en drukkracht) herkennen
          • kb/gl/tl
            Het verschil tussen massa en zwaartekracht uitleggen
          • kb/gl/tl
            De druk als uitoefenende kracht op een oppervlak beschrijven (spijker, ski, rupsbanden) en kunnen uitrekenen
        • Beweging
          • bb
            Eenparige beweging herkennen
          • bb; kb/gl/tl
            De gemiddelde snelheid bepalen bij een gegeven afstand en tijdsduur
          • kb/gl/tl
            Eenparige beweging, versnellen en vertragen herkennen
          • kb/gl/tl
            Orde van grootte van snelheden herkennen in een situatie (vliegtuig, trein, fiets)
        • Kracht en beweging bij mensen, verkeer, transport van goederen, zonnestelsel
          • bb
            Veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van letsel in het verkeer (valhelm, autogordels, kreukelzone, airbag, hoofdsteun) noemen
          • bb; kb/gl/tl
            De gevolgen van krachten in het verkeer (botsingen, vervormingen) noemen
          • kb/gl/tl
            Veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van letsel in het verkeer (valhelm, autogordels, kreukelzone, airbag, hoofdsteun) noemen en uitleggen
          • kb/gl/tl
            Het verband tussen stopafstand, remweg en reactieafstand toepassen
          • kb/gl/tl
            Onderdelen van het zonnestelsel noemen en uitleggen (planeetbanen, maan-aardestelsel, satellieten)
          • kb/gl/tl
            Herkennen dat de beweging van de aarde om de zon en van de maan om de aarde natuurverschijnselen veroorzaken
      • D3. Karakteristieke denkwijzen
        • Patronen
          • Planeten cirkelen met regelmaat om de zon.
          • De seizoenen op aarde zijn een jaarlijks terugkerend patroon veroorzaakt door de beweging van de aarde(met een schuine aardas) om de zon.
           
        • Schaal, verhouding en hoeveelheid
          • Stel je de zon voor als een grote skippybal van 90 cm doorsnede. Dan zijn Mercurius en Mars peperkorrels, en Venus en de Aarde zijn doperwtjes.  
           
    • Energie
      • Waar het om gaat
        • Energie vmbo
          Energie speelt een belangrijke rol in alle sectoren van de samenleving. Vervoer, gezondheidszorg, industrie en communicatie zijn ondenkbaar zonder gebruik te maken van energie. Ook het dagelijks leven zou aanzienlijk veranderen zonder de beschikbaarheid van energiebronnen.
           
          Het gebruik van energie is echter niet zonder problemen. Voorraden van brandstoffen als gas en olie zijn maar beperkt beschikbaar, duurzame energiebronnen (zoals zon en wind) zijn nog niet in staat voldoende energie te leveren, kernenergie is niet onomstreden en fusie-energie kan nog lang niet productief gemaakt worden. Daarnaast stijgt het energieverbruik in ontwikkelingslanden snel en veroorzaakt het gebruik van fossiele brandstoffen een sterke toename van kooldioxide in de atmosfeer, hetgeen het broeikaseffect bevordert, met mogelijk nare milieugevolgen. Door de toenemende vraag stijgen de kosten van energie aanzienlijk.
           
          Verstandig omgaan met energie is daarom belangrijk, zowel op (inter)nationaal niveau als in het dagelijks leven. Dat vraagt om kennis en vaardigheden bij het nemen van beslissingen en het omgaan met risico’s voor individu en samenleving. Voorbeelden van belangrijke kennis op dit gebied zijn de aard van verschillende energiebronnen en hun voor- en nadelen. Daarnaast is kennis en inzicht in energie van belang als het gaat om technologische toepassingen.
           
          Vanuit de natuurkunde is de wet van behoud van energie bij energieomzetting fundamenteel. Natuurkundige begrippen als warmte, temperatuur, warmtegeleiding, vermogen, energie, rendement, stroomsterkte, weerstand en spanningsverschil, maken het mogelijk energiesystemen - zowel in huis als daarbuiten - te analyseren en te beoordelen. Inzicht in fysische verschijnselen en processen waarin de genoemde begrippen een belangrijke rol spelen, is daarbij van groot belang.
           
      • Samenhang
        • Energie vmbo
          • binnen natuurkunde: alle domeinen;
          • met biologie: verbranding, voedsel, bloedsomloop, metabolisme;
          • met technologie: energie;
          • met scheikunde: chemische reacties;
          • met fysische geografie: energie (in context van aardbevingen, vulkanisme, getijden).
           
      • Integrale doelen
        • Energie vmbo
          De leerling kan:
          1. gegevens verzamelen en informatie geven over Nederland en haar energievoorziening, bijvoorbeeld over de vormen van (groene) energie, de hoeveelheid energie(per huis, stad, land) , het energietransport en de belasting voor het milieu;
          2. onderzoek doen naar het vermogen en energieverbruik van gelijksoortige apparaten en deze vergelijken op zuinig energieverbruik;
          3. met behulp van een schematische tekening de werking van een cv-installatie uitleggen , waarbij verbranding, diverse vormen van warmtetransport en isolatiemaatregelen aan de orde komen;
          4. een schakeling bouwen met een aantal lampjes(parallel, in serie) en een schakelaar;
          5. door metingen in diverse elektrische schakelingen (onder andere parallel en serie) de relatie tussen stroomsterkte en spanning onderzoeken;
          6. met behulp van een (schematisch) model van een huisinstallatie de werking en de toegepaste veiligheidsmaatregelen(aardlekschakelaar) uitleggen;
          7. onderzoek doen naar het gebruik van isolatiematerialen en een verband leggen tussen vorm, functie en toepassing, bijvoorbeeld bij spouwmuurisolatie of een thermoskan;
          8. de werking van een magneet demonstreren en uitleggen met een tekening.
           
          Relevante contexten: duurzaamheid ((duurzame) energiebronnen, energieopwekking en –verbruik (warmte, elektriciteit), aarde en atmosfeer, energielabels, isolatie); veiligheid (elektriciteit); transport (energiegebruik in verkeer).
           
      • D1. Karakteristieke werkwijzen
        • Modelontwikkeling en -gebruik
          • Met een model de werking van een cv-installatie demonstreren.
          • In een elektrisch schakelschema parallel en in serie geschakelde lampjes weergeven met de juiste symbolen.
           
        • Onderzoeken
          • Experimenteel onderzoek doen naar het verband tussen spanning en stroomsterkte in een schakeling.
          • Onderzoek doen naar het energieverbruik van diverse apparaten.
           
        • Ontwerpen
          • Ontwerpen van een apparaat om de omzetting van de ene vorm van energie naar een andere vorm te illustreren(zie ook kennisbasis technologie). 
           
        • Informatievaardigheden
          • Informatiemateriaal zoeken en gebruiken bij vragen over duurzame energiebronnen in vergelijking met conventionele energiebronnen.
           
        • Redeneervaardigheden
          • Een verband leggen tussen inhoudelijke onderwerpen uit D2 en denkwijzen uit D3, bijvoorbeeld stroomgeleiding levert veiligheidsrisico's op voor mensen.
           
        • Reken- en wiskundige vaardigheden
          • Rekenen met energie, vermogen en tijd (E=P.t).
           
        • Waarderen en oordelen
          • Energielabels beoordelen op hun betrouwbaarheid en doelmatigheid.
           
      • D2. Vakinhouden
        • Vormen van energie, energieomzetting, transport, opwekking, rendement, vermogen
          • bb; kb/gl/tl
            Energiesoorten kunnen noemen, waaronder bewegings-, zwaarte-, kernenergie, elektrische en chemische energie, warmte, licht, straling
          • bb; kb/gl/tl
            Energieomzettingen herkennen en met voorbeelden toelichten
          • bb; kb/gl/tl
            Een aantal energiebronnen herkennen
          • kb/gl/tl
            Verschillende manieren van energieopwekking en energieopslag beschrijven
        • Verbranden en verwarmen
          • bb
            Tussen 'nuttige' energie en 'toegevoerde' energie onderscheid maken
          • bb; kb/gl/tl
            Met behulp van de energielabels voor diverse (huishoudelijke) apparaten een keuze maken
          • bb; kb/gl/tl
            Verschillende manieren van warmtetransport (geleiding, stroming, straling) en isolatie beschrijven
          • bb; kb/gl/tl
            Beschrijven welke ingrediënten nodig zijn voor verbranding
          • bb; kb/gl/tl
            Van volledige en onvolledige verbranding voorbeelden noemen
          • bb; kb/gl/tl
            Verwarmen kan leiden tot temperatuurverhoging of faseovergang
          • kb/gl/tl
            De manier waarop energie getransporteerd wordt beschrijven
          • kb/gl/tl
            Tussen 'nuttige' energie en 'toegevoerde' energie onderscheid maken en het rendement berekenen
          • kb/gl/tl
            Tussen verbranding van stoffen en het milieu verbanden noemen (broeikaseffect, smog, zuiveren van afvalgassen)
        • Elektriciteit en magnetisme
          • bb
            Spanningsbronnen noemen en herkennen als energiebron
          • bb
            Verschillende soorten stroomkringen herkennen
          • bb; kb/gl/tl
            De V- en A-meter in een schakeling gebruiken
          • bb; kb/gl/tl
            De eenheid kWh gebruiken als eenheid voor energie
          • bb; kb/gl/tl
            Het gebruik van een kWh-meter in een huisinstallatie met apparaten beschrijven
          • bb; kb/gl/tl
            Eigenschappen van elektrische geleiders en isolatoren en een aantal van hun toepassingen noemen
          • bb
            De werking en het gebruik van magneten herkennen
          • bb; kb/gl/tl
            Zekering en aardlekschakelaar in de context van veiligheid beschrijven
          • kb/gl/tl
            Stroomsterkte en spanning beschrijven
          • kb/gl/tl
            Spanningsbronnen noemen en herkennen als energiebron, en de functie ervan uitleggen
          • kb/gl/tl
            Verschillende soorten stroomkringen herkennen en uitleggen
          • kb/gl/tl
            De werking en het gebruik van magneten herkennen en beschrijven
        • Energie in de toekomst
          • bb; kb/gl/tl
            Energiebronnen((brandstoffen [kolen, olie, gas, hout, biomassa], waterkracht, wind, zon)) herkennen en het gebruik voor de mens en de voor- en nadelen ervan beschrijven
          • kb/gl/tl
            De productie van (duurzame) energie beschrijven
      • D3. Karakteristieke denkwijzen
        • Schaal, verhouding en hoeveelheid
          • Een kolen-energiecentrale levert elektriciteit aan honderdduizenden huishoudens. Eén grote windturbine levert elektriciteit op voor duizenden huishoudens.
           
        • Oorzaak en gevolg
          • Verwarmen van een stof kan leiden tot temperatuurverhoging of faseovergang.
           
        • Structuur en functie
          • Vorm, materiaal en functie van (verwarmings)toestellen relateren aan gebruik in bepaalde situaties, zoals straalkachel of zonnepanelen.
          • Relatie vorm, functie en materiaal bij isolatiematerialen.
           
        • Stabiliteit en verandering
          • Bij een energieomzetting verandert de energiesoort, maar de energiehoeveelheid blijft behouden.
           
        • Systeem en systeemmodellen
          • De centrale verwarming als een systeem met terugkoppeling waarmee de temperatuur in huis constant kan worden gehouden.
           
        • Behoud, transport en kringlopen van energie en materie
          • Bij fysische processen is er sprake van behoud van energie. Veelal wordt er veel energie omgezet in warmte.
           
        • Duurzaamheid
          • Energielabels op apparaten, auto's en woningen helpen de consument om doelmatiger om te gaan met energie.
           
        • Risico's en veiligheid
          • Het menselijk lichaam bevat ongeveer 65% water waarin allerlei bestanddelen zijn opgelost zoals zouten, eiwitten, suikers enz. Hierdoor wordt het menselijk lichaam geleidend voor elektrische stroom.
          Het menselijk lichaam verdraagt niet voor langere tijd temperaturen boven 314 K
    • Materie
      • Waar het om gaat
        • Materie
          In het dagelijks leven gebruiken we heel veel materialen voor allerlei doeleinden. Die materialen zijn gemaakt van stoffen die bepaalde karakteristieke eigenschappen hebben (de zogenaamde stofeigenschappen). Die eigenschappen bepalen waar stoffen voor gebruikt kunnen worden. Zo gebruiken we glas (transparant, stevig) voor ruiten, aluminium (licht, sterk) voor velgen van fietsen, hout (sterk, gemakkelijk te bewerken) voor meubels en koper (goede stroomgeleider, buigzaam) voor elektriciteitsdraden.
           
          Stoffen komen voor als zuivere stoffen, maar ook als mengsels. We gebruiken natriumchloride als keukenzout omdat het zout smaakt, maar ook omdat het goed in water oplost. In de winter wordt natriumchloride gebruikt als strooizout om de wegen sneeuwvrij en minder glad te maken. Dit is vanwege de eigenschap van natriumchloride het vriespunt van water te verlagen.
           
          Water is een vloeistof (onder normale omstandigheden) waar veel stoffen in kunnen oplossen. Daarnaast speelt het een belangrijke rol als drinkwater en kennen we de zogenaamde waterkringloop die invloed heeft op het weer en op het klimaat. Waterzuiveringsinstallaties verwijderen overtollige hoeveelheden stoffen in rioolwater voor het op rivieren geloosd wordt. Dat water komt dan weer in de waterkringloop terecht.
           
      • Samenhang
        • Materie
          • binnen natuurkunde: alle domeinen;
          • met biologie: Biologische eenheid;
          • met technologie: alle domeinen;
          • met scheikunde: Materie
      • Integrale doelen
        • Materie
          De leerling kan:
          1. een experimenteel onderzoek uitvoeren om gegevens te verzamelen over eigenschappen van stoffen en materialen (bijvoorbeeld kookpunt, smeltpunt, elektrische geleiding) en daarbij patronen herkennen;
          2. met een molecuulmodel de fases van stoffen illustreren;
          3. door onderzoek de dichtheid van een aantal vaste stoffen bepalen (bijvoorbeeld van kurk, aluminium, lood) en daarbij de orde van grootte toelichten;
          4. met een experiment en berekening van dichtheden van stoffen aantonen of een voorwerp zinkt, zweeft of drijft in water;
          5. in een onderzoek de juiste scheidingsmethoden kiezen om mengsels te scheiden in hun componenten;
          6. met een schematische tekening de kringloop van water in beeld brengen;
          7. aan de hand van verzamelde informatie uit diverse bronnen een beschrijving geven van relevante aspecten op het gebied van veiligheid en duurzaamheid.
           
          Relevante contexten: materialen in en rond het huis (water, schoonmaakmiddelen, gebruiksvoorwerpen, apparaten); duurzaamheid (hergebruik, watergebruik); veiligheid (ziekteverwekkende stoffen); beroepscontexten (bouw, metaal, verzorging).
           
      • D1. Karakteristieke werkwijzen
        • Modelontwikkeling en -gebruik
          • Met een schematische tekening, bijvoorbeeld in een driehoek, de fases en faseovergangen van een stof weergeven.
           
        • Onderzoeken
          • Door onderzoek de dichtheid bepalen van verschillende vaste stoffen. 
          • Onderzoek doen naar het zinken, zweven en drijven van stoffen in water in relatie tot de dichtheid van deze stoffen.
          • Met onderzoek aantonen dat mengsels van stoffen gescheiden kunnen worden in hun bestanddelen.
           
        • Ontwerpen
          • Voor een technisch probleem een ontwerp maken en met het programma van eisen op grond van eigenschappen de juiste materialen kiezen, met aandacht voor duurzaamheid(zie ook kennisbasis technologie).
          • Ontwerpen van een nieuw pictogram voor de aanduiding van zeer brandbare stoffen.
        • Informatievaardigheden
          • Van een aantal (nieuwe) materialen toepassingen zoeken op basis van eigenschappen als bijvoorbeeld de geleiding van elektriciteit, de geleiding van warmte of brandbaarheid.
           
        • Redeneervaardigheden
          • Een verband leggen tussen inhoudelijke onderwerpen uit D2 en denkwijzen uit D3.
        • Reken- en wiskundige vaardigheden
          • Bij gegeven massa en volume de dichtheid van een stof berekenen met de formule dichtheid = massa/volume (p=m/V) 
        • Waarderen en oordelen
          • Diverse producten en/of materialen beoordelen op veiligheid en duurzaamheid, mede met behulp van bijgevoegde informatie.
      • D2. Vakinhouden
        • Eigenschappen
          • bb; kb/gl/tl
            Een aantal (stof)eigenschappen benoemen en herkennen, waaronder kleur, geur, oplosbaarheid in water, elektrische geleiding, kookpunt, smeltpunt
          • bb; kb/gl/tl
            Begrijpen van pictogrammen en etiketten (mate van brandbaarheid, giftigheid)
          • bb; kb/gl/tl
            Herkennen dat stoffen een verschillende dichtheid hebben
          • bb; kb/gl/tl
            Herkennen van stoffen aan de hand van warmtegeleiding en brandbaarheid
          • kb/gl/tl
            Aan de hand van de dichtheid van stoffen uitleggen of voorwerpen zinken, zweven of drijven
        • Stoffen om ons heen
          • bb; kb/gl/tl
            De kringloop van water beschrijven
          • bb; kb/gl/tl
            Productie (winning, zuivering) en distributie van drinkwater beschrijven
          • kb/gl/tl
            Een aantal schoonmaakmiddelen met bijbehorende toepassingen benoemen en herkennen
        • Bouw van stoffen
          • kb/gl/tl
            Gedrag van moleculen in de verschillende fasen herkennen
          • kb/gl/tl
            Onderscheid tussen atoom en molecuul kennen
      • D3. Karakteristieke denkwijzen
        • Patronen
          • Stoffen kunnen worden ingedeeld in groepen met bepaalde eigenschappen, bijvoorbeeld geleiders en niet-geleiders.
           
        • Oorzaak en gevolg
          • Stoffen kunnen worden ingedeeld in groepen met bepaalde eigenschappen, bijvoorbeeld geleiders en niet-geleiders.
           
        • Schaal, verhouding en hoeveelheid
          • Moleculen zijn zo klein dat zij niet met een microscoop te zien zijn. 
          • De dichtheden van vaste stoffen lopen uiteen van heel erg klein (bijvoorbeeld kurk 0,25 kg/dm3) tot heel groot(lood 11,3 kg/dm3 of platina 21,5 kg/dm3).
           
        • Systemen en systeemmodellen
          • De waterkringloop is een systeem dat reageert op invloeden van buitenaf waardoor het harder of zachter kan regenen.
           
        • Behoud, transport en kringlopen van energie en materie
          • Materie gaat niet verloren. Het is mogelijk materie te hergebruiken van 'cradle to cradle'.
          • Energie kan niet verloren gaan.
           
        • Duurzaamheid
          • Het gebruik van water heeft invloed op de kwaliteit van drinkwater (zogenaamde footprint van water).
          • Bij de keuze van materiaal voor een bepaalde vorm en functie moet ook lang meegaan en afbreekbaarheid meegewogen worden.  
          • Hergebruik en recycling zorgen dat materialen c.q. grondstoffen lang in de gebruikscyclus blijven. Er is minder beslag op nieuwe grondstoffen nodig.
           
        • Structuur en functie
          • Gekozen materialen moeten passen bij de functie waarvoor het gebruikt wordt.
           
        • Risico's en veiligheid
          • Kenmerkend voor de risico’s van gevaarlijke stoffen is dat de gevolgen vaak wel ernstig, maar niet altijd direct zichtbaar of merkbaar zijn. Blootstelling aan asbest bijvoorbeeld, kan jaren later longvlieskanker veroorzaken.
    • Licht, geluid en straling
      • Waar het om gaat
        • Licht, geluid en straling
          Zonder zon geen dag en nacht. Vanaf het begin van de geschiedenis hebben mensen zich afgevraagd wat licht nu eigenlijk is. Hoe komt het dat sommige voorwerpen gekleurd, wit of zwart zijn? Hoe ontstaan regenbogen, waarom hebben we een bril nodig en hoe kunnen we zeer kleine voorwerpen en details op de maan toch zien?
           
          Vergelijkbare vragen kunnen gesteld worden over geluid. Hoe wordt geluid opgewekt en hoe plant het zich voort? Hoe kunnen we geluid horen? Hoe kunnen we muziek horen en maken? Is er geluid op de maan?
           
          Antwoorden op dit soort vragen zijn interessant, maar nog belangrijker is dat inzicht in de aard van licht, geluid en straling noodzakelijk is om te begrijpen hoe bronnen en detectieapparaten werken, hoe ze verstandig en veilig kunnen worden gebruikt en hoe bescherming mogelijk is tegen geluidshinder, verblinding en ongewenste effecten van onzichtbare straling. Te denken valt aan muziekinstrumenten, geluidsapparatuur, camera’s, verrekijkers en medische toepassingen.
           
          Essentieel is het onderscheid tussen bron, medium en ontvanger. Licht en geluid zijn golfverschijnselen, gekenmerkt door begrippen als frequentie, trillingstijd, golflengte, snelheid en amplitude. Verschijnselen zoals kleuren, hoge en lage tonen, klanken van muziekinstrumenten, en spiegeling en breking kunnen met genoemde begrippen worden verklaard. Licht kan zich verplaatsen in vacuüm, gassen, vloeistoffen en vaste stoffen, maar geluid plant zich niet voort in een vacuüm, wel in de andere soorten media.
           
          De werking van oor en oog zijn essentieel om te begrijpen waarom en wat we kunnen horen en zien en hoe effectief correcties kunnen worden aangebracht wanneer oor en oog niet (meer) goed functioneren.
           
      • Samenhang
        • Licht, geluid en straling
          • binnen natuurkunde: Materie, Energie, beweging;
          • met biologie: de anatomie en werking van het oog (waarnemen, signaalverwerking in hersenen, gezichtsbedrog), gehoor en gehoorschade, straling en gezondheid;
          • met scheikunde: chemische reacties onder invloed van licht (fotosynthese;)
          • met technologie: geluidsapparatuur, optische hulpmiddelen, medische hulpmiddelen.
           
      • Integrale doelen
        • Licht, geluid en straling
          De leerling kan:
          1. een experiment uitvoeren waarbij de schaduw van verschillende voorwerpen wordt getekend of geconstrueerd; 
          2. tekenen of construeren van het beeld van een voorwerp dat vóór een vlakke spiegel staat;
          3. het beeld vormen van een voorwerp dat vóór een bolle lens staat en dit schematisch op papier tekenen;
          4. aan de hand van een model een uitleg geven voor lichtverschijnselen met de eigenschappen van licht, zoals lichtbreking en de werking van het oog;
          5. door bronnenonderzoek een overzicht maken waarin stralingsbronnen worden beschreven, met aandacht voor verschillende soorten straling, hun toepassingen en de risico's; 
          6. een onderzoek uitvoeren naar de werking van een snaarinstrument, waaronder het verband tussen toonhoogte en de lengte van de snaar;
          7. in een concrete situatie van geluidshinder de mate van geluidsoverlast onderzoeken en een advies formuleren ter verbetering van de situatie.
           
