helphelp

Leerlijn Rekenen afgeleid van rekenboog (SO-VSO)

( )

Sectoren
Vakkernen
kerndoelen so zml/mgkerndoelen so nl/mlkerndoelen vso dbkerndoelen vso amkerndoelen vso vo
1. Hoeveelheidbegrippen

LS 38:
De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken.

LS 39:
De leerlingen leren praktische en formele reken-wiskundige problemen op te lossen en redeneringen helder weer te geven.

LS 40:
De leerlingen leren aanpakken bij het oplossen van reken-wiskunde- problemen te onderbouwen en leren oplossingen te beoordelen.

LS 41:
De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen, gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen.

LS 42:
De leerlingen leren de basisbewerkingen met gehele getallen in elk geval tot 100 snel uit het hoofd uitvoeren, waarbij optellen en aftrekken tot 20 en de tafels van buiten gekend zijn.

LS 43:
De leerlingen leren schattend tellen en rekenen.

LS 44:
De leerlingen leren handig optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

LS 45:
De leerlingen leren schriftelijk optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen volgens meer of minder verkorte standaardprocedures.

LS 46:
De leerlingen leren de rekenmachine met inzicht te gebruiken.

LS 47:
De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.

LS 48:
De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.

LS 38, LS 39, LS 40, LS 41, LS 42, LS 43, LS 44, LS 45, LS 46, LS 47, LS 48

LS 38:
De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken.

LS 39:
De leerlingen leren praktische en formele reken-wiskundige problemen op te lossen en redeneringen helder weer te geven.

LS 40:
De leerlingen leren aanpakken bij het oplossen van reken-wiskunde- problemen te onderbouwen en leren oplossingen te beoordelen.

LS 41:
De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen, gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen.

LS 42:
De leerlingen leren de basisbewerkingen met gehele getallen in elk geval tot 100 snel uit het hoofd uitvoeren, waarbij optellen en aftrekken tot 20 en de tafels van buiten gekend zijn.

LS 43:
De leerlingen leren schattend tellen en rekenen.

LS 44:
De leerlingen leren handig optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

LS 45:
De leerlingen leren schriftelijk optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen volgens meer of minder verkorte standaardprocedures.

LS 46:
De leerlingen leren de rekenmachine met inzicht te gebruiken.

LS 47:
De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.

LS 48:
De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.

DB 19:
De leerling leert zich oriënteren op en gebruik maken van ordenende handelingen.

DB 20:
De leerling leert passende reken-wiskundetaal gebruiken en werken met getallen in betekenisvolle praktische situaties.

LS 38, LS 39, LS 40, LS 41, LS 42, LS 43, LS 44, LS 45, LS 46, LS 47, LS 48, DB 19, DB 20

DB 19:
De leerling leert zich oriënteren op en gebruik maken van ordenende handelingen.

DB 20:
De leerling leert passende reken-wiskundetaal gebruiken en werken met getallen in betekenisvolle praktische situaties.

DB 19, DB 20

AM 32:
De leerling leert in praktische situaties passende reken-/wiskunde taal gebruiken.

AM 35:
De leerling leert in betekenisvolle en praktische situaties werken met gangbare breuken, verhoudingen en decimale getallen.

AM 32, AM 35

20:
De leerling leert alleen en in samenwerking met anderen in praktische situaties wiskunde te herkennen en te gebruiken om problemen op te lossen.

21:
De leerling leert een wiskundige argumentatie op te zetten en te onderscheiden van meningen en beweringen en leert daarbij met respect voor ieders denkwijze wiskundige kritiek te geven en te krijgen.

22:
De leerling leert de structuur en de samenhang te doorzien van positieve en negatieve getallen, decimale getallen, breuken, procenten en verhoudingen en leert ermee te werken in zinvolle en praktische situaties.

23:
De leerling leert exact en schattend rekenen en redeneren op basis van inzicht in nauwkeurigheid, orde van grootte, en marges die in een gegeven situatie passend zijn.

24:
De leerling leert meten, leert structuur en samenhang doorzien van het metriek stelsel en leert rekenen met maten voor grootheden die gangbaar zijn in relevante toepassingen.

25:
De leerling leert informele notaties, schematische voorstellingen, tabellen, grafieken en formules te gebruiken om greep te krijgen op verbanden tussen grootheden en variabelen.

26:
De leerling leert te werken met platte en ruimtelijke vormen en structuren, leert daarvan afbeeldingen te maken en deze te interpreteren en leert met hun eigenschappen en afmetingen te rekenen en redeneren.

27:
De leerling leert gegevens systematisch te beschrijven, ordenen en visualiseren en leert gegevens, representaties en conclusies kritisch te beoordelen.

20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27
2. Rekenhandelingen

LS 38:
De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken.

LS 39:
De leerlingen leren praktische en formele reken-wiskundige problemen op te lossen en redeneringen helder weer te geven.

LS 40:
De leerlingen leren aanpakken bij het oplossen van reken-wiskunde- problemen te onderbouwen en leren oplossingen te beoordelen.

LS 41:
De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen, gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen.

LS 42:
De leerlingen leren de basisbewerkingen met gehele getallen in elk geval tot 100 snel uit het hoofd uitvoeren, waarbij optellen en aftrekken tot 20 en de tafels van buiten gekend zijn.

LS 43:
De leerlingen leren schattend tellen en rekenen.

LS 44:
De leerlingen leren handig optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

LS 45:
De leerlingen leren schriftelijk optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen volgens meer of minder verkorte standaardprocedures.

LS 46:
De leerlingen leren de rekenmachine met inzicht te gebruiken.

LS 47:
De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.

LS 48:
De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.

LS 38, LS 39, LS 40, LS 41, LS 42, LS 43, LS 44, LS 45, LS 46, LS 47, LS 48

LS 38:
De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken.

LS 39:
De leerlingen leren praktische en formele reken-wiskundige problemen op te lossen en redeneringen helder weer te geven.

LS 40:
De leerlingen leren aanpakken bij het oplossen van reken-wiskunde- problemen te onderbouwen en leren oplossingen te beoordelen.

LS 41:
De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen, gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen.

LS 42:
De leerlingen leren de basisbewerkingen met gehele getallen in elk geval tot 100 snel uit het hoofd uitvoeren, waarbij optellen en aftrekken tot 20 en de tafels van buiten gekend zijn.

LS 43:
De leerlingen leren schattend tellen en rekenen.

LS 44:
De leerlingen leren handig optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

LS 45:
De leerlingen leren schriftelijk optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen volgens meer of minder verkorte standaardprocedures.

LS 46:
De leerlingen leren de rekenmachine met inzicht te gebruiken.

LS 47:
De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.

LS 48:
De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.

DB 22:
De leerling leert omgaan met meetinstrumenten, maten en grootheden, orde van grootte en nauwkeurigheid.

DB 23:
De leerling leert zich oriënteren op tijd en gebruik maken van tijdsaanduidingen.

LS 38, LS 39, LS 40, LS 41, LS 42, LS 43, LS 44, LS 45, LS 46, LS 47, LS 48, DB 22, DB 23

DB 22:
De leerling leert omgaan met meetinstrumenten, maten en grootheden, orde van grootte en nauwkeurigheid.

DB 23:
De leerling leert zich oriënteren op tijd en gebruik maken van tijdsaanduidingen.

DB 22, DB 23

AM 32:
De leerling leert in praktische situaties passende reken-/wiskunde taal gebruiken.

AM 33:
De leerling leert in praktische situaties problemen op te lossen met gebruik van rekenkundige middelen.

AM 34:
De leerling leert computer en rekenmachine te gebruiken als hulpmiddel en informatiebron.

AM 35:
De leerling leert in betekenisvolle en praktische situaties werken met gangbare breuken, verhoudingen en decimale getallen.

AM 36:
De leerling leert ruimtelijk te redeneren en leert eenvoudige meetkundige begrippen te gebruiken in praktische situaties.

AM 32, AM 33, AM 34, AM 35, AM 36

20:
De leerling leert alleen en in samenwerking met anderen in praktische situaties wiskunde te herkennen en te gebruiken om problemen op te lossen.

21:
De leerling leert een wiskundige argumentatie op te zetten en te onderscheiden van meningen en beweringen en leert daarbij met respect voor ieders denkwijze wiskundige kritiek te geven en te krijgen.

22:
De leerling leert de structuur en de samenhang te doorzien van positieve en negatieve getallen, decimale getallen, breuken, procenten en verhoudingen en leert ermee te werken in zinvolle en praktische situaties.

23:
De leerling leert exact en schattend rekenen en redeneren op basis van inzicht in nauwkeurigheid, orde van grootte, en marges die in een gegeven situatie passend zijn.

24:
De leerling leert meten, leert structuur en samenhang doorzien van het metriek stelsel en leert rekenen met maten voor grootheden die gangbaar zijn in relevante toepassingen.

25:
De leerling leert informele notaties, schematische voorstellingen, tabellen, grafieken en formules te gebruiken om greep te krijgen op verbanden tussen grootheden en variabelen.

26:
De leerling leert te werken met platte en ruimtelijke vormen en structuren, leert daarvan afbeeldingen te maken en deze te interpreteren en leert met hun eigenschappen en afmetingen te rekenen en redeneren.

27:
De leerling leert gegevens systematisch te beschrijven, ordenen en visualiseren en leert gegevens, representaties en conclusies kritisch te beoordelen.

20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27
3. Tijd

LS 38:
De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken.

LS 39:
De leerlingen leren praktische en formele reken-wiskundige problemen op te lossen en redeneringen helder weer te geven.

LS 40:
De leerlingen leren aanpakken bij het oplossen van reken-wiskunde- problemen te onderbouwen en leren oplossingen te beoordelen.

LS 41:
De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen, gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen.

LS 42:
De leerlingen leren de basisbewerkingen met gehele getallen in elk geval tot 100 snel uit het hoofd uitvoeren, waarbij optellen en aftrekken tot 20 en de tafels van buiten gekend zijn.

LS 43:
De leerlingen leren schattend tellen en rekenen.

LS 44:
De leerlingen leren handig optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

LS 45:
De leerlingen leren schriftelijk optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen volgens meer of minder verkorte standaardprocedures.

LS 46:
De leerlingen leren de rekenmachine met inzicht te gebruiken.

LS 47:
De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.

LS 48:
De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.

LS 38, LS 39, LS 40, LS 41, LS 42, LS 43, LS 44, LS 45, LS 46, LS 47, LS 48

LS 38:
De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken.

LS 39:
De leerlingen leren praktische en formele reken-wiskundige problemen op te lossen en redeneringen helder weer te geven.

LS 40:
De leerlingen leren aanpakken bij het oplossen van reken-wiskunde- problemen te onderbouwen en leren oplossingen te beoordelen.

LS 41:
De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen, gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen.

LS 42:
De leerlingen leren de basisbewerkingen met gehele getallen in elk geval tot 100 snel uit het hoofd uitvoeren, waarbij optellen en aftrekken tot 20 en de tafels van buiten gekend zijn.

LS 43:
De leerlingen leren schattend tellen en rekenen.

LS 44:
De leerlingen leren handig optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

LS 45:
De leerlingen leren schriftelijk optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen volgens meer of minder verkorte standaardprocedures.

LS 46:
De leerlingen leren de rekenmachine met inzicht te gebruiken.

LS 47:
De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.

LS 48:
De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.

DB 23:
De leerling leert zich oriënteren op tijd en gebruik maken van tijdsaanduidingen.

LS 38, LS 39, LS 40, LS 41, LS 42, LS 43, LS 44, LS 45, LS 46, LS 47, LS 48, DB 23

DB 23:
De leerling leert zich oriënteren op tijd en gebruik maken van tijdsaanduidingen.

DB 23

AM 38:
De leerling leert omgaan met tijd.

AM 38

20:
De leerling leert alleen en in samenwerking met anderen in praktische situaties wiskunde te herkennen en te gebruiken om problemen op te lossen.

21:
De leerling leert een wiskundige argumentatie op te zetten en te onderscheiden van meningen en beweringen en leert daarbij met respect voor ieders denkwijze wiskundige kritiek te geven en te krijgen.

22:
De leerling leert de structuur en de samenhang te doorzien van positieve en negatieve getallen, decimale getallen, breuken, procenten en verhoudingen en leert ermee te werken in zinvolle en praktische situaties.

23:
De leerling leert exact en schattend rekenen en redeneren op basis van inzicht in nauwkeurigheid, orde van grootte, en marges die in een gegeven situatie passend zijn.

24:
De leerling leert meten, leert structuur en samenhang doorzien van het metriek stelsel en leert rekenen met maten voor grootheden die gangbaar zijn in relevante toepassingen.

25:
De leerling leert informele notaties, schematische voorstellingen, tabellen, grafieken en formules te gebruiken om greep te krijgen op verbanden tussen grootheden en variabelen.

26:
De leerling leert te werken met platte en ruimtelijke vormen en structuren, leert daarvan afbeeldingen te maken en deze te interpreteren en leert met hun eigenschappen en afmetingen te rekenen en redeneren.

27:
De leerling leert gegevens systematisch te beschrijven, ordenen en visualiseren en leert gegevens, representaties en conclusies kritisch te beoordelen.

20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27
4. Meten en wegen

LS 38:
De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken.

LS 39:
De leerlingen leren praktische en formele reken-wiskundige problemen op te lossen en redeneringen helder weer te geven.

LS 40:
De leerlingen leren aanpakken bij het oplossen van reken-wiskunde- problemen te onderbouwen en leren oplossingen te beoordelen.

LS 41:
De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen, gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen.

LS 42:
De leerlingen leren de basisbewerkingen met gehele getallen in elk geval tot 100 snel uit het hoofd uitvoeren, waarbij optellen en aftrekken tot 20 en de tafels van buiten gekend zijn.

LS 43:
De leerlingen leren schattend tellen en rekenen.

LS 44:
De leerlingen leren handig optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

LS 45:
De leerlingen leren schriftelijk optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen volgens meer of minder verkorte standaardprocedures.

LS 46:
De leerlingen leren de rekenmachine met inzicht te gebruiken.

LS 47:
De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.

LS 48:
De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.

LS 38, LS 39, LS 40, LS 41, LS 42, LS 43, LS 44, LS 45, LS 46, LS 47, LS 48

LS 38:
De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken.

LS 39:
De leerlingen leren praktische en formele reken-wiskundige problemen op te lossen en redeneringen helder weer te geven.

LS 40:
De leerlingen leren aanpakken bij het oplossen van reken-wiskunde- problemen te onderbouwen en leren oplossingen te beoordelen.

LS 41:
De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen, gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen.

LS 42:
De leerlingen leren de basisbewerkingen met gehele getallen in elk geval tot 100 snel uit het hoofd uitvoeren, waarbij optellen en aftrekken tot 20 en de tafels van buiten gekend zijn.

LS 43:
De leerlingen leren schattend tellen en rekenen.

LS 44:
De leerlingen leren handig optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

LS 45:
De leerlingen leren schriftelijk optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen volgens meer of minder verkorte standaardprocedures.

LS 46:
De leerlingen leren de rekenmachine met inzicht te gebruiken.

LS 47:
De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.

LS 48:
De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.

DB 22:
De leerling leert omgaan met meetinstrumenten, maten en grootheden, orde van grootte en nauwkeurigheid.

LS 38, LS 39, LS 40, LS 41, LS 42, LS 43, LS 44, LS 45, LS 46, LS 47, LS 48, DB 22

DB 22:
De leerling leert omgaan met meetinstrumenten, maten en grootheden, orde van grootte en nauwkeurigheid.

DB 22

AM 37:
De leerling leert omgaan met in de praktijk veel voorkomende meetinstrumenten voor lengte, gewicht, inhoud en temperatuur en leert rekenen met maten en grootheden.

AM 37

20:
De leerling leert alleen en in samenwerking met anderen in praktische situaties wiskunde te herkennen en te gebruiken om problemen op te lossen.

21:
De leerling leert een wiskundige argumentatie op te zetten en te onderscheiden van meningen en beweringen en leert daarbij met respect voor ieders denkwijze wiskundige kritiek te geven en te krijgen.

22:
De leerling leert de structuur en de samenhang te doorzien van positieve en negatieve getallen, decimale getallen, breuken, procenten en verhoudingen en leert ermee te werken in zinvolle en praktische situaties.

23:
De leerling leert exact en schattend rekenen en redeneren op basis van inzicht in nauwkeurigheid, orde van grootte, en marges die in een gegeven situatie passend zijn.

24:
De leerling leert meten, leert structuur en samenhang doorzien van het metriek stelsel en leert rekenen met maten voor grootheden die gangbaar zijn in relevante toepassingen.

25:
De leerling leert informele notaties, schematische voorstellingen, tