helphelp

Leerlijn Rekenen/Wiskunde (PO-vmbo)

( )

Sectoren
Vakkernen
kerndoelen primair onderwijs kerndoelen onderbouw vmbo bovenbouw bb exameneenhedenvmbo bovenbouw kb exameneenhedenvmbo bovenbouw gl/tl exameneenheden
1. Inzicht en handelen

23:
De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken.

24:
De leerlingen leren praktische en formele reken-wiskundige problemen op te lossen en redeneringen helder weer te geven.

25:
De leerlingen leren aanpakken bij het oplossen van reken wiskundeproblemen te onderbouwen en leren oplossingen te beoordelen.

26:
De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen, gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen.

31:
De leerlingen leren de rekenmachine met inzicht te gebruiken.

23, 24, 25, 26, 31

19:
De leerling leert passende wiskundetaal te gebruiken voor het ordenen van het eigen denken en voor uitleg aan anderen en leert de wiskundetaal van anderen te begrijpen.

20:
De leerling leert alleen en in samenwerking met anderen in praktische situaties wiskunde te herkennen en te gebruiken om problemen op te lossen.

21:
De leerling leert een wiskundige argumentatie op te zetten en te onderscheiden van meningen en beweringen en leert daarbij met respect voor ieders denkwijze wiskundige kritiek te geven en te krijgen.

19, 20, 21

WI/K/3 Leervaardigheden in het vak wiskunde
3. De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij:
− wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes;
− communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik;
− adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.
 

WI/K/8 Geïntegreerde Wiskundige Activiteiten
11. De kandidaat kan problemen in alledaagse situaties vertalen naar wiskundige problemen, en daarbij:
− de hierboven genoemde vaardigheden geïntegreerd gebruiken;
− conclusies trekken die relevant zijn voor de bewuste probleemsituatie.
 

WI/V/2 Verrijkingsopdrachten
13. De leerling verricht complexe opdrachten, waarbij het proces van het probleemgebied kiezen, de probleemsituatie identificeren en mathematiseren, het probleem oplossen, de oplossing terugplaatsen in de oorspronkelijke situatie en reflecteren op het proces wordt doorlopen.
 

WI/K/3, WI/K/8, WI/V/2

WI/K/3 Leervaardigheden in het vak wiskunde
3. De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij:
− wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes;
− communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik;
− adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.
 

WI/K/8 Geïntegreerde Wiskundige Activiteiten
11. De kandidaat kan problemen in alledaagse situaties vertalen naar wiskundige problemen, en daarbij:
− de hierboven genoemde vaardigheden geïntegreerd gebruiken;
− conclusies trekken die relevant zijn voor de bewuste probleemsituatie.
 

WI/V/2 Verrijkingsopdrachten
13. De leerling verricht complexe opdrachten, waarbij het proces van het probleemgebied kiezen, de probleemsituatie identificeren en mathematiseren, het probleem oplossen, de oplossing terugplaatsen in de oorspronkelijke situatie en reflecteren op het proces wordt doorlopen.
 

WI/K/3, WI/K/8, WI/V/2

WI/K/3 Leervaardigheden in het vak wiskunde
3. De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij:
− wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes;
− communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik;
− adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.
 

WI/K/8 Geïntegreerde Wiskundige Activiteiten
11. De kandidaat kan problemen in alledaagse situaties vertalen naar wiskundige problemen, en daarbij:
− de hierboven genoemde vaardigheden geïntegreerd gebruiken;
− conclusies trekken die relevant zijn voor de bewuste probleemsituatie.
 

WI/V/2 Verrijkingsopdrachten
13. De leerling verricht complexe opdrachten, waarbij het proces van het probleemgebied kiezen, de probleemsituatie identificeren en mathematiseren, het probleem oplossen, de oplossing terugplaatsen in de oorspronkelijke situatie en reflecteren op het proces wordt doorlopen.
 

WI/K/3, WI/K/8, WI/V/2
2. Getallen

23:
De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken.

24:
De leerlingen leren praktische en formele reken-wiskundige problemen op te lossen en redeneringen helder weer te geven.

25:
De leerlingen leren aanpakken bij het oplossen van reken wiskundeproblemen te onderbouwen en leren oplossingen te beoordelen.

26:
De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen, gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen.

27:
De leerlingen leren de basisbewerkingen met gehele getallen in elk geval tot 100 snel uit het hoofd uitvoeren, waarbij optellen en aftrekken tot 20 en de tafels van buiten gekend zijn.

28:
De leerlingen leren schattend tellen en rekenen.

29:
De leerlingen leren handig optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

30:
De leerlingen leren schriftelijk optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen volgens meer of minder verkorte standaardprocedures.

31:
De leerlingen leren de rekenmachine met inzicht te gebruiken.

23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31

22:
De leerling leert de structuur en de samenhang te doorzien van positieve en negatieve getallen, decimale getallen, breuken, procenten en verhoudingen en leert ermee te werken in zinvolle en praktische situaties.

23:
De leerling leert exact en schattend rekenen en redeneren op basis van inzicht in nauwkeurigheid, orde van grootte, en marges die in een gegeven situatie passend zijn.

22, 23

WI/K/3 Leervaardigheden in het vak wiskunde
3. De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij:
− wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes;
− communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik;
− adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.
 

WI/K/4 Algebraïsche verbanden
4. (BB) De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij:
− tabellen, grafieken en woordformules hanteren, in het bijzonder bij lineaire verbanden;
− geschikte wiskundige modellen gebruiken.
5. (KB) De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij:
− tabellen, grafieken en (woord)formules hanteren bij verschillende typen verbanden;
− geschikte wiskundige modellen gebruiken.
6. (GL/TL) De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij:
− tabellen, grafieken en formules hanteren bij verschillende typen verbanden;
− geschikte wiskundige modellen gebruiken.
 

WI/K/5 Rekenen, meten en schatten
7. De kandidaat kan efficiënt rekenen en cijfermatige gegevens kritisch beoordelen, en daarbij:
− schatten en rekenen met gangbare maten en grootheden;
− op een verstandige manier de rekenmachine gebruiken.
 

WI/V/1 Aanvullende eisen
12. De kandidaat kan:
− op de verschillende verbanden toegespitste technieken toepassen;
− formules en verbanden op een meer formele manier hanteren;
− complexe rekentechnieken verrichten met behulp van de rekenmachine;
− complexe meetkundige technieken gebruiken.
 

WI/K/3, WI/K/4/BB, WI/K/5, WI/V/1

WI/K/3 Leervaardigheden in het vak wiskunde
3. De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij:
− wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes;
− communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik;
− adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.
 

WI/K/4 Algebraïsche verbanden
4. (BB) De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij:
− tabellen, grafieken en woordformules hanteren, in het bijzonder bij lineaire verbanden;
− geschikte wiskundige modellen gebruiken.
5. (KB) De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij:
− tabellen, grafieken en (woord)formules hanteren bij verschillende typen verbanden;
− geschikte wiskundige modellen gebruiken.
6. (GL/TL) De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij:
− tabellen, grafieken en formules hanteren bij verschillende typen verbanden;
− geschikte wiskundige modellen gebruiken.
 

WI/K/5 Rekenen, meten en schatten
7. De kandidaat kan efficiënt rekenen en cijfermatige gegevens kritisch beoordelen, en daarbij:
− schatten en rekenen met gangbare maten en grootheden;
− op een verstandige manier de rekenmachine gebruiken.
 

WI/V/1 Aanvullende eisen
12. De kandidaat kan:
− op de verschillende verbanden toegespitste technieken toepassen;
− formules en verbanden op een meer formele manier hanteren;
− complexe rekentechnieken verrichten met behulp van de rekenmachine;
− complexe meetkundige technieken gebruiken.
 

WI/K/3, WI/K/4/KB, WI/K/5, WI/V/1

WI/K/3 Leervaardigheden in het vak wiskunde
3. De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij:
− wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes;
− communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik;
− adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.
 

WI/K/4 Algebraïsche verbanden
4. (BB) De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij:
− tabellen, grafieken en woordformules hanteren, in het bijzonder bij lineaire verbanden;
− geschikte wiskundige modellen gebruiken.
5. (KB) De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij:
− tabellen, grafieken en (woord)formules hanteren bij verschillende typen verbanden;
− geschikte wiskundige modellen gebruiken.
6. (GL/TL) De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij:
− tabellen, grafieken en formules hanteren bij verschillende typen verbanden;
− geschikte wiskundige modellen gebruiken.
 

WI/K/5 Rekenen, meten en schatten
7. De kandidaat kan efficiënt rekenen en cijfermatige gegevens kritisch beoordelen, en daarbij:
− schatten en rekenen met gangbare maten en grootheden;
− op een verstandige manier de rekenmachine gebruiken.
 