          Relevante contexten: communicatie (spraak, muziek); gezondheid (geluidshinder, medische toepassingen, optische hulpmiddelen); veiligheid (radioactieve straling).
           
      • D1. Karakteristieke werkwijzen
        • Modelontwikkeling en -gebruik
          • Op schaal construeren van de schaduw als licht van één puntbron op een voorwerp valt.
          • Construeren van teruggekaatste lichtstralen met behulp van het virtuele beeld van een voorwerp voor een vlakke spiegel.
          • Het beeld van een voorwerp vóór een bolle lens tekenen.
          • Tekenen van de loop van een lichtstraal die op een spiegel valt.
           
        • Onderzoeken
          • Experimenteel onderzoek doen naar lichtbreking en de kleuren van het licht om een verklaring te vinden voor het ontstaan van een regenboog.
          • Experimenteel onderzoek doen naar geluidssterkte en geluidshinder.
           
        • Ontwerpen
          • Ontwerpen van een (snaar)instrument op basis van een programma van eisen(zie ook kennisbasis technologie).
          • Ontwerpen van een speldenprikcamera (zie ook kennisbasis technologie).
           
        • Informatievaardigheden
          • Zoeken van gegevens over eigenschappen en toepassingen van licht en geluid en deze overzichtelijk weergeven.
           
        • Redeneervaardigheden
          • Een verband leggen tussen inhoudelijke onderwerpen uit D2 en denkwijzen uit D3, bijvoorbeeld dat zonlicht zich met een onvoorstelbare hoge snelheid voortplant.
           
        • Waarderen en oordelen
          • Berichten over geluidshinder van bijvoorbeeld een vliegveld of een snelweg volgen en beoordelen welke belangen en standpunten een rol spelen.
           
      • D2. Vakinhouden
        • Licht
          • bb; kb/gl/tl
            Enkele directe en indirecte lichtbronnen (zon, maan, lamp, vuurtoren) noemen
          • bb; kb/gl/tl
            Schaduw uitleggen als licht op een niet-transparant voorwerp valt
          • bb; kb/gl/tl
            Van een voorwerp dat vóór een vlakke spiegel staat uitleggen waar zich het spiegelbeeld bevindt
          • bb; kb/gl/tl
            Uitleggen dat van een voorwerp met een bolle lens een beeld gevormd kan worden
          • bb; kb/gl/tl
            Enkele essentiële onderdelen van het oog benoemen en herkennen
          • bb; kb/gl/tl
            Weten dat wit licht in verschillende kleuren kan worden gebroken (prisma)
          • bb; kb/gl/tl
            Het maken van verschillende kleuren door het mengen van primaire lichtkleuren herkennen
          • kb/gl/tl
            Het ontstaan van een regenboog beschrijven
          • kb/gl/tl
            Infrarood en ultraviolet licht als niet zichtbaar licht herkennen
        • Geluid
          • bb
            Geluidsbronnen (stem en luidspreker) herkennen
          • bb; kb/gl/tl
            Herkennen en toelichten dat geluid door geluidstrillingen wordt opgewekt en dat geluidstrillingen door een tussenstof geluidsgolven geven
          • bb; kb/gl/tl
            Herkennen en toelichten dat wanneer er sprake is van geluidshinder welke maatregelen tegen geluidshinder genomen moeten worden
          • kb/gl/tl
            Geluidsbronnen (stem en luidspreker) herkennen en beschrijven
          • kb/gl/tl
            Verschil van geluidssnelheden in lucht, helium, ijzer, water enzovoort herkennen
        • Straling
          • bb; kb/gl/tl
            Enkele soorten straling noemen
          • bb; kb/gl/tl
            Weten dat sommige soorten straling als therapie worden toegepast bij ziektes als kanker
          • bb
            Benoemen op welke manieren levende wezens beschermd kunnen worden tegen ongewenste effecten van straling (opslag kernafval, afscherming met lood)
          • kb/gl/tl
            Benoemen op welke manieren levende wezens beschermd kunnen worden tegen ongewenste effecten van straling (opslag kernafval, afscherming met lood) en stralingsrisico's beschrijven
      • D3. Karakteristieke denkwijzen
        • Patronen
          • Licht- als geluidsgolven kenmerken zich door een herhaald patroon van golven.
           
        • Schaal, verhouding en hoeveelheid
          • Licht heeft ook een snelheid. Licht van de zon doet er ruim 8 minuten over de aarde te bereiken, ofwel om 150 miljoen kilometer te overbruggen.
          • Geluid plant zich voort in lucht met een snelheid van ongeveer 350 m/s. Een straaljager kan de snelheid van het geluid in lucht overtreffen.
           
        • Oorzaak en gevolg
          • Als gevolg van de absorptie en reflectie van licht hebben voorwerpen een kleur.
           
        • Structuur en functie
          • Vorm, materiaal en functie van een voorwerp relateren aan de eigenschappen van de gekozen materialen, zoals bij geluidsdemping en bij het maken van muziekinstrumenten.
           
        • Systemen en systeemmodellen
          • Een optisch instrument bestaat uit een combinatie van spiegels en lenzen.
           
        • Duurzaamheid
          • Zonlicht is een vorm van duurzame energie. Door middel van zonnepanelen kan zonlicht omgezet worden in elektriciteit.
           
        • Risico's en veiligheid
          • De bij radioactiviteit vrijkomende straling kan veranderingen veroorzaken in materie en dus ook in menselijke cellen. Dit kan gezondheidseffecten op de lange termijn tot gevolg hebben, met name kanker.
           
  • Fysische geografie
    • Fysische geografie
      • Waar het om gaat
        • Fysische geografie
          Fysische geografie is het verhaal van de relatie tussen de mens en de aarde. In het landschap komen die twee samen. Al sinds de oudheid verwonderde men zich over de natuur, de verschillende landschappen en natuurverschijnselen. Slechts langzaam begrijpen we hoe het systeem aarde en de processen op aarde werken en hoe deze van invloed zijn op ons dagelijks leven. Tegelijkertijd veranderde de schaal waarop de mens in het landschap bezig is van lokaal naar globaal en dat heeft weer gevolgen voor natuurlijke processen op aarde. Fysische geografie onderzoekt het functioneren van de aarde en de rol die de mens daarin speelt en dat levert boeiende vragen op.
           
          De planeet aarde is een ingewikkelde planeet. Veel verschillende processen lopen door elkaar heen en ook nog op verschillende schalen. Er zijn vaste terugkerende patronen zoals dag en nacht of de draaiing om de zon in één jaar. De scheve stand van de aardas heeft gevolgen en zorgt voor de seizoenen. Deze ritmes bepalen het leven van mens, dier en andere organismen. De mens heeft de aarde leren gebruiken, maar begrijpt nog niet alle mechanismen. Processen en relaties tussen processen zijn soms zichtbaar en herkenbaar, maar soms ook complex, onzichtbaar en ingewikkeld. Verschillende kringlopen verlopen onvoorspelbaar, wat kan leiden tot natuurrampen. Ook menselijk gedrag kan bijdragen aan verstoring van processen en evenwichten in de natuur.
           
          Het aanleren van een geografische kijk op het landschap en de rol van de mens daarin is de kerntaak van de fysische geografie. Praktische werkwijzen maken inhouden concreet en de denkwijzen zorgen voor achtergronden. De werking van aardrijkskundige processen en kringlopen, duurzaam omgaan met de natuur en vraagstukken als bescherming tegen natuurrampen, zijn onderwerpen waarbij inzicht en kennis van de fysische geografie van groot belang is.
           
      • Integrale doelen
        • Fysische geografie
          De leerling kan:
          1. het landschap om hem heen als onderdeel van het aardoppervlak plaatsen in het systeem aarde; 
          2. geografische vragen beantwoorden met behulp van karakteristieke werk- en denkwijzen en vakinhouden; 
          3. de aarde als een natuurlijk systeem met complexe processen op mondiaal schaalniveau beschouwen; 
          4. endogene en exogene processen als landschapsvormende processen op continentaal regionaal en lokaal schaalniveau benoemen;  
          5. verschillende natuurlijke verschijnselen aan elkaar relateren (klimaat, vegetatie, bodem) en een globaal beeld geven van de natuurlijke zones op aarde; 
          6. de invloed en de gevolgen van het menselijk handelen op het systeem aarde begrijpen;
          7. interactie tussen mens en in landschap voorkomende fysisch geografische processen en verschijnselen op nationaal of regionaal schaalniveau duiden;
          8. eigenschappen van fysisch-geografische verschijnselen (bodem, water en lucht) onderzoeken, door o.a. veldwerk in de eigen omgeving;
          9. het nut van een fysisch geografisch model (kaart, simulaties, serious games, doorsnede) weergeven;
          10. het belang van fysisch geografisch onderzoek voor hem-/haarzelf en de maatschappij onder woorden brengen. 
           
          Relevante contexten: werken met en in het landschap (waterschap, natuurbeheerder, visserij), duurzaamheid (water- en energiebesparing); eigen natuurlijke omgeving (weerbericht, landschapsbeleving); natuurverschijnselen in de media (natuurrampen, documentaires).
      • D1. Karakteristieke werkwijzen
        • Modelontwikkeling en -gebruik
          • Kaarten maken en gebruiken bij het beantwoorden van aardrijkskundige vragen. 
          • Model op schaal (na)bouwen van een fysisch-geografisch object zoals een berg. 
          • Een aardrijkskundige kringloop zoals de waterkringloop schematisch weergeven.
           
        • Fysische geografie
          • met natuurkunde: Materie, Kracht en beweging, Energie;
          • met biologie:  Dynamisch evenwicht;
          • met scheikunde: Materie 
           
        • Onderzoeken
          • Veldwerk verrichten en de resultaten in presenteren en interpreteren:
          • Observeren van landschapselementen;
          • Grondonderzoek doen door middel van boringen;
          • Wateronderzoek doen naar kwaliteit en/of kwantiteit door middel van metingen;
          • Metingen verrichten aan weerselementen, verwerken tot grafische data en vergelijken met andere jaren en interpreteren.
          • Relaties tussen fysisch geografische verschijnselen in of tussen gebieden onderzoeken.
          • Gesteenten op basis van vastgestelde kenmerken zoals soort, kleur of aanwezigheid fossielen indelen.
           
        • Ontwerpen
          • Op basis van aangereikte instructies een schaalmodel zoals een (digitale) kaart ontwerpen. 
          • Oplossingen voor door water bedreigde gebieden ontwerpen. 
           
        • Informatievaardigheden
          • Informatie uit verschillende bronnen zoals teksten, kaarten, foto's en grafieken zoeken, beoordelen, interpreteren en weergeven om antwoord te geven op aardrijkskundige vragen.
          • Fysisch-geografische onderwerpen in het nieuws herkennen en kunnen uitleggen waarom die daar voorkomen
          • Een kaart van een gebied op schaal maken.
          • Oorzaken en gevolgen van erosie in een schema weergeven.
           
          • Kaartlezen, kaartanalyse en kaartinterpretatie inzetten om antwoorden te geven op aardrijkskundige vragen.
          Patronen in kaarten herkennen en conclusies daaruit kunnen trekken met kennis uit de vakinhouden en karakteristieke denkwijzen.
        • Redeneervaardigheden
          • De onderwerpen uit de vakinhouden in verband brengen met de karakteristieke denkwijzen.
          • Conclusies uit bronnen trekken.
          • Beredeneren waarom menselijke activiteiten ondanks fysisch-geografische risico's plaatsvinden in bepaalde gebieden.
          • Beoordelen of het gaat aardrijkskundige feiten of meningen bij gevonden informatie.
           
        • Waarderen en oordelen
          • Gevonden informatie om aardrijkskundige vragen te beantwoorden kritisch bekijken en beoordelen op bruikbaarheid.
          • Verschillende standpunten bij een milieuprobleem benoemen en waarderen. 
           
