helphelp

Leerlijn Nederlands (PO-vmbo)

( )

Sectoren
Domeinen
kerndoelen primair onderwijskerndoelen onderbouwvmbo bovenbouw bb exameneenhedenbb vmbo kb/gl/tl exameneenheden
1. Mondelinge taalvaardigheid

1:
De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven.

2:
De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren en bij het discussiëren.

3:
De leerlingen leren informatie te beoordelen in discussies en in een gesprek dat informatief of opiniërend van karakter is en leren met argumenten te reageren.

10:
De leerlingen leren bij de doelen onder 'mondeling taalonderwijs' en 'schriftelijk taalonderwijs' strategieën te herkennen, te verwoorden, te gebruiken en te beoordelen.

12:
De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder 'woordenschat' vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.

1, 2, 3, 10, 12

1:
De leerling leert zich mondeling en schriftelijk begrijpelijk uit te drukken.

2:
De leerling leert zich te houden aan conventies (spelling, grammaticaal correcte zinnen, woordgebruik) en leert het belang van die conventies te zien.

3:
De leerling leert strategieën te gebruiken voor het uitbreiden van zijn woordenschat.

4:
De leerling leert strategieën te gebruiken bij het verwerven van informatie uit gesproken en geschreven teksten.

5:
De leerling leert in schriftelijke en digitale bronnen informatie te zoeken, deze informatie te ordenen en te beoordelen op waarde voor hemzelf en anderen.

6:
De leerling leert deel te nemen aan overleg, planning, discussie in een groep.

7:
De leerling leert een mondelinge presentatie te geven.

9:
De leerling leert taalactiviteiten (spreken, luisteren, schrijven en lezen) planmatig voor te bereiden en uit te voeren.

10:
De leerling leert te reflecteren op de manier waarop hij zijn taalactiviteiten uitvoert en leert, op grond daarvan en van reacties van anderen, conclusies te trekken voor het uitvoeren van nieuwe taalactiviteiten.

1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10

NE/K/4
Luister- en kijkvaardigheid
De kandidaat kan:
  • luister- en kijkstrategieën hanteren
  • compenserende strategieën kiezen en hanteren
  • het doel van de makers van een programma aangeven
  • de belangrijkste elementen van een programma weergeven
  • een oordeel geven over een programma en dit toelichten
  • een instructie uitvoeren.
 
De kandidaat kan:
  • luister- en kijkstrategieën hanteren
  • compenserende strategieën kiezen en hanteren
  • het doel van de makers van een programma aangeven
  • de belangrijkste elementen van een programma weergeven
  • een oordeel geven over een programma en dit toelichten
  • een instructie uitvoeren
  • de waarde en betrouwbaarheid aangeven van de informatie die door de massamedia verspreid wordt.

NE/K/5 Spreek- en gespreksvaardigheid
De kandidaat kan:
  • relevante informatie verzamelen en verwerken ten behoeve van de spreek- en gesprekssituatie strategieën hanteren ten behoeve van de spreek- en gesprekssituatie
  • compenserende strategieën kiezen en hanteren
  • het spreek-/luisterdoel in de situatie tot uitdrukking brengen
  • het spreek-/luisterdoel en taalgebruik richten op verschillende soorten publiek
  • het spreekdoel van anderen herkennen en de reacties van anderen inschatten
  • in spreek- en gesprekssituaties taalvarianten herkennen en daar adequaat op inspelen.
 

NE/V/1 Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.

NE/V/3 Vaardigheden in samenhang
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.

NE/K/4/BB, NE/K/5, NE/V/1, NE/V/3

NE/K/4
Luister- en kijkvaardigheid
De kandidaat kan:
  • luister- en kijkstrategieën hanteren
  • compenserende strategieën kiezen en hanteren
  • het doel van de makers van een programma aangeven
  • de belangrijkste elementen van een programma weergeven
  • een oordeel geven over een programma en dit toelichten
  • een instructie uitvoeren.
 
De kandidaat kan:
  • luister- en kijkstrategieën hanteren
  • compenserende strategieën kiezen en hanteren
  • het doel van de makers van een programma aangeven
  • de belangrijkste elementen van een programma weergeven
  • een oordeel geven over een programma en dit toelichten
  • een instructie uitvoeren
  • de waarde en betrouwbaarheid aangeven van de informatie die door de massamedia verspreid wordt.