WI/V/1 Aanvullende eisen
12. De kandidaat kan:
− op de verschillende verbanden toegespitste technieken toepassen;
− formules en verbanden op een meer formele manier hanteren;
− complexe rekentechnieken verrichten met behulp van de rekenmachine;
− complexe meetkundige technieken gebruiken.
 

WI/K/3, WI/K/4/GL/TL, WI/K/5, WI/V/1
3. Verhoudingen

23:
De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken.

24:
De leerlingen leren praktische en formele reken-wiskundige problemen op te lossen en redeneringen helder weer te geven.

26:
De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen, gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen.

31:
De leerlingen leren de rekenmachine met inzicht te gebruiken.

23, 24, 26, 31

22:
De leerling leert de structuur en de samenhang te doorzien van positieve en negatieve getallen, decimale getallen, breuken, procenten en verhoudingen en leert ermee te werken in zinvolle en praktische situaties.

22

WI/K/3 Leervaardigheden in het vak wiskunde
3. De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij:
− wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes;
− communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik;
− adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.
 

WI/K/5 Rekenen, meten en schatten
7. De kandidaat kan efficiënt rekenen en cijfermatige gegevens kritisch beoordelen, en daarbij:
− schatten en rekenen met gangbare maten en grootheden;
− op een verstandige manier de rekenmachine gebruiken.
 

WI/V/1 Aanvullende eisen
12. De kandidaat kan:
− op de verschillende verbanden toegespitste technieken toepassen;
− formules en verbanden op een meer formele manier hanteren;
− complexe rekentechnieken verrichten met behulp van de rekenmachine;
− complexe meetkundige technieken gebruiken.
 

WI/K/3, WI/K/5, WI/V/1

WI/K/3 Leervaardigheden in het vak wiskunde
3. De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij:
− wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes;
− communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik;
− adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.
 

WI/K/5 Rekenen, meten en schatten
7. De kandidaat kan efficiënt rekenen en cijfermatige gegevens kritisch beoordelen, en daarbij:
− schatten en rekenen met gangbare maten en grootheden;
− op een verstandige manier de rekenmachine gebruiken.
 

WI/V/1 Aanvullende eisen
12. De kandidaat kan:
− op de verschillende verbanden toegespitste technieken toepassen;
− formules en verbanden op een meer formele manier hanteren;
− complexe rekentechnieken verrichten met behulp van de rekenmachine;
− complexe meetkundige technieken gebruiken.
 

WI/K/3, WI/K/5, WI/V/1

WI/K/3 Leervaardigheden in het vak wiskunde
3. De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij:
− wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes;
− communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik;
− adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.
 

WI/K/5 Rekenen, meten en schatten
7. De kandidaat kan efficiënt rekenen en cijfermatige gegevens kritisch beoordelen, en daarbij:
− schatten en rekenen met gangbare maten en grootheden;
− op een verstandige manier de rekenmachine gebruiken.
 

WI/V/1 Aanvullende eisen
12. De kandidaat kan:
− op de verschillende verbanden toegespitste technieken toepassen;
− formules en verbanden op een meer formele manier hanteren;
− complexe rekentechnieken verrichten met behulp van de rekenmachine;
− complexe meetkundige technieken gebruiken.
 

WI/K/3, WI/K/5, WI/V/1
4. Meten en meetkunde

23:
De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken.

32:
De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.

33:
De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.

23, 32, 33

24:
De leerling leert meten, leert structuur en samenhang doorzien van het metriek stelsel en leert rekenen met maten voor grootheden die gangbaar zijn in relevante toepassingen.

26:
De leerling leert te werken met platte en ruimtelijke vormen en structuren, leert daarvan afbeeldingen te maken en deze te interpreteren en leert met hun eigenschappen en afmetingen te rekenen en redeneren.

24, 26

WI/K/3 Leervaardigheden in het vak wiskunde
3. De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij:
− wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes;
− communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik;
− adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.
 

WI/K/5 Rekenen, meten en schatten
7. De kandidaat kan efficiënt rekenen en cijfermatige gegevens kritisch beoordelen, en daarbij:
− schatten en rekenen met gangbare maten en grootheden;
− op een verstandige manier de rekenmachine gebruiken.
 

WI/K/6 Meetkunde  
8. (BB) De kandidaat kan voorstellingen maken, onderzoeken en interpreteren van objecten en hun plaats in de ruimte, en daarbij:
− redeneren over meetkundige figuren en deze tekenen;
− afmetingen meten, schatten en berekenen;
− meetkundige begrippen, instrumenten en apparaten hanteren.  
9. (KB/GL/TL) De kandidaat kan voorstellingen maken, onderzoeken en interpreteren van objecten en hun plaats in de ruimte, en daarbij:
− redeneren over meetkundige figuren en deze tekenen;
− afmetingen meten, schatten en berekenen;
− meetkundige begrippen en formules, instrumenten en apparaten hanteren.
 

WI/V/1 Aanvullende eisen
12. De kandidaat kan:
− op de verschillende verbanden toegespitste technieken toepassen;
− formules en verbanden op een meer formele manier hanteren;
− complexe rekentechnieken verrichten met behulp van de rekenmachine;
− complexe meetkundige technieken gebruiken.
 

WI/K/3, WI/K/5, WI/K/6/BB, WI/V/1

WI/K/3 Leervaardigheden in het vak wiskunde
3. De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij:
− wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes;
− communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik;
− adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.
 

WI/K/5 Rekenen, meten en schatten
7. De kandidaat kan efficiënt rekenen en cijfermatige gegevens kritisch beoordelen, en daarbij:
− schatten en rekenen met gangbare maten en grootheden;
− op een verstandige manier de rekenmachine gebruiken.
 

WI/K/6 Meetkunde  
8. (BB) De kandidaat kan voorstellingen maken, onderzoeken en interpreteren van objecten en hun plaats in de ruimte, en daarbij:
− redeneren over meetkundige figuren en deze tekenen;
− afmetingen meten, schatten en berekenen;
− meetkundige begrippen, instrumenten en apparaten hanteren.  
9. (KB/GL/TL) De kandidaat kan voorstellingen maken, onderzoeken en interpreteren van objecten en hun plaats in de ruimte, en daarbij:
− redeneren over meetkundige figuren en deze tekenen;
− afmetingen meten, schatten en berekenen;
− meetkundige begrippen en formules, instrumenten en apparaten hanteren.
 

WI/V/1 Aanvullende eisen
12. De kandidaat kan:
− op de verschillende verbanden toegespitste technieken toepassen;
− formules en verbanden op een meer formele manier hanteren;
− complexe rekentechnieken verrichten met behulp van de rekenmachine;
− complexe meetkundige technieken gebruiken.
 

WI/K/3, WI/K/5, WI/K/6/KB/GL/TL, WI/V/1

WI/K/3 Leervaardigheden in het vak wiskunde
3. De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij:
− wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes;
− communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik;
− adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.
 

WI/K/5 Rekenen, meten en schatten
7. De kandidaat kan efficiënt rekenen en cijfermatige gegevens kritisch beoordelen, en daarbij:
− schatten en rekenen met gangbare maten en grootheden;
− op een verstandige manier de rekenmachine gebruiken.
 

WI/K/6 Meetkunde  
8. (BB) De kandidaat kan voorstellingen maken, onderzoeken en interpreteren van objecten en hun plaats in de ruimte, en daarbij:
− redeneren over meetkundige figuren en deze tekenen;
− afmetingen meten, schatten en berekenen;
− meetkundige begrippen, instrumenten en apparaten hanteren.  
9. (KB/GL/TL) De kandidaat kan voorstellingen maken, onderzoeken en interpreteren van objecten en hun plaats in de ruimte, en daarbij:
− redeneren over meetkundige figuren en deze tekenen;
− afmetingen meten, schatten en berekenen;
− meetkundige begrippen en formules, instrumenten en apparaten hanteren.
 

WI/V/1 Aanvullende eisen
12. De kandidaat kan:
− op de verschillende verbanden toegespitste technieken toepassen;
− formules en verbanden op een meer formele manier hanteren;
− complexe rekentechnieken verrichten met behulp van de rekenmachine;
− complexe meetkundige technieken gebruiken.
 

WI/K/3, WI/K/5, WI/K/6/KB/GL/TL, WI/V/1
5. Verbanden en formules

4:
De leerlingen leren informatie te achterhalen in informatieve en instructieve teksten, waaronder schema's, tabellen en digitale bronnen.

23:
De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken.

24:
De leerlingen leren praktische en formele reken-wiskundige problemen op te lossen en redeneringen helder weer te geven.

25:
De leerlingen leren aanpakken bij het oplossen van reken wiskundeproblemen te onderbouwen en leren oplossingen te beoordelen.

26:
De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen, gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen.

32:
De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.

4, 23, 24, 25, 26, 32

25:
De leerling leert informele notaties, schematische voorstellingen, tabellen, grafieken en formules te gebruiken om greep te krijgen op verbanden tussen grootheden en variabelen.

25

WI/K/3 Leervaardigheden in het vak wiskunde
3. De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij:
− wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes;
− communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik;
− adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.
 

WI/K/4 Algebraïsche verbanden
4. (BB) De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij:
− tabellen, grafieken en woordformules hanteren, in het bijzonder bij lineaire verbanden;
− geschikte wiskundige modellen gebruiken.
5. (KB) De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij:
− tabellen, grafieken en (woord)formules hanteren bij verschillende typen verbanden;
− geschikte wiskundige modellen gebruiken.
6. (GL/TL) De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij:
− tabellen, grafieken en formules hanteren bij verschillende typen verbanden;
− geschikte wiskundige modellen gebruiken.
 

WI/K/6 Meetkunde  
8. (BB) De kandidaat kan voorstellingen maken, onderzoeken en interpreteren van objecten en hun plaats in de ruimte, en daarbij:
− redeneren over meetkundige figuren en deze tekenen;
− afmetingen meten, schatten en berekenen;
− meetkundige begrippen, instrumenten en apparaten hanteren.  
9. (KB/GL/TL) De kandidaat kan voorstellingen maken, onderzoeken en interpreteren van objecten en hun plaats in de ruimte, en daarbij:
− redeneren over meetkundige figuren en deze tekenen;
− afmetingen meten, schatten en berekenen;
− meetkundige begrippen en formules, instrumenten en apparaten hanteren.
 

WI/V/1 Aanvullende eisen
12. De kandidaat kan:
− op de verschillende verbanden toegespitste technieken toepassen;
− formules en verbanden op een meer formele manier hanteren;
− complexe rekentechnieken verrichten met behulp van de rekenmachine;
− complexe meetkundige technieken gebruiken.
 

WI/K/3, WI/K/4/BB, WI/K/6/BB, WI/V/1

WI/K/3 Leervaardigheden in het vak wiskunde
3. De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij:
− wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes;
− communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik;
− adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.
 

WI/K/4 Algebraïsche verbanden
4. (BB) De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij:
− tabellen, grafieken en woordformules hanteren, in het bijzonder bij lineaire verbanden;
− geschikte wiskundige modellen gebruiken.
5. (KB) De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij:
− tabellen, grafieken en (woord)formules hanteren bij verschillende typen verbanden;
− geschikte wiskundige modellen gebruiken.
6. (GL/TL) De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij:
− tabellen, grafieken en formules hanteren bij verschillende typen verbanden;
− geschikte wiskundige modellen gebruiken.
 

WI/K/6 Meetkunde  
8. (BB) De kandidaat kan voorstellingen maken, onderzoeken en interpreteren van objecten en hun plaats in de ruimte, en daarbij:
− redeneren over meetkundige figuren en deze tekenen;
− afmetingen meten, schatten en berekenen;
− meetkundige begrippen, instrumenten en apparaten hanteren.  
9. (KB/GL/TL) De kandidaat kan voorstellingen maken, onderzoeken en interpreteren van objecten en hun plaats in de ruimte, en daarbij:
− redeneren over meetkundige figuren en deze tekenen;
− afmetingen meten, schatten en berekenen;
− meetkundige begrippen en formules, instrumenten en apparaten hanteren.
 

WI/V/1 Aanvullende eisen
12. De kandidaat kan:
− op de verschillende verbanden toegespitste technieken toepassen;
− formules en verbanden op een meer formele manier hanteren;
− complexe rekentechnieken verrichten met behulp van de rekenmachine;
− complexe meetkundige technieken gebruiken.
 

WI/K/3, WI/K/4/KB, WI/K/6/KB/GL/TL, WI/V/1

WI/K/3 Leervaardigheden in het vak wiskunde
3. De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij:
− wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes;
− communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik;
− adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.
 