        • Reken- en wiskundige vaardigheden
          • Omrekenen van lengtematen.
          • Rekenen met schaal en schaalgetal.
           
      • D2. Vakinhouden
        • Werken met en in het landschap, duurzaamheid, eigen natuurlijke omgeving , natuurverschijnselen in de media
          • bb; kb/gl/tl
            Het landschap om hem heen als onderdeel van het aardoppervlak plaatsen in het systeem aarde
          • bb; kb/gl/tl
            Geografische vragen beantwoorden met behulp van karakteristieke werk- en denkwijzen en vakinhouden
          • bb; kb/gl/tl
            De aarde als een natuurlijk systeem met complexe processen op mondiaal schaalniveau beschouwen
          • bb; kb/gl/tl
            Endogene en exogene processen als landschapsvormende processen op continentaal regionaal en lokaal schaalniveau benoemen
          • bb; kb/gl/tl
            Verschillende natuurlijke verschijnselen aan elkaar relateren (klimaat, vegetatie, bodem) en een globaal beeld geven van de natuurlijke zones op aarde
          • bb; kb/gl/tl
            Eigenschappen van fysisch-geografische verschijnselen (bodem, water en lucht) onderzoeken, door oa veldwerk in de eigen omgeving
          • bb; kb/gl/tl
            Het belang van fysisch geografisch onderzoek voor hem-/haarzelf en de maatschappij onder woorden brengen
          • kb/gl/tl
            De invloed en de gevolgen van het menselijk handelen op het systeem aarde begrijpen
          • kb/gl/tl
            Interactie tussen mens en in landschap voorkomende fysisch geografische processen en verschijnselen op nationaal of regionaal schaalniveau duiden
          • kb/gl/tl
            Het nut van een fysisch geografisch model (kaart, simulaties, serious games, doorsnede) weergeven
        • Systemen op aarde
          • bb; kb/gl/tl
            Het reliëf op aarde en de verdeling tussen land en water op hoofdlijnen beschrijven
          • bb; kb/gl/tl
            Vulkanisme en aardbevingen als endogene processen beschrijven en plaattektoniek als oorzaak beschrijven
          • bb; kb/gl/tl
            Verwering, erosie en sedimentatie als exogene processen beschrijven
          • bb; kb/gl/tl
            Op hoofdlijnen de spreiding van klimaatgebieden en landschapszones op aarde beschrijven en verklaren
          • bb; kb/gl/tl
            Recente klimaatverandering als gevolg van menselijke activiteiten beschrijven
          • kb/gl/tl
            Draaiing van de aarde rond de zon, de stand van de aardas en de gevolgen daarvan voor het systeem aarde beschrijven
          • kb/gl/tl
            Reliëf- en landschapsvorming als gevolg van endogene- en exogene oorzaken beschrijven en verklaren
        • Landschap en menselijke activiteit
          • bb; kb/gl/tl
            Landschappen in de eigen omgeving beschrijven
          • bb; kb/gl/tl
            Spreiding van de bevolking op aarde mbv reliëf en klimaat beschrijven en verklaren
          • bb; kb/gl/tl
            De rol van het weer in het dagelijks leven onderzoeken
          • bb; kb/gl/tl
            Verschillende natuurrampen benoemen zoals aardbevingen of orkanen en de gevolgen voor bewoners beschrijven
          • bb; kb/gl/tl
            Een watervraagstuk (teveel, te weinig, te slechte kwaliteit) in een gebied beschrijven
        • Duurzaamheid
          • bb
            Voorbeelden van een ecosysteem geven
          • kb/gl/tl
            Voorbeelden van een ecosysteem op verschillende schaalniveaus geven
          • kb/gl/tl
            Maatregelen voor duurzaam gebruik van energie en water beschrijven
        • Keuzestof
          • bb
            Het ontstaan van de aarde en de geologische geschiedenis op hoofdlijnen beschrijven
          • bb; kb/gl/tl
            Verschillen tussen landschapszones onderzoeken
          • bb; kb/gl/tl
            Patronen uit de fysische geografie beschrijven (onderzoeken)
          • kb/gl/tl
            Het ontstaan van de aarde en de geologische geschiedenis op hoofdlijnen beschrijven
      • D3. Karakteristieke denkwijzen
        • Patronen
          • Ruimtelijke patronen en natuurlijke processen zijn zichtbaar in de eigen omgeving en maak je elke dag mee (dag/nacht, seizoenen).
          • Op aarde voorkomende ruimtelijke patronen worden door de mens gebruikt bij het indelen van gebieden (bv. klimaten). 
           
        • Schaal, verhouding en hoeveelheid
          • Aardrijkskunde speelt zich altijd af op een ruimtelijke schaal. Ruimtelijke schalen verschillen, van een klein gebied, woonplaats, tot enorm groot, heelal.
          • Schaal geeft een verhouding weer. Een kaart heeft altijd een schaal.
          • Bij aardrijkskunde worden verschillende schalen gebruikt met verschillende eenheden (temperatuur ºC, windsnelheid m/s ).
           
        • Oorzaak en gevolg
          • Landschappen zijn het gevolg van aardrijkskundige processen en menselijke activiteiten
          • Terugkerende geografische patronen hebben oorzaken en gevolgen (dag/nacht) 
           
        • Systemen en systeemmodellen
          • Een (systeem)model is een vereenvoudiging van de werkelijkheid. Een kaart is model. 
          • Een ecosysteem is een gebied waar levende en niet-levende natuur samenkomt en elkaar beïnvloed. 
          • De aarde kan gezien worden als een systeem. 
           
        • Behoud, transport en kringlopen van energie en materie
          • Kringlopen zijn oneindig, bekende aardrijkskundige kringlopen zijn die van water, lucht of gesteente. 
          • Aardrijkskundige kringlopen worden aangedreven door exogene en endogene krachten. 
           
        • Structuur en functie
          • Natuurlijke factoren zoals reliëf of waterlopen en de mens bepalen de structuur van een gebied.
           
        • Stabiliteit en verandering
          • Landschappen lijken onveranderlijk op korte tijdschaal maar veranderen wel degelijk op lange tijdschaal.
          • Aardrijkskundige processen zoals aardbevingen zijn onvoorspelbaar.
           
        • Duurzaamheid
          • Duurzaam bij aardrijkskunde betekent dat je van natuurlijke hulpbronnen niet meer gebruikt dan dat er aangevuld wordt.
          • Onzorgvuldig gebruik van de aarde kan leiden tot milieuproblemen zoals watervervuiling of luchtverontreiniging in gebieden.
           
        • Risico's en veiligheid
          • De natuurlijke ligging van Nederland aan de Noordzee en aan de monding van grote rivieren leidt tot overstromingsrisico's voor grote delen van de bevolking.
  • Biologie
    • Instandhouding
      • Waar het om gaat
        • Instandhouding
          Ons lichaam heeft veel mechanismen om te reageren op veranderingen, maar daar zijn grenzen aan. Het lichaam kan uit balans raken door teveel of te weinig voedsel, water, warmte en inspanning, of door teveel ziekteverwekkers en stoffen die de normale werking van het lichaam verstoren. Bedreigingen voor de gezondheid (met name bij jongeren) hebben veel te maken met leefstijl en daarmee met eigen keuzes ten aanzien van voedsel, beweging, verslavende middelen en veilig gedrag. Begrip over wat zich in het eigen lichaam afspeelt, speelt een belangrijke rol bij de keuzes die iemand maakt om gezondheid te bevorderen en om gezondheidsbedreigingen te voorkomen en te bestrijden,. De onderbouw VO is de plaats waar deze zaken aan de orde moeten komen, omdat dit voor veel leerlingen eindonderwijs over het eigen lichaam is.
           
          Verschijnselen die ieder aan het eigen lichaam ervaart (zoals ademhaling, spijsvertering en beweging), krijgen samenhang als deze begrepen worden uit wat cellen nodig hebben om zich in stand te houden. Cellen zijn voortdurend aan het bouwen en energie aan het verbruiken. Dat houdt in dat cellen een voortdurende aanvoer nodig hebben van bouwstoffen, brandstoffen en zuurstof. Speciale organen met een groot oppervlak (darmen en longen) vergroten de aanvoer van de benodigde voedingsstoffen en zuurstof naar het bloed, en hart en bloedvaten transporteren deze naar alle cellen.
          Het signaleren van veranderingen en zodanig reageren dat de verandering wordt tegengegaan, staat bekend als terugkoppeling. Als de concentratie voedingsstoffen in het bloed lager wordt krijgen de hersenen een signaal dat leidt tot hongergevoel en eten. Teveel aan warmte leidt tot zweten waardoor het lichaam  weer afkoelt.
           
          Een lichaam neemt voedsel op en ademt lucht in, maar opnemen van stoffen uit de omgeving heeft ook risico’s. Zo kunnen schadelijke stoffen en schadelijke bacteriën en virussen binnenkomen. Het lichaam heeft allerlei mechanismen om die buiten te houden of zich daartegen te beschermen. Voor een goede gezondheid moet de samenstelling en hoeveelheid van het voedsel, inclusief water, ook in balans zijn met wat het lichaam nodig heeft.
           
          Er zijn grote verschillen tussen hoe het menselijk lichaam zich in stand houdt en hoe planten dit doen. Een goed begrip van hoe planten lichtenergie gebruiken om voedingsstoffen en zuurstof te maken is nodig om te beseffen hoezeer alle organismen van deze productie afhankelijk zijn.
           
        • Instandhouding
          Ons lichaam heeft veel mechanismen om te reageren op veranderingen, maar daar zijn grenzen aan. Het lichaam kan uit balans raken door teveel of te weinig voedsel, water, warmte en inspanning, of door teveel ziekteverwekkers en stoffen die de normale werking van het lichaam verstoren. Bedreigingen voor de gezondheid (met name bij jongeren), hebben veel te maken met leefstijl en daarmee met eigen keuzes ten aanzien van voedsel, beweging, verslavende middelen en veilig gedrag. Begrip over wat zich in het eigen lichaam afspeelt speelt een belangrijke rol bij de keuzes die iemand maakt om gezondheid te bevorderen en om gezondheidsbedreigingen te voorkomen en te bestrijden. De onderbouw vo is de plaats waar deze zaken aan de orde moeten komen, omdat dit voor veel leerlingen eindonderwijs over het eigen lichaam is.
          Verschijnselen die ieder aan het eigen lichaam ervaart (zoals ademhaling, spijsvertering en beweging), krijgen samenhang als de leerling zich realiseert dat deze ervoor zorgen dat cellen zich in stand kunnen houden. Cellen zijn voortdurend aan het bouwen en energie aan het verbruiken. Dat houdt in dat cellen een voortdurende aanvoer nodig hebben van bouwstoffen, brandstoffen en zuurstof. Speciale organen met een groot oppervlak (darmen en longen) vergroten de aanvoer van de benodigde voedingsstoffen en zuurstof naar het bloed, en hart en bloedvaten transporteren deze naar alle cellen.
          Het signaleren van veranderingen en zodanig reageren dat de verandering wordt tegengegaan, staat bekend als terugkoppeling. Als de concentratie voedingsstoffen in het bloed lager wordt krijgen de hersenen een signaal dat leidt tot hongergevoel en eten. Teveel aan warmte leidt tot zweten waardoor het lichaam weer afkoelt.
          Een lichaam neemt voedsel op en ademt lucht in, maar opnemen van stoffen uit de omgeving heeft ook risico’s. Zo kunnen ook schadelijke stoffen en schadelijke bacteriën en virussen binnenkomen. Het lichaam heeft allerlei mechanismen om die buiten te houden of zich daartegen te beschermen. Voor een goede gezondheid moet de samenstelling en hoeveelheid van het voedsel, inclusief water ook in balans zijn met wat het lichaam nodig heeft.
          Er zijn grote verschillen tussen hoe het menselijk lichaam zich in stand houdt en hoe planten dit doen. Een goed begrip van hoe planten lichtenergie gebruiken om voedingsstoffen en zuurstof te maken is nodig om te beseffen hoezeer alle organismen van deze productie afhankelijk zijn.
           
      • Samenhang
        • Instandhouding
          • binnen biologie: Interactie (reageren op de omgeving, inspanning), Voortplanting en evolutie (soa's), Dynamisch evenwicht (voedselketens en kringlopen);
          • met scheikunde: Reactiviteit (verbranding), Energie.
           
        • Instandhouding
          • binnen biologie: Interactie (reageren op de omgeving, inspanning), Voortplanting en evolutie (soa's), Dynamisch evenwicht (voedselketens en kringlopen);
          • met scheikunde: Reactiviteit (verbranding), Energie.
           
      • Integrale doelen
        • Instandhouding
          De leerling kan:
          1. aan de hand van een anatomisch model uitleggen hoe de bouw van een menselijk orgaan bijdraagt aan de functie ervan;
          2. lichaamskenmerken en processen meten aan het eigen lichaam;
          3. organen, routes en gebeurtenissen benoemen via welke voedingsstoffen en zuurstof vanuit de buitenwereld bij lichaamscellen komen en afvalstoffen worden afgegeven (spijsvertering, ademhaling, bloedsomloop en uitscheiding);
          4. beschrijven dat planten energierijke voedingsstoffen en zuurstof zelf produceren met behulp van licht;
          5. uitleggen dat een verandering in het lichaam leidt tot reacties die de verandering tegengaan;
          6. beoordelen wat de gevolgen voor de gezondheid zijn van de combinatie van een bepaald dieet met een bepaalde leefstijl;
          7. informatie op verpakkingen van en reclame voor voedingsmiddelen interpreteren;
          8. oorzaak, preventie, gevolg en behandeling van enkele veel voorkomende ziekten beschrijven;
          9. de eigen leefstijl onderzoeken ten aanzien van bevordering van de gezondheid.
           
          Relevante contexten: gezondheid (conditie bepalen, gezond gedrag, medisch onderzoek); voeding (maaltijd samenstellen).
           
        • Instandhouding
          De leerling kan:
          1. aan de hand van een anatomisch model uitleggen hoe de bouw van menselijke organen bijdraagt aan de functie ervan;
          2. lichaamskenmerken en processen meten aan het eigen lichaam;
          3. organen, routes en gebeurtenissen benoemen via welke voedingsstoffen en zuurstof vanuit de buitenwereld uiteindelijk bij lichaamscellen aankomen en afvalstoffen weer worden afgegeven;
          4. uitleggen dat planten zelfenergierijke voedingsstoffen en zuurstof produceren met behulp van licht;
          5. uitleggen met behulp van een terugkoppelingsschema hoe een verandering in het lichaam leidt tot reacties die de verandering tegengaan;
          6. beoordelen wat de gevolgen voor de gezondheid zijn van de combinatie van een bepaald dieet met een bepaalde leefstijl;
          7. informatie op verpakkingen van en reclame voor voedingsmiddelen interpreteren;
          8. oorzaak, preventie, gevolg en behandeling van enkele veel voorkomende ziekten beschrijven;
          9. de eigen leefstijl onderzoeken ten aanzien van bevordering van de gezondheid.
           
          Relevante contexten: gezondheid (conditie bepalen, gezond gedrag, medisch onderzoek); voeding (maaltijd/dieet samenstellen).
           
      • D1. Karakteristieke werkwijzen
        • Onderzoeken
          • Eenvoudige metingen aan het lichaam verrichten voor en na inspanning. 
           
        • Onderzoeken
          • Eenvoudige metingen aan het lichaam verrichten voor en na inspanning.
          • Experimenten doen over de invloed van licht op de fotosynthese en de aanmaak van bladgroen.
           
        • Ontwerpen
          • Een dagmenu samenstellen dat de dagelijkse behoefte aan voedingsstoffen dekt en rekening houdt met verbruik door inspanning.
           
        • Ontwerpen
          • Een dagmenu samenstellen dat de dagelijkse behoefte aan voedingsstoffen dekt en rekening houdt met verbruik door inspanning.
           
        • Modelontwikkeling en -gebruik
          • In een torsomodel de organen aanwijzen en aangeven hoe deze onderling verbonden zijn.
          • Door middel van een terugkoppelingsschema beschrijven hoe het lichaam veranderingen compenseert.
          • Een input-output schema maken van hoe en waar water het lichaam binnenkomt en weer verlaat.
           
        • Modelontwikkeling en -gebruik
          • In een torsomodel de organen aanwijzen en aangeven hoe deze onderling verbonden zijn.
           
        • Informatievaardigheden
          • Informatie op verpakkingen van voedingsmiddelen bestuderen.
          • Informatiemateriaal zoeken en gebruiken bij vragen over voeding en gezondheid.
          • Meetgegevens van klasgenoten verwerken tot een tabel.
        • Informatievaardigheden
          • Informatie op verpakkingen van voedingsmiddelen interpreteren.
          • Informatiemateriaal zoeken en gebruiken bij vragen over voeding en gezondheid.
          • Meetgegevens van klasgenoten verwerken tot een tabel.
           
        • Reken- en wiskundige vaardigheden
          ·Berekeningen uitvoeren met verzamelde meetgegevens van klasgenoten.
          · Vanuit Informatie op de verpakking van voedingsmiddelen berekenen hoeveel je van een bepaald voedingsmiddel nodig hebt om in je dagelijkse behoefte aan een bepaalde voedingsstof te voorzien.
          · Berekenen hoeveel inspanning je moet leveren om evenveel calorieën te verbruiken als het eten van een bepaalde snack binnenbrengt.
           
        • Reken- en wiskundige vaardigheden
          · Berekeningen uitvoeren met verzamelde meetgegevens van klasgenoten.
          · Vanuit Informatie op de verpakking van voedingsmiddelen berekenen hoeveel je van een bepaald voedingsmiddel nodig hebt om in je dagelijkse behoefte aan een bepaalde voedingsstof te voorzien.
          · Berekenen hoeveel inspanning je moet leveren om evenveel calorieën te verbruiken als het eten van een bepaalde snack binnenbrengt.
           
        • Waarderen en oordelen
          • Vanuit Informatie op de verpakking van voedingsmiddelen beoordelen in hoeverre claims op de verpakking kloppen met de inhoud.
          • Eigen keuzes rondom gezondheid formuleren en beslissingen beargumenteren.
           
        • Waarderen en oordelen
          • Vanuit Informatie op de verpakking van voedingsmiddelen beoordelen in hoeverre claims op de verpakking kloppen met de inhoud. 
          • Eigen keuzes rondom gezondheid afwegen en beslissingen beargumenteren. 
           
      • D2. Vakinhouden instandhouding
        • Celstofwisseling
          • bb; kb/gl/tl
            Uitleggen dat een cel voedingsstoffen gebruikt voor opbouw/herstel en voor verbranding
          • bb; kb/gl/tl
            Beschrijven dat planten in cellen met bladgroen met behulp van zonlicht eigen energierijke stoffen en zuurstof maken
        • Stofwisseling van het organisme
          • bb; kb/gl/tl
            Bouw en functie van organen betrokken bij bloedsomloop, ademhaling en spijsvertering benoemen
          • bb; kb/gl/tl
            Beschrijven hoe de opname, verspreiding en gebruik van voedingsstoffen en zuurstof verloopt
          • bb; kb/gl/tl
            De functie van enzymen in de spijsvertering benoemen/uitleggen
          • bb; kb/gl/tl
            Benoemen van de belangrijkste functies van eiwitten, vetten, koolhydraten, mineralen, vitamines en water voor het lichaam
          • bb; kb/gl/tl
            Beschrijven hoe de afvalstoffen het lichaam verlaten
          • bb; kb/gl/tl
            De samenstelling van bloed uit plasma, rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes benoemen en de functies van de onderdelen noemen
          • bb; kb/gl/tl
            Uitleggen dat bacteriën en virussen vooral via mond, neus en wonden binnenkomen en worden tegengehouden door slijmvlies met trilharen, maagzuur en witte bloedcellen
        • Planten
          • bb; kb/gl/tl
            Benoemen dat planten water en mineralen uit de bodem opnemen en via vaatbundels naar de bladeren transporteren waar het water weer verdampt
          • bb; kb/gl/tl
            Benoemen dat planten de energierijke stoffen die in de groene delen zijn gevormd via vaatbundels transporteren naar andere delen waar ze kunnen worden opgeslagen
        • Regeling
          • bb; kb/gl/tl
            Voorbeelden van terugkoppeling benoemen, [zoals zweten en grotere doorbloeding van de huid bij stijgende lichaamstemperatuur]
        • Voeding
          • bb; kb/gl/tl
            Eisen waaraan een evenwichtig voedingspakket moet voldoen benoemen en uitleggen wat de gevolgen kunnen zijn als er een niet-evenwichtig voedingspakket wordt gebruikt
          • bb; kb/gl/tl
            Beschrijven wat de gevaren zijn van voedselbederf en hoe dit wordt voorkomen in de productie van voedingsmiddelen en bij het bewaren thuis
        • Gezondheid
          • bb; kb/gl/tl
            Uitleggen dat gezondheid en ziektes beïnvloed worden door de combinatie van voeding, leefstijl, leefomgeving (oa stress, schadelijke stoffen en straling), infecties, erfelijke aanleg en leeftijd
          • bb; kb/gl/tl
            Uitleggen hoe gezondheid bevorderd/ziekte voorkomen kan worden, waaronder vaccinatie
          • bb; kb/gl/tl
            Gevolgen van verslavingen noemen
          • bb; kb/gl/tl
            Benoemen hoe te handelen bij ongevallen zoals brandwonden
          • bb; kb/gl/tl
            Aangeven voor welke aspecten van gezondheid je zelf moet zorgen en voor welke aspecten je hulp kunt krijgen
          • bb; kb/gl/tl
            Bloeddruk meten
          • bb; kb/gl/tl
            Vitale capaciteit bepalen
          • bb; kb/gl/tl
            Oorzaken van belangrijke ziekten rondom bloedsomloop en ademhaling benoemen
          • bb; kb/gl/tl
            Beschrijven van bouw en functie van uitscheidingsorganen van de mens
          • bb; kb/gl/tl
            Beschrijven van bouw en functie van bij afweer betrokken organen van de mens, waaronder de huid
          • bb; kb/gl/tl
            Verschillende vormen van besmettelijke ziekten bespreken en benoemen hoe behandeling kan plaatsvinden
          • bb; kb/gl/tl
            Vergelijken van diëten voor verschillende doelgroepen
          • bb; kb/gl/tl
            Organen en weefsels in wortel, stengel en blad bestuderen en de werking ervan beschrijven
          • kb/gl/tl
            De effecten van adrenaline, insuline en glucagon benoemen
      • D3. Karakteristieke denkwijzen
        • Systeem en systeemmodellen
          • Organismen reageren zodanig op veranderingen in het lichaam en in de buitenwereld dat ze vrij constant blijven in gewicht, temperatuur, vochtgehalte e.d. door middel van het opvangen van signalen en ‘tegenmaatregelen’ nemen [bijv. toename warmte> zweten waardoor afkoeling]. 
           
        • Schaal, verhouding en hoeveelheid
          • Bij een eencellig organisme is er direct contact met de omgeving en voldoende uitwisseloppervlak om stoffen uit te wisselen; bij meercellige organismen is dit niet zo en worden cellen voorzien door transport en oppervlaktevergroting.
           
        • Systeem en systeemmodellen
          • Organismen reageren via een terugkoppelingsmechanisme zodanig op veranderingen in het lichaam en in de buitenwereld dat ze vrij constant blijven in gewicht, temperatuur, vochtgehalte e.d. door middel van het opvangen van signalen en ‘tegenmaatregelen’ nemen [bijvoorbeeld teveel warmte>zweten en daardoor afkoelen; laag suikergehalte > hongergevoel > meer eten].
           
        • Stabiliteit en verandering
          • Om op gelijk gewicht te blijven moet er evenveel voedsel binnenkomen als verbruikt wordt door inspanning of warmteproductie.
           
        • Behoud, transport en kringlopen van energie en materie
          • Er is in normale omstandigheden een balans tussen het water dat een lichaam binnenkomt en weer verlaat.
          • Om op gelijk gewicht te blijven moet er evenveel voedsel binnenkomen als verbruikt wordt door inspanning of warmteproductie.
           
        • Structuur en functie
          • In het lichaam zijn structuren die het uitwisseloppervlak vergroten [voorbeelden; darmvlokken, longblaasjes, haarvaten, neusslijmvlies].
          • De bouw van organen is aangepast aan de functie.
           
        • Veiligheid
          • Besmet voedsel en drinkwater zijn belangrijke oorzaken van ziekte en dood, met name in arme landen.
          • Eigen keuzes ten aanzien van voeding en verslavende middelen kunnen levensbedreigend zijn.
           
        • Structuur en functie
          • In het lichaam zijn structuren die het uitwisseloppervlak vergroten [voorbeelden; darmvlokken, longblaasjes, haarvaten, neusslijmvlies].
          • De bouw van organen past bij de functie en de bouw van onderdelen van organen past bij de deelfunctie ervan.
           
        • Duurzaamheid
          • Organismen moeten om te overleven hun omgeving veranderen. De activiteiten van planten en dieren compenseren elkaar (zie ook Dynamisch evenwicht).
           
        • Veiligheid
          • Besmet voedsel en drinkwater zijn belangrijke oorzaken van ziekte en dood, met name in arme landen.
          • Eigen keuzes ten aanzien van voeding en verslavende middelen kunnen levensbedreigend zijn.
           
    • Voortplanting en evolutie
      • Waar het om gaat
        • Voortplanting en evolutie
          De voortplantingsfunctie is van belang omdat organismen ‘slijten’ en dood gaan. Door zich voort te planten wordt het leven doorgegeven en blijft het in stand, ook als het individu sterft. Veel organismen planten zich geslachtelijk voort, waarbij mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen versmelten en een nieuwe combinatie van erfelijk materiaal ontstaat. Deze nieuwe combinatie heeft invloed op de eigenschappen en kansen van individu en soort. Bij ongeslachtelijke voortplanting deelt een eencellig organisme in twee cellen of groeit een deel van een organisme uit tot een nieuw organisme.  
          Bij voortplanting worden het erfelijk materiaal en basale omstandigheden om die informatie tot expressie te brengen in één cel doorgegeven. Deze cel groeit in wisselwerking met de omgeving uit tot een nieuw individu. Bij de ontwikkeling ervan zijn verschillende fasen aan te wijzen waarin het organisme er steeds anders uitziet, andere behoeften heeft aan voedsel en bescherming en uiteindelijk zelf in staat is tot voortplanting. Ook bij de mens zijn dergelijke fasen te onderscheiden die te maken hebben met de ontwikkeling van de voortplantingsorganen en van de hersenen.
          De lichamelijke aspecten van de voortplanting van mensen (zoals vruchtbaarheid, geslachtsgemeenschap en zwangerschap) gaan gepaard met sociale aspecten (zoals verliefdheid, partnerkeus en ouderschap). Voor de ontwikkeling van een gezonde seksuele identiteit is begrip van beide noodzakelijk. Naast de biologische verschijnselen zijn ook de verschillen in opvattingen over wat normaal en acceptabel is van belang. Deze verschillen spelen enerzijds tussen verschillende tijdperken (wat normaal wordt gevonden verandert steeds), anderzijds tussen verschillende culturen (wat in het ene gezin normaal is wordt in het andere gezin veroordeeld). Hetzelfde geldt voor verschillen tussen jongens en meisjes. Media spelen ook een belangrijke rol, onder andere via reclame.
           
          Soorten verschillen van elkaar in erfelijk materiaal, maar ook binnen een soort is er variatie. Bovendien ontstaan steeds nieuwe veranderingen (mutaties). Die veranderingen en de continue herschikking van het erfelijk materiaal bij de voortplanting zijn de oorzaak van verschillen tussen individuen van elkaar in erfelijk materiaal. In combinatie met de omgeving en leefstijl leiden deze verschillen bij mensen tot verschillen in eigenschappen en kansen op ziekten.
          Bij planten en dieren ontstaan hierdoor ook verschillen in overlevingskans en voortplantingssucces. Erfelijke varianten die een klein voordeel opleveren zullen vaker gaan voorkomen, omdat de individuen met deze varianten meer nakomelingen krijgen. Hierdoor kunnen populaties geleidelijk veranderen en van elkaar gaan verschillen. Uiteindelijk kan dit leiden tot nieuwe soorten, met name als de omgeving verandert. In de loop van de lange geschiedenis van het leven zijn zo vele levensvormen ontstaan maar ook weer grotendeels uitgestorven. Deze kennen we via fossiele restanten. De soorten die niet uitstierven hebben zich ontwikkeld tot de soorten die nu op aarde voorkomen, inclusief de mens.
           
      • Samenhang
        • Voortplanting en evolutie
          • binnen biologie: Biologische eenheid (celdeling), Instandhouding (gezond gedrag), Interactie (gedrag);
          • met fysische geografie: ontwikkeling van de aarde.
           
      • Integrale doelen
        • Voortplanting en evolutie
          De leerling kan:
          1. met behulp van een levenscyclus uitleggen dat opeenvolgende generaties erfelijk materiaal doorgeven door bevruchting en celdeling;
          2. in afbeeldingen of modellen de onderdelen van mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen aanwijzen, aangeven welke functie door onderdelen ervan wordt vervuld en welke veranderingen daarin optreden tijdens de ontwikkeling;
          3. risicovol gedrag ten aanzien van ongewenste zwangerschap en geslachtsziekten benoemen, en aangeven hoe deze te voorkomen;
          4. in een gesprek over seksualiteit eigen mening onder woorden brengen en vergelijken met meningen van anderen;
          5. benoemen dat erfelijk materiaal, omgeving en leefstijl invloed hebben op de ontwikkeling van eigenschappen en ziektes;
          6. uitleggen dat huidige levensvormen afstammen van eerdere levensvormen die er anders uitzagen.
           
          Relevante contexten: gezondheid (erfelijkheidsonderzoek, voorkomen geslachtsziekten); eigen seksualiteit;  wereldbeeld (normen en waarden ten aanzien van genetisch testen, zwangerschap(onderbreking), gelijke rechten en kansen voor jongens en meisjes).
           
      • D1. Karakteristieke werkwijzen
        • Onderzoeken
          • Eenvoudige kiem- en stekproeven uitvoeren.
           
        • Modelontwikkeling en -gebruik
          • Anatomische modellen van geslachtsorganen toelichten.
           
        • Informatievaardigheden
          • Informatiemateriaal zoeken en gebruiken bij vragen over erfelijkheid en seksualiteit.
          • Bespreken hoe media en reclameboodschappen gebruik maken van supernormale prikkels en van invloed zijn op wat normaal of aantrekkelijk wordt gevonden.
           
        • Waarderen en oordelen
          • Een discussie in de media of vraag/antwoord rubrieken over seksuele onderwerpen op (sociale) media volgen en kritisch bespreken.
          • Bespreken dat in verschillende tijden en verschillende culturen opvattingen over seksualiteit en over rechten en plichten van mannen en vrouwen sterk kunnen verschillen en de eigen positie daarin bepalen.
          • Eigen seksueel gedrag beoordelen en aangeven welke keuzes hierin gemaakt kunnen worden.
           
      • D2. Vakinhouden voortplanting en evolutie
        • Natuurlijke selectie
          • bb; kb/gl/tl
            Beschrijven dat alle nu levende organismen, waaronder de mens, afstammen van eerder levende organismen die er anders uitzagen
          • kb/gl/tl
            Uitleggen dat exemplaren van een soort die iets beter aan de omgeving zijn aangepast grotere kans hebben om nakomelingen te krijgen en dat bij veranderingen in de omgeving soorten daardoor geleidelijk kunnen veranderen
          • kb/gl/tl
            Uitleggen dat in de loop van de tijd veel soorten zijn uitgestorven als de omgeving veranderde
          • kb/gl/tl
            Uitleggen hoe fossielen zijn ontstaan en hoe ze gevonden worden
        • Celdeling
          • bb
            Beschrijven wat er gebeurt bij een celdeling
          • bb
            Benoemen dat meercellige organismen doorgaans ontstaan uit een bevruchte eicel die zich door celdeling vermeerdert
          • kb/gl/tl
            Beschrijven wat er gebeurt bij een celdeling
          • kb/gl/tl
            Benoemen dat het erfelijk materiaal bij elke celdeling wordt gekopieerd
          • kb/gl/tl
            Benoemen dat meercellige organismen doorgaans ontstaan uit een bevruchte eicel die zich door celdeling vermeerdert
        • Levenscyclus
          • bb
            Voorbeelden van geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting bij planten en dieren benoemen
          • bb
            Beschrijven hoe de voortplanting bij de mens verloopt
          • bb
            Beschrijven dat/hoe door prenataal onderzoek het ongeboren kind kan worden onderzocht op geslacht en bepaalde aangeboren afwijkingen
          • bb
            Fasen van lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van mensen beschrijven, met name de puberteit
          • kb/gl/tl
            Voorbeelden van geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting bij planten en dieren benoemen
          • kb/gl/tl
            Beschrijven hoe de voortplanting bij de mens verloopt
          • kb/gl/tl
            Beschrijven dat/hoe door prenataal onderzoek het ongeboren kind kan worden onderzocht op geslacht en bepaalde aangeboren afwijkingen
          • kb/gl/tl
            Fasen van lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van mensen beschrijven, met name de puberteit
        • Seksualiteit
          • bb
            Uitleggen hoe de mens kan ingrijpen in de voortplanting, onder andere door voorbehoedsmiddelen
          • bb
            Benoemen van verschillende SOA en hoe je die kunt voorkomen
          • bb
            Benoemen dat seksuele geaardheid kan verschillen
          • bb
            Instanties die hulp bieden bij problemen rond seksualiteit en relaties benoemen
          • kb/gl/tl
            Uitleggen hoe de mens kan ingrijpen in de voortplanting, onder andere door voorbehoedsmiddelen
          • kb/gl/tl
            Benoemen van verschillende SOA en hoe je die kunt voorkomen
          • kb/gl/tl
            Benoemen dat seksuele geaardheid kan verschillen
          • kb/gl/tl
            Instanties die hulp bieden bij problemen rond seksualiteit en relaties benoemen
        • Erfelijkheid
          • bb
            Uitleggen dat bij de bevruchting elk van de ouders 50% van het erfelijk materiaal levert
          • bb
            Voorbeelden geven van eigenschappen waarop erfelijk materiaal van de ouders, omgeving en leefstijl in verschillende mate van invloed kunnen zijn of zijn geweest
          • bb
            Beschrijven dat door onderzoek van het erfelijk materiaal kansen op bepaalde ziekten en op nakomelingen met die ziekten kunnen worden bepaald
          • bb
            Beschrijven dat door onderzoek van het erfelijk materiaal verwantschap kan worden aangetoond
          • kb/gl/tl
            Uitleggen dat bij de bevruchting elk van de ouders 50% van het erfelijk materiaal levert
          • kb/gl/tl
            Voorbeelden geven van eigenschappen waarop erfelijk materiaal van de ouders, omgeving en leefstijl in verschillende mate van invloed kunnen zijn of zijn geweest
          • kb/gl/tl
            Uitleggen dat bij mensen het geslacht wordt bepaald door de combinatie van geslachtschromosomen
          • kb/gl/tl
            Beschrijven dat door onderzoek van het erfelijk materiaal kansen op bepaalde ziekten en op nakomelingen met die ziekten kunnen worden bepaald
          • kb/gl/tl
            Beschrijven dat door onderzoek van het erfelijk materiaal verwantschap kan worden aangetoond
      • D3. Karakteristieke denkwijzen
        • Oorzaak en gevolg
          • Lichamelijke en psychische eigenschappen, kansen op ziekten en ontwikkelingsfasen komen tot stand door een wisselwerking tussen erfelijk materiaal, omgeving en leefstijl.
           