NE/K/5 Spreek- en gespreksvaardigheid
De kandidaat kan:
  • relevante informatie verzamelen en verwerken ten behoeve van de spreek- en gesprekssituatie strategieën hanteren ten behoeve van de spreek- en gesprekssituatie
  • compenserende strategieën kiezen en hanteren
  • het spreek-/luisterdoel in de situatie tot uitdrukking brengen
  • het spreek-/luisterdoel en taalgebruik richten op verschillende soorten publiek
  • het spreekdoel van anderen herkennen en de reacties van anderen inschatten
  • in spreek- en gesprekssituaties taalvarianten herkennen en daar adequaat op inspelen.
 

NE/V/1 Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.

NE/V/3 Vaardigheden in samenhang
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.

NE/K/4/KB/GL/TL, NE/K/5, NE/V/1, NE/V/3
2. Leesvaardigheid

4:
De leerlingen leren informatie te achterhalen in informatieve en instructieve teksten, waaronder schema's, tabellen en digitale bronnen.

6:
De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het lezen van school- en studieteksten en andere instructieve teksten, bij systematisch geordende bronnen, waaronder digitale.

7:
De leerlingen leren informatie en meningen te vergelijken en te beoordelen in verschillende teksten.

9:
De leerlingen krijgen plezier in het lezen en schrijven van voor hen bestemde verhalen, gedichten en informatieve teksten.

10:
De leerlingen leren bij de doelen onder 'mondeling taalonderwijs' en 'schriftelijk taalonderwijs' strategieën te herkennen, te verwoorden, te gebruiken en te beoordelen.

12:
De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder 'woordenschat' vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.

4, 6, 7, 9, 10, 12

3:
De leerling leert strategieën te gebruiken voor het uitbreiden van zijn woordenschat.

4:
De leerling leert strategieën te gebruiken bij het verwerven van informatie uit gesproken en geschreven teksten.

5:
De leerling leert in schriftelijke en digitale bronnen informatie te zoeken, deze informatie te ordenen en te beoordelen op waarde voor hemzelf en anderen.

8:
De leerling leert verhalen, gedichten en informatieve teksten te lezen die aan zijn belangstelling tegemoet komen en zijn belevingswereld uitbreiden.

9:
De leerling leert taalactiviteiten (spreken, luisteren, schrijven en lezen) planmatig voor te bereiden en uit te voeren.

10:
De leerling leert te reflecteren op de manier waarop hij zijn taalactiviteiten uitvoert en leert, op grond daarvan en van reacties van anderen, conclusies te trekken voor het uitvoeren van nieuwe taalactiviteiten.

3, 4, 5, 8, 9, 10

NE/K/6 Leesvaardigheid
De kandidaat kan:
  • leesstrategieën hanteren
  • compenserende strategieën kiezen en hanteren
  • functie van beeld en opmaak in een tekst herkennen
  • het schrijfdoel van de auteur aangeven  
  • een tekst indelen in betekenisvolle eenheden en de relaties tussen die
  • eenheden benoemen het hoofdonderwerp en de hoofdgedachte van een tekst aangeven
  • een oordeel geven over de tekst en dit oordeel toelichten.
 

NE/V/1 Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.

NE/V/3 Vaardigheden in samenhang
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.

NE/K/6/BB, NE/V/1, NE/V/3

NE/K/6  Leesvaardigheid
De kandidaat kan:
  • leesstrategieën hanteren
  • compenserende strategieën kiezen en hanteren
  • functie van beeld en opmaak in een tekst herkennen
  • het schrijfdoel van de auteur aangeven en de talige middelen die hij hanteert om dit doel te bereiken
  • een tekst indelen in betekenisvolle eenheden en de relaties tussen die eenheden benoemen
  • het hoofdonderwerp en de hoofdgedachte van een tekst aangeven en een samenvatting geven
  • een oordeel geven over de tekst en dit oordeel toelichten.
 

NE/V/1 Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.

NE/V/3 Vaardigheden in samenhang
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.

NE/K/6/KB/GL/TL, NE/V/1, NE/V/3
3. Schrijfvaardigheid

1:
De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven.