WI/K/4 Algebraïsche verbanden
4. (BB) De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij:
− tabellen, grafieken en woordformules hanteren, in het bijzonder bij lineaire verbanden;
− geschikte wiskundige modellen gebruiken.
5. (KB) De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij:
− tabellen, grafieken en (woord)formules hanteren bij verschillende typen verbanden;
− geschikte wiskundige modellen gebruiken.
6. (GL/TL) De kandidaat kan problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen, en daarbij:
− tabellen, grafieken en formules hanteren bij verschillende typen verbanden;
− geschikte wiskundige modellen gebruiken.
 

WI/K/6 Meetkunde  
8. (BB) De kandidaat kan voorstellingen maken, onderzoeken en interpreteren van objecten en hun plaats in de ruimte, en daarbij:
− redeneren over meetkundige figuren en deze tekenen;
− afmetingen meten, schatten en berekenen;
− meetkundige begrippen, instrumenten en apparaten hanteren.  
9. (KB/GL/TL) De kandidaat kan voorstellingen maken, onderzoeken en interpreteren van objecten en hun plaats in de ruimte, en daarbij:
− redeneren over meetkundige figuren en deze tekenen;
− afmetingen meten, schatten en berekenen;
− meetkundige begrippen en formules, instrumenten en apparaten hanteren.
 

WI/V/1 Aanvullende eisen
12. De kandidaat kan:
− op de verschillende verbanden toegespitste technieken toepassen;
− formules en verbanden op een meer formele manier hanteren;
− complexe rekentechnieken verrichten met behulp van de rekenmachine;
− complexe meetkundige technieken gebruiken.
 

WI/K/3, WI/K/4/GL/TL, WI/K/6/KB/GL/TL, WI/V/1
6. Informatieverwerking en onzekerheid
n.v.t.
n.v.t.

WI/K/3 Leervaardigheden in het vak wiskunde
3. De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij:
− wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes;
− communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik;
− adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.
 

WI/K/7 Informatieverwerking, statistiek
10. De kandidaat kan informatie verzamelen, weergeven en analyseren met behulp van grafische voorstellingen, en daarbij:
− statistische representatievormen en een graaf hanteren;
− op basis van de verwerkte informatie verwachtingen uitspreken en conclusies trekken.
 

WI/K/3, WI/K/7

WI/K/3 Leervaardigheden in het vak wiskunde
3. De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij:
− wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes;
− communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik;
− adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.
 

WI/K/7 Informatieverwerking, statistiek
10. De kandidaat kan informatie verzamelen, weergeven en analyseren met behulp van grafische voorstellingen, en daarbij:
− statistische representatievormen en een graaf hanteren;
− op basis van de verwerkte informatie verwachtingen uitspreken en conclusies trekken.
 

WI/K/3, WI/K/7

WI/K/3 Leervaardigheden in het vak wiskunde
3. De kandidaat kan structuren en verbanden opsporen in voor hem herkenbare situaties en verbindingen leggen met wiskundige begrippen, en daarbij:
− wiskundige technieken kiezen en gebruiken om problemen op te lossen, waaronder basisalgoritmen en standaardmethodes;
− communiceren door middel van adequaat (wiskundig) taalgebruik;
− adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën toepassen.
 

WI/K/7 Informatieverwerking, statistiek
10. De kandidaat kan informatie verzamelen, weergeven en analyseren met behulp van grafische voorstellingen, en daarbij:
− statistische representatievormen en een graaf hanteren;
− op basis van de verwerkte informatie verwachtingen uitspreken en conclusies trekken.
 

WI/K/3, WI/K/7
7. Discrete Wiskunde
n.v.t.
n.v.t.

WI/K/7 Informatieverwerking, statistiek
10. De kandidaat kan informatie verzamelen, weergeven en analyseren met behulp van grafische voorstellingen, en daarbij:
− statistische representatievormen en een graaf hanteren;
− op basis van de verwerkte informatie verwachtingen uitspreken en conclusies trekken.
 

WI/K/7

WI/K/7 Informatieverwerking, statistiek
10. De kandidaat kan informatie verzamelen, weergeven en analyseren met behulp van grafische voorstellingen, en daarbij:
− statistische representatievormen en een graaf hanteren;
− op basis van de verwerkte informatie verwachtingen uitspreken en conclusies trekken.
 

WI/K/7

WI/K/7 Informatieverwerking, statistiek
10. De kandidaat kan informatie verzamelen, weergeven en analyseren met behulp van grafische voorstellingen, en daarbij:
− statistische representatievormen en een graaf hanteren;
− op basis van de verwerkte informatie verwachtingen uitspreken en conclusies trekken.
 

WI/K/7