        • Stabiliteit en verandering
          • Je hebt je leven lang (vrijwel) hetzelfde erfelijk materiaal, maar door ontwikkeling en omgevingsinvloeden verander je tijdens je leven. 
          • Soorten passen zich geleidelijk aan door genetische variatie in de nakomelingen, waarbij de genen die een voordeel bieden in meer nakomelingen gevonden zullen worden en zo de overhand krijgen.
           
        • Structuur en functie
          • De structuur van (delen van) voortplantingsorganen draagt bij aan de (deel)functie.
          Bij dieren draagt speciaal gedrag ook bij aan de voortplantingsfunctie zoals balts, nestbouw en het verzorgen van jongen.
        • Veiligheid
          • Onveilig vrijen geeft een grote kans op zwangerschap en op seksueel overdraagbare aandoeningen.
    • Biologische eenheid
      • Waar het om gaat
        • Biologische eenheid
          Op het eerste gezicht lijken planten, dieren, bacteriën en schimmels weinig gemeenschappelijks te hebben. Toch vervullen alle organismen dezelfde vier basale functies om te overleven als individu en als soort: voedsel (bouwstof en brandstof + zuurstof) verkrijgen, vijanden overleven, zich verdedigen tegen omgevingsinvloeden en zich voortplanten. Dit wordt wel aangeduid als ‘de vier V’s’. Ondanks deze eenheid in overlevingsfuncties is de verscheidenheid waarmee deze functies vervuld worden bijzonder groot. Op het eerste gezicht is er sprake van een verwarrende veelvormigheid en het heeft lang geduurd voordat de overeenkomsten tussen planten, dieren, mensen, bacteriën en schimmels duidelijk werden. Systematisch onderzoek heeft hier orde in gebracht door het inzicht dat planten en dieren in te delen zijn in een systeem van op elkaar lijkende en verwante groepen, waar ook de mens in te plaatsen is. Celbiologisch onderzoek liet later zien dat alle organismen uit (één of meer) cellen bestaan en ontstaan. Biochemisch onderzoek tenslotte heeft aangetoond dat de chemische bouwstenen van alle leven universeel zijn en uit dezelfde atomen bestaan als andere materie.
           
          Op al deze niveaus geldt dat, door samenwerking van onderdelen, activiteiten op een hoger niveau mogelijk worden. Een organisme functioneert doordat organen in samenhang iets kunnen wat geen orgaan apart kan; bijvoorbeeld het maken van een gecoördineerde beweging door interactie van spieren, botten en zenuwen. Organen functioneren op hun beurt door interactie van verschillende celtypen en cellen door interactie van celorganellen en moleculaire systemen. Deze opbouw (systemen opgebouwd uit deelsystemen die ook weer onderdelen hebben) maakt duidelijk waardoor zulke complexe organismen als wijzelf volledig uit veel minder complexe cellen en moleculen kunnen bestaan en dat celprocessen aan de basis liggen van al onze activiteiten.
          Mensen maken een onderdeel uit van de biodiversiteit. Een goed begrip van wat organismen verbindt en onderscheidt, helpt bij het nadenken over de plaats en betekenis van de mens in de natuur en van de natuur in de mens. Om zicht te krijgen op uiteenlopende onderwerpen als biodiversiteit, biotechnologie en evolutie, is zowel een besef nodig van de enorme rijkdom aan verschijningsvormen als inzicht in gemeenschappelijke kenmerken.
           
      • Samenhang
        • Biologische eenheid
          • binnen biologie:  Dynamisch evenwicht (biodiversiteit).
          • met scheikunde: Materie
      • Integrale doelen
        • Biologische eenheid
          De leerling kan:
          1. verschillende planten en dieren vergelijken wat betreft de manier waarop zij zich in stand houden, en daarbij uitleggen hoe de structuur van (delen van) deze planten en dieren bijdraagt aan de (deel)functie ervan;
          2. bij planten en dieren de opbouw uit organen beschrijven en beschrijven dat de organen weer zijn opgebouwd uit weefsels en die weer uit cellen;
          3. verschillen tussen plantaardige en dierlijke cellen herkennen in een microscopisch preparaat of afbeelding en celorganellen met hun functies benoemen;
          4. uitleggen dat planten of dieren die onderling nakomelingen kunnen krijgen bij dezelfde soort horen en dezelfde wetenschappelijke naam hebben;
          5. verschillende planten en dieren op basis van kenmerken indelen bij de soort of systematische groep;
          6. bacteriën, schimmels en virussen vergelijken met planten en dieren en voorbeelden geven van hun betekenis voor de mens;
          7. de verwantschap met en overeenkomsten en verschillen tussen zichzelf en andere organismen benoemen.
           
          Relevante contexten: duurzaamheid (inventarisatie en beheer van natuurterrein); gezondheid (besmettelijke ziektes); voeding (voedselbederf door schimmels en bacteriën); voedselproductie (productie van voedingsstoffen door schimmels en bacteriën).
           
      • D1. Karakteristieke werkwijzen
        • Onderzoeken
          • Een microscopisch preparaat en een tekening van een plantaardig weefsel maken, daarin celonderdelen vinden en benoemen en de vergroting aangeven.
          • Determineren van een plant of dier aan de hand van een determinatietabel.
           
        • Ontwerpen
          • Zelf opstellen van een determinatietabel voor een gegeven groep planten of dieren. 
        • Modelontwikkeling en -gebruik
          • Vergelijken van diverse celmodellen/doorsnedes en bespreken dat een combinatie van modellen/doorsnedes nodig is om een goed beeld te krijgen.
           
        • Reken- en wiskundige vaardigheden
          • Vanuit vergrote beelden met behulp van de vergrotingsfactor de ware grootte van het voorwerp berekenen. 
           
      • D2. Vakinhouden biologische eenheid
        • Levenskenmerk
          • bb; kb/gl/tl
            Uitleggen hoe bouw en werking van onderdelen van een organisme bijdragen aan de functies voeding, verdediging tegen vijanden, verdediging tegen het milieu en voortplanting
          • bb; kb/gl/tl
            Organismen vergelijken wat betreft de manier waarop zij zich voeden, zich verdedigen tegen vijanden en tegen het milieu, en zich voortplanten
        • Cel
          • bb; kb/gl/tl
            Benoemen dat alle organismen bestaan uit een of meer cellen
          • bb; kb/gl/tl
            Benoemen dat cellen stoffen kunnen opnemen en gebruiken, en kunnen delen
          • bb; kb/gl/tl
            Celkern, celmembraan, cytoplasma, vacuole en bladgroenkorrels noemen als onderdelen van cellen en de celwand als structuur buiten de cel en functies daarvan benoemen
          • kb/gl/tl
            Benoemen dat in elke celkern DNA aanwezig is dat instructies bevat voor de cel
          • kb/gl/tl
            Plantaardige en dierlijke cellen onderscheiden
        • Orgaan
          • bb; kb/gl/tl
            Voorbeelden van organen bij zaadplant en mens noemen
        • Organisme
          • bb; kb/gl/tl
            Benoemen dat organismen ingedeeld worden in planten, dieren, schimmels en bacteriën en de verschillen hiertussen benoemen
          • bb; kb/gl/tl
            Planten en dieren op basis van kenmerken indelen in hoofdgroepen
          • bb; kb/gl/tl
            Voorbeelden geven van gevaren en gebruik van virussen, bacteriën en schimmels
          • bb; kb/gl/tl
            Benoemen wat onder een soort wordt verstaan
      • D3. Karakteristieke denkwijzen
        • Patronen
          • Organismen kunnen worden ingedeeld in groepen, en die weer in deelgroepen waarbij steeds meer eigenschappen gemeenschappelijk zijn en de verwantschap toeneemt.
           
        • Schaal, verhouding en hoeveelheid
          • Organismen verschillen in grootte van 10-6 tot 102 meter. 
          • Een mens heeft 50-100 biljoen cellen en heeft daarnaast 10 x zoveel bacteriecellen in en op zich.
          • Naarmate dieren groter worden neemt de oppervlakte minder snel toe dan de inhoud (onder andere leidend tot minder warmteverlies).
           
        • Systemen en systeemmodellen
          • Organismen zijn te bestuderen op verschillende niveaus zoals cel, orgaan en organisme.
          • Onderdelen in combinatie vertonen activiteiten die de afzonderlijke onderdelen niet kunnen [Voorbeeld; een hart kan pompen, maar een spiercel of hartklep niet].
           
        • Structuur en functie
          • Alle organismen overleven door zich te voeden, zich te verdedigen tegen vijanden en tegen omgevingsinvloeden (zoals hitte en droogte) en zich voort te planten, maar vervullen deze functies op verschillende manieren.
          • In organismen draagt de structuur van organen en de reactie op prikkels uit de omgeving bij aan deze functies.
          • De vorm van verschillende cellen draagt bij aan de verschillende functies ervan.
    • Interactie
      • Waar het om gaat
        • Interactie
          Organismen reageren op prikkels uit de omgeving om voedsel, een veilige plek of een partner te vinden en vijanden te ontwijken. Interactie houdt het waarnemen van- en reageren op prikkels in. Voor de meeste prikkels uit de omgeving (zoals licht, geluid, hitte, kou, zwaartekracht) zijn er aparte zintuigen; de impulsen die deze doorgeven aan de hersenen leiden tot bewuste of onbewuste waarneming. Het lichaam heeft ook zintuigen die interne prikkels opvangen (zoals honger en spierspanning) en als impulsen doorgeven naar de hersenen. De waarnemingen kunnen leiden tot reacties: de hersenen sturen impulsen naar andere organen, zoals spieren en klieren. Dat is meestal ook een complexe reactie: voor een bepaalde beweging moet meer dan één spier in actie komen of juist ontspannen worden.
           
          Om effectief te reageren op de prikkels uit de omgeving heeft elke diersoort min of meer vaste gedragspatronen die onder andere de interactie tussen soortgenoten betreffen. Ook mensen hebben gedragspatronen, maar welk gedrag iemand vertoont hangt niet alleen af van wat de zintuigen waarnemen of van aangeboren patronen. Mensen kunnen hun gedrag tot op zekere hoogte kiezen. Deze keuze wordt beïnvloed door eerdere ervaringen, door wat anderen in de omgeving doen of normaal vinden en door de behoefte aan eten, veiligheid, aandacht, seks en verslavende middelen.
           
      • Samenhang
        • Interactie
          • binnen biologie:  Instandhouding (voeding en gezondheid);
          • met natuurkunde: Licht, geluid en straling (licht en geluid).
           
      • Integrale doelen
        • Interactie
          De leerling kan:
          1. uitleggen hoe de bouw van zintuigen bijdraagt aan hun functie;
          2. zintuigfuncties onderzoeken;
          3. uitleggen dat een zintuigcel een omgevingsprikkel omzet in een zenuwimpuls die doorgegeven kan worden naar de hersenen;
          4. uitleggen dat de hersenen een zenuwimpuls kunnen afgeven naar een spiercel die deze zenuwimpuls omzet in een samentrekking;
          5. aan het lichaam en in anatomische modellen aanwijzen waar zich de spieren, botten en gewrichten bevinden die bij een bepaalde beweging betrokken zijn en hoe deze samen de beweging tot stand brengen;
          6. diergedrag beschrijven;
          7. van eigen en andermans gedrag aangeven door welke factoren dat gedrag mede beïnvloed kan worden.
           
          Relevante contexten: gezondheid (medische keuring voor bepaalde beroepen, blessures voorkomen); vrijetijdsbesteding (sport en dans, gehoorschade bij overbelasting); veiligheid (menselijk gedrag in conflictsituaties).
           
      • D1. Karakteristieke werkwijzen
        • Onderzoeken
          • Drempelwaarden van zintuigen bepalen (voorbeelden; concentratie waarbij een stof nog te proeven is, blikveld meten, gehoorgrenzen, temperatuurverschillen die nog waar te nemen zijn).
          • Onderzoeken welke skeletdelen en spieren betrokken zijn bij een bepaalde beweging.
          • Veranderingen meten bij inspanning (zie ook domein Instandhouding).
          • Eenvoudige gedragsobservatie uitvoeren.
        • Modelontwikkeling en -gebruik
          • Bouw en functie van het oog toelichten aan de hand van anatomische modellen
        • Waarderen en oordelen
          • Het eigen gedrag in verschillende situaties beoordelen en gedragsalternatieven formuleren.
           
      • D2. Vakinhouden interactie
        • Waarneming
          • bb; kb/gl/tl
            Bouw en functie van het oog beschrijven
          • bb; kb/gl/tl
            Uitleggen welke lensafwijking verholpen kan worden met welke middelen
          • bb; kb/gl/tl
            Beschrijven dat signalen vanuit de zintuigen via zenuwen naar de hersenen worden doorgegeven
        • Beweging
          • bb; kb/gl/tl
            Bouw en functie van de bij bewegen betrokken organen bij de mens beschrijven
          • bb; kb/gl/tl
            Beschrijven dat signalen vanuit de hersenen via zenuwen naar de spieren worden doorgegeven
          • bb; kb/gl/tl
            Uitleggen wat lichamelijke conditie inhoudt en hoe deze bevorderd kan worden
        • Gedrag
          • bb; kb/gl/tl
            Voorbeelden geven van hoe (eigen) menselijk gedrag mede beïnvloed wordt door wat anderen om je heen doen of normaal vinden, en door inwendige factoren als honger, angst, seksuele opwinding of verslaving
          • kb/gl/tl
            Onderscheid maken tussen observatie en interpretatie van gedrag
      • D3. Karakteristieke denkwijzen
        • Oorzaak en gevolg
          • Houding en beweging ontstaan door tegengestelde activiteiten van antagonistische spieren. 
          • Gedrag wordt door veel factoren beïnvloed, waardoor dezelfde prikkel in verschillende omstandigheden tot verschillende reacties kan leiden.
           
        • Systeem en systeemmodellen
          • Systemen vertonen activiteiten die de afzonderlijke onderdelen niet vertonen (voorbeeld; een spier kan niet buigen, een bot ook niet, maar een combinatie van botten en spieren wel).
          • Zintuigen hebben als functie onder andere het lichaam te waarschuwen tegen schade, en zintuigprikkels leiden tot reacties die de schade beperken (voorbeelden; rillen bij te sterke afkoeling, drinken bij uitdroging, lichaamsdeel terugtrekken bij pijn, pupilreflex bij teveel licht).
           
        • Structuur en functie
          • De bouw van zintuigen is verbonden met de functies([voorbeeld; stand van haren bij wimpers en wenkbrauw maakt ze geschikt om stof en zweet uit het oog te houden).
          • Voor elke spier is een andere spier aanwezig met een tegengestelde werking.
        • Veiligheid
          • Onvoorbereid plotselinge inspanning leveren geeft grote kans op blessure.
          • In veel werksituaties zijn beschermende maatregelen nodig om de zintuigen te beschermen.
    • Dynamisch evenwicht
      • Waar het om gaat
        • Dynamisch evenwicht
          In ecosystemen vinden voortdurend veranderingen plaats. Organismen eten andere organismen, trekken weg, nemen in aantal toe en gaan dood. Toch blijven ecosystemen vrij stabiel, doordat hierin, net als in een lichaam, terugkoppeling plaatsvindt. Toename van een soort leidt tot toename van andere soorten die de eerste als voedsel gebruiken. Door kringlopen worden tekorten weer aangevuld en ophopingen voorkomen. Maar net als in een lichaam zijn er grenzen waarbij de balans verstoord kan raken. Menselijke activiteiten kunnen daartoe leiden en zo ecosystemen beschadigen waar de mensen zelf van afhankelijk zijn. Mensen kunnen teveel onttrekken aan ecosystemen (zoals bij waterwinning en visserij), maar ook teveel toevoegen aan ecosystemen (zoals bij koolstofdioxide uitstoot en verontreiniging van het oppervlaktewater). Bij een duurzame relatie met het milieu is er zowel een balans tussen wat onttrokken wordt en wat het milieu zelf opbrengt, als een balans tussen wat in het milieu gebracht wordt en wat het milieu zelf kan verwerken.
          Ondanks de grote schaal van veel milieuproblemen kan individueel gedrag een belangrijke bijdrage leveren aan zowel de problemen als de oplossingen. Ecologische kennis draagt bij aan een goed begrip van wat er gebeurt als menselijk ingrijpen het milieu op niet duurzame wijze beïnvloedt. Dankzij ecologische inzichten begrijpen en waarderen we hoe onze natuurlijke omgeving is ontstaan, wat de rijkdom ervan is en hoe deze behouden kan worden. Dit is temeer van belang omdat voor veel leerlingen dit eindonderwijs is over natuur en milieu.
           
      • Samenhang
        • Dynamisch evenwicht
          • binnen biologie:  Instandhouding (voeding), Biologische eenheid (biodiversiteit, infectieziekten);
          • met natuurkunde en scheikunde:  Energie( faseovergangen bij waterkringloop);
          • met  fysische geografie: landschapsvorming, klimaatverandering, duurzaamheid.
           
      • Integrale doelen
        • Dynamisch evenwicht
          De leerling kan:
          1. uitleggen dat planten door fotosynthese stoffen produceren die alle organismen gebruiken als bouw- en brandstoffen, en dat planten stoffen opnemen die de andere organismen aan de omgeving afgeven;
          2. een terrein in kaart brengen wat betreft begroeiing, dierlijk leven en abiotische factoren;
          3. vanuit gegevens over planten en dieren van een terrein een voedselweb opstellen en uitspraken doen over de biodiversiteit van het terrein; 
          4. ecosystemen vergelijken wat betreft planten en dieren en verschillen verklaren vanuit verschillen in klimaat, bodem en water;
          5. op basis van mediaberichten over een milieuprobleem onderzoeken wat hierbij de oorzaken, gevolgen en oplossingen zijn;
          6. een plan presenteren voor beperking van het gebruik van grondstoffen of van afvalproductie in huis of op school.
           
          Relevante contexten: duurzaamheid (besparing van energie en grondstoffen, natuurbehoud); voedselproductie (productie van plantaardig voedsel, vlees en vis).
           
      • D1. Karakteristieke werkwijzen
        • Onderzoeken
          • Met eenvoudige kartering en determinatie een terrein ecologisch onderzoeken en beschrijven.
           
        • Ontwerpen
          • Voorstel uitwerken voor beperking gebruik van grondstoffen en afval op school of buurt.
           
        • Modelontwikkeling en -gebruik
          • Werken met voedselketen- en kringloopschema’s. 
           
        • Reken- en wiskundige vaardigheden
          • Meten en berekenen van verbruik van water en energie/afvalproductie.
           
        • Informatievaardigheden
          • Inventarisatiegegevens vertalen naar een voedselweb en uitspraken over biodiversiteit.
           
        • Waarderen en oordelen
          • Vanuit mediaberichten waarin groepen het oneens zijn over een milieuprobleem analyseren waarin de standpunten verschillen en welke belangen een rol spelen.
      • D2. Vakinhouden dynamisch evenwicht
        • Voedselrelaties
          • bb; kb/gl/tl
            Uitleggen hoe soorten in een gebied van elkaar afhankelijk voor voedsel, schuilplaats en bestuiving
          • bb; kb/gl/tl
            Een voedselketen en voedselweb kunnen opstellen op basis van gegevens over planten en dieren in een gebied
          • bb; kb/gl/tl
            Benoemen dat planten bij de fotosynthese koolstofdioxide vastleggen in glucose en dat bij de verbranding van glucose weer koolstofdioxide vrijkomt
        • Duurzaamheid
          • bb; kb/gl/tl
            Voorbeelden geven van duurzame oplossingen voor milieuproblemen
          • kb/gl/tl
            Uitleggen dat duurzaam omgaan met het milieu inhoudt dat niet meer wordt onttrokken dan het milieu kan aanvullen en dat niet meer wordt afgegeven dan het milieu kan verwerken
          • kb/gl/tl
            Uitleggen dat niet-duurzaam omgaan met het milieu leidt tot versterkt broeikaseffect, uitputting van grondstoffen, verlies van natuur, en gezondheidsproblemen door vervuiling van water en leefomgeving
        • Ecosysteem
          • kb/gl/tl
            Eigenschappen van ecosystemen beschrijven en daarin de rol van biotische en abiotische factoren zoals bodem en water aangeven
          • kb/gl/tl
            Toelichten wat onder biodiversiteit wordt verstaan en daarvan voorbeelden geven uit de eigen omgeving
      • D3. Karakteristieke denkwijzen
        • Patronen
          • In een landschap zijn patronen van begroeiing te zien die veroorzaakt zijn door verschillen in abiotische factoren.
          • In elk ecosysteem zijn producenten, consumenten en reducenten te vinden die kringlopen van stoffen veroorzaken.
           
        • Schaal, verhouding en hoeveelheid
          • De optelsom van kleine individuele bijdragen kan een grote factor zijn in het veroorzaken en oplossen van milieuproblemen.
           
        • Systeem en systeemmodellen
          • In een ecosysteem zijn soorten en aantallen over langere tijd stabiel door regulerende processen [zoals predator-prooirelaties]. 
           
        • Behoud, transport en kringlopen van energie en materie
          • In een kringloop gaat geen materie verloren, maar worden stoffen en fasen door tegengestelde processen in elkaar omgezet en weer terug-gevormd [water door verdamping, condensatie, neerslag en stroming, koolstof door assimilatie en dissimilatie].
           
        • Duurzaamheid
          • Mensen grijpen in in hun milieu door er voedsel en grondstoffen uit te halen (landbouw, visserij, mijnbouw, waterwinning) en stoffen toe te voegen.
          • Duurzaam omgaan met het milieu houdt in dat niet meer wordt onttrokken dan het milieu kan aanvullen en dat de hoeveelheid en soort stoffen die worden toegevoegd zodanig zijn dat het milieu deze kan verwerken.
          • Niet duurzaam omgaan met het milieu leidt tot broeikaseffect, uitputting van grondstoffen, verlies van natuur, gezondheidsproblemen door vervuild water en lucht.
          • Hergebruik van grondstoffen, herbebossing, minder vlees eten, invoeren van afbreekbare grondstoffen dragen bij aan duurzame oplossingen.