5:
De leerlingen leren naar inhoud en vorm teksten te schrijven met verschillende functies, zoals: informeren, instrueren, overtuigen of plezier verschaffen.

6:
De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het lezen van school- en studieteksten en andere instructieve teksten, bij systematisch geordende bronnen, waaronder digitale.

8:
De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het schrijven van een brief, een verslag, een formulier of een werkstuk. Zij besteden daarbij aandacht aan zinsbouw, correcte spelling, een leesbaar handschrift, bladspiegel, eventueel beeldende elementen en kleur.

9:
De leerlingen krijgen plezier in het lezen en schrijven van voor hen bestemde verhalen, gedichten en informatieve teksten.

11:
De leerlingen leren een aantal taalkundige principes en regels. Zij kunnen in een zin het onderwerp, het werkwoordelijk gezegde en delen van dat gezegde onderscheiden. De leerlingen kennen: regels voor het spellen van werkwoorden;

1, 5, 6, 8, 9, 11

1:
De leerling leert zich mondeling en schriftelijk begrijpelijk uit te drukken.

2:
De leerling leert zich te houden aan conventies (spelling, grammaticaal correcte zinnen, woordgebruik) en leert het belang van die conventies te zien.

5:
De leerling leert in schriftelijke en digitale bronnen informatie te zoeken, deze informatie te ordenen en te beoordelen op waarde voor hemzelf en anderen.

9:
De leerling leert taalactiviteiten (spreken, luisteren, schrijven en lezen) planmatig voor te bereiden en uit te voeren.

10:
De leerling leert te reflecteren op de manier waarop hij zijn taalactiviteiten uitvoert en leert, op grond daarvan en van reacties van anderen, conclusies te trekken voor het uitvoeren van nieuwe taalactiviteiten.

1, 2, 5, 9, 10

NE/K/7 Schrijfvaardigheid
De kandidaat kan:
  • relevante informatie verzamelen en verwerken ten behoeve van het schrijven schrijfstrategieën hanteren
  • compenserende strategieën kiezen en hanteren
  • het schrijfdoel in teksten tot uitdrukking brengen
  • het schrijfdoel en taalgebruik richten op verschillende soorten lezerspubliek
  • conventies hanteren met betrekking tot schriftelijk taalgebruik
  • elektronische hulpmiddelen gebruiken bij het schrijven
  • concepten van de tekst herschrijven op basis van geleverd commentaar.
 

NE/V/1 Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.

NE/V/2 Schrijven op basis van documentatie
De kandidaat kan een doel- en publiekgerichte tekst schrijven:
  • overeenkomstig de voor de tekstsoort geldende conventies onder gebruikmaking van documentatie.

NE/V/3 Vaardigheden in samenhang
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.

NE/K/7, NE/V/1, NE/V/2, NE/V/3

NE/K/7 Schrijfvaardigheid
De kandidaat kan:
  • relevante informatie verzamelen en verwerken ten behoeve van het schrijven schrijfstrategieën hanteren
  • compenserende strategieën kiezen en hanteren
  • het schrijfdoel in teksten tot uitdrukking brengen
  • het schrijfdoel en taalgebruik richten op verschillende soorten lezerspubliek
  • conventies hanteren met betrekking tot schriftelijk taalgebruik
  • elektronische hulpmiddelen gebruiken bij het schrijven
  • concepten van de tekst herschrijven op basis van geleverd commentaar.
 

NE/V/1 Verwerven, verwerken en verstrekken van informatie
De kandidaat kan zelfstandig informatie verwerven, verwerken en verstrekken in het kader van het sectorwerkstuk.

NE/V/2 Schrijven op basis van documentatie
De kandidaat kan een doel- en publiekgerichte tekst schrijven:
  • overeenkomstig de voor de tekstsoort geldende conventies onder gebruikmaking van documentatie.

NE/V/3 Vaardigheden in samenhang
De kandidaat kan de vaardigheden uit het kerndeel in samenhang toepassen.

NE/K/7, NE/V/1, NE/V/2, NE/V/3
4. Begrippenlijst en taalverzorging

8:
De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het schrijven van een brief, een verslag, een formulier of een werkstuk. Zij besteden daarbij aandacht aan zinsbouw, correcte spelling, een leesbaar handschrift, bladspiegel, eventueel beeldende elementen en kleur.

8
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.