helphelp

Tussendoelen

Nederlands ( vmbo )

  • = CE
  • = Basis
  • = Verdiepende keuzestof
  • = SE
  • = Verbredende keuzestof
  • = SE Papieren versie CE Digitale versie [bij digitale versie mag deze eindterm ook nog op SE]
  • = CE [mag op SE]
  • = Varieert per bb/kb/gt-leerweg en varieert ook door de keuze voor papieren of digitaal examen. Zie Syllabus 2014.
  • = CE en SE
  • = K
  • = Kgv
Leesvaardigheid33 leermiddelen
SLO heeft in opdracht van het Ministerie van OCW voor de kernvakken Nederlands, Engels en wiskunde/rekenen tussendoelen ontwikkeld. Deze nog niet wettelijk vastgestelde tussendoelen worden op verzoek van het Ministerie van OCW toch alvast openbaar gemaakt om het onderwijsveld de gelegenheid te geven om het onderwijsaanbod en methodes op de tussendoelen aan te passen en hier ervaringen mee op te doen.
SubdomeinenKenmerken van de taakuitvoeringvmbokerndoelen onderbouw
Lezen van zakelijke tekstenA 1.1 Woordenschat
De leerling kan
 1.1 de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context
 1.2 de betekenis van onbekende woorden afleiden uit bekende delen van het woord

VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
A 1.2 Begrijpen
De leerling kan
 2.1 een of meer informatie-elementen weergeven
 2.2 hoofd- en bijzaken herkennen
 2.3 tekstdelen herkennen
 2.4 tekstverbanden herkennen, namelijk opsommingen, tijdvolgorde, tegenstelling en oorzaak-gevolg

VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
A 1.3 Interpreteren
De leerling kan
3.1 informatie en meningen interpreteren die letterlijk in de tekst staan
3.2 het tekstdoel herkennen, namelijk informeren, instrueren of betogen
3.3 de bedoeling van tekstgedeeltes verwoorden
3.4 de bedoeling van specifieke formuleringen verwoorden
3.5 de bedoeling van de schrijver verwoorden wanneer die expliciet in de tekst staat

VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
A 1.4 Evalueren
De leerling kan
4. verbanden binnen een tekst beoordelen, zoals argumenten voor en tegen

VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
A 1.5 Samenvatten
De leerling kan
 5.1 de belangrijkste informatie-elementen in de tekst aanwijzen en/of noteren
 5.2 de hoofdzaken van een tekst in kernwoorden noteren

VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
A 1.6 Opzoeken
De leerling kan
6.1 systematisch informatie opzoeken (alfabetisch en met trefwoorden) in naslagwerken, op internet of in de mediatheek
6.2 schematische informatie lezen, zoals tabellen en grafieken
6.3 de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van informatiebronnen beoordelen

VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
Lezen van fictieA 2.1 Begrijpen
De leerling kan
 7.1 structuurelementen herkennen, zoals wisselingen van tijd en plaats
 7.2 meeleven met een personage en gevoelens van het personage beschrijven
 7.3 een situatie of verwikkeling beschrijven
 7.4 figuurlijk taalgebruik herkennen
 7.5 verhalen en gedichten in eigen woorden navertellen

VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
A 2.2 Interpreteren
De leerling kan
 8.1 de tekst met de werkelijkheid vergelijken
 8.2 het onderwerp benoemen
 8.3 verschillende emoties in de tekst herkennen
 8.4 spannende, humoristische, dramatische, of realistische passages herkennen

VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
A 2.3 Evalueren
De leerling kan
 9.1 de tekst evalueren met argumenten en/of voorbeelden uit de tekst

VO 03, VO 04, VO 05, VO 08, VO 09, VO 10
Mondelinge taalvaardigheid28 leermiddelen
SLO heeft in opdracht van het Ministerie van OCW voor de kernvakken Nederlands, Engels en wiskunde/rekenen tussendoelen ontwikkeld. Deze nog niet wettelijk vastgestelde tussendoelen worden op verzoek van het Ministerie van OCW toch alvast openbaar gemaakt om het onderwijsveld de gelegenheid te geven om het onderwijsaanbod en methodes op de tussendoelen aan te passen en hier ervaringen mee op te doen.
SubdomeinenKenmerken van de taakuitvoeringvmbokerndoelen onderbouw
GespreksvaardigheidB 1.1 De beurt nemen en bijdragen aan de samenhang
De leerling kan
10.1 een frase gebruiken om het gesprek te openen
10.2 een gesprek gaande houden (bijvoorbeeld door de beurt te nemen, oogcontact, instemmend knikken of bevestigingen)
10.3 een frase gebruiken om een gesprek te beëindigen
10.4 op de beurt wachten om iets te zeggen

VO 01, VO 02, VO 04, VO 05, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 1.2 Afstemming op doel
De leerling kan
11.1 een gesprek voeren om informatie en meningen uit te wisselen, uitleg te geven, instructie te geven en te volgen of om iemand te overtuigen
11.2 vragen stellen om aan specifieke informatie te komen, zoals wie-, wat-, waar- en wanneer-vragen

VO 01, VO 02, VO 04, VO 05, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 1.3 Afstemming op de gesprekspartner(s)
De leerling kan
12.1 de gesprekspartner goed volgen, ook als er een onverwachte wending in het gesprek volgt
12.2 non-verbaal contact onderhouden met de gesprekspartner (door oogcontact, mimiek, handgebaren en lichaamshouding)
12.3 het spreekdoel van gesprekspartner(s) herkennen, namelijk informeren, instrueren of betogen

VO 01, VO 02, VO 04, VO 05, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 1.4 Woordenschat en woordgebruik
De leerling kan
13.1 over voldoende woorden beschikken om informatie over te brengen
13.2 in woordgebruik variëren om storende herhaling te voorkomen

VO 01, VO 02, VO 04, VO 05, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 1.5 Vloeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersing
De leerling kan
14.1 een verstaanbaar volume hanteren, maar niet te hard
14.2 een tempo hanteren dat is afgestemd op de gesprekspartner(s)
14.3 een afwisselende intonatie hanteren
14.4 woorden correct uitspreken
14.5 enkelvoudige en samengestelde zinnen gebruiken

VO 01, VO 02, VO 04, VO 05, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
Luister- en kijkvaardigheidB 2.1 Woordenschat
De leerling kan
15.1 de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context
15.2 de betekenis van onbekende woorden afleiden uit bekende delen van het woord

VO 03, VO 04, VO 09, VO 10
B 2.2 Begrijpen
De leerling kan
16.1 het onderwerp benoemen
16.2 enkele deelonderwerpen benoemen
16.3 verbanden herkennen, namelijk opsommingen, tijdvolgorde, tegenstelling en oorzaak-gevolg

VO 03, VO 04, VO 09, VO 10
B 2.3 Interpreteren
De leerling kan
17.1 informatie en meningen interpreteren die expliciet genoemd zijn
17.2 het spreekdoel herkennen, namelijk informeren, instrueren of betogen
17.3 de bedoeling van de spreker verwoorden als die expliciet genoemd is

VO 03, VO 04, VO 09, VO 10
B 2.4 Evalueren
De leerling kan
18.1 een oordeel over een fragment verwoorden en toelichten
18.2 soorten informatiebronnen herkennen, zoals nieuwsberichten, reclameboodschappen en discussieprogramma's

VO 03, VO 04, VO 09, VO 10
B 2.5 Samenvatten
De leerling kan
19.1 de belangrijkste informatie-elementen (ook visuele) benoemen

VO 03, VO 04, VO 09, VO 10
SpreekvaardigheidB 3.1 Samenhang
De leerling kan
20.1 het onderwerp en de belangrijkste deelonderwerpen noemen
20.2 de verschillende deelonderwerpen markeren
20.3 signaalwoorden gebruiken voor opsommingen, tijdvolgorde, tegenstelling en oorzaak-gevolg
20.4 verwijswoorden gebruiken, zoals die, dat

VO 01, VO 02, VO 04, VO 05, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 3.2 Afstemming op doel
De leerling kan
21.1 een herkenbaar spreekdoel hanteren, namelijk informeren, instrueren of betogen

VO 01, VO 02, VO 04, VO 05, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 3.3 Afstemming op publiek
De leerling kan
22.1 woordgebruik en toon afstemmen op publiek
22.2 ervaringen met het onderwerp verwoorden
22.3 na afloop vragen beantwoorden
22.4 bij voorbereide presentaties ondersteunende materialen gebruiken, zoals voorwerpen, posters, beeld- of geluidsfragmenten

VO 01, VO 02, VO 04, VO 05, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 3.4 Woordenschat en woordgebruik
De leerling kan
23.1 over voldoende woorden beschikken om informatie over te brengen
23.2 in woordgebruik variëren om storende herhaling te voorkomen

VO 01, VO 02, VO 04, VO 05, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
B 3.5 Vloeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersing
De leerling kan
24.1 een verstaanbaar volume hanteren, maar niet te hard
24.2 een tempo hanteren dat is afgestemd op het publiek
24.3 passende en afwisselende intonatie gebruiken
24.4 woorden correct uitspreken
24.5 enkelvoudige en samengestelde zinnen gebruiken
24.6 vloeiend spreken (maar aarzelingen, pauzes, valse starts en herformuleringen komen voor)
24.7 een betrokken, geïnteresseerde houding tonen
24.8 passende mimiek gebruiken om emoties uit te drukken

VO 01, VO 02, VO 04, VO 05, VO 06, VO 07, VO 09, VO 10
Schrijfvaardigheid187 leermiddelen
SLO heeft in opdracht van het Ministerie van OCW voor de kernvakken Nederlands, Engels en wiskunde/rekenen tussendoelen ontwikkeld. Deze nog niet wettelijk vastgestelde tussendoelen worden op verzoek van het Ministerie van OCW toch alvast openbaar gemaakt om het onderwijsveld de gelegenheid te geven om het onderwijsaanbod en methodes op de tussendoelen aan te passen en hier ervaringen mee op te doen.
Kenmerken van de taakuitvoeringvmbokerndoelen onderbouw
C 1 Samenhang
De leerling kan
25.1 een onderwerp en de belangrijkste deelonderwerpen beschrijven
25.2 het onderwerp in een inleiding introduceren en met een passend slot afronden
25.3 een tekst in alinea’s onderverdelen
25.4 signaalwoorden gebruiken voor opsommingen, tijdvolgorde, tegenstelling en oorzaak-gevolg
25.5 verwijswoorden gebruiken, zoals die, dat

VO 01, VO 02, VO 05, VO 09, VO 10
C 2 Afstemming op doel
De leerling kan
26.1 een herkenbaar schrijfdoel hanteren, namelijk informeren, instrueren of betogen

VO 01, VO 02, VO 05, VO 09, VO 10
C 3 Afstemming op publiek
De leerling kan
27.1 woordgebruik en toon afstemmen op publiek
27.2 een titel gebruiken
27.3 conventies bij correspondentie hanteren, zoals datering, adressering, aanhef, ondertekening
27.4  opmaakelementen gebruiken, namelijk lettertype, bladspiegel en illustraties

VO 01, VO 02, VO 05, VO 09, VO 10
C 4 Woordenschat en woordgebruik
De leerling kan
28.1 over voldoende woorden beschikken om informatie over te brengen
28.2 in woordgebruik variëren om storende herhaling te voorkomen
28.3 gebruik maken van bronteksten door citeren en parafraseren

VO 01, VO 02, VO 05, VO 09, VO 10
C 5 Spelling, interpunctie en grammatica
De leerling kan
29.1 correcte spelling en interpunctie hanteren bij het schrijven, maar met af en toe fouten in de volgende gevallen:    
- als de stam van de persoonsvorm op een d eindigt (ik word, jij wordt)
- als 'jij' of 'je' achter de persoonsvorm staat (word jij ziek, wordt je broer ziek)
- als de persoonsvorm en het voltooid deelwoord hetzelfde klinken (gebeurt, gebeurd)
- als het om de verleden tijd van werkwoorden gaat waarvan de stam eindigt op een -t of een -d (bevatten, antwoorden)
- als het om de vervoeging van Engelse werkwoorden gaat
- als de tussenklanken -s- en -e(n)- niet duidelijk hoorbaar zijn in de gesproken taal (Stationsstraat, krantenbericht)
- als het aaneenschrijving en losschrijving betreft
- als het een verkleinwoord na een open klinker betreft (autootje)
29.2 enkelvoudige en samengestelde zinnen gebruiken

VO 01, VO 02, VO 05, VO 09, VO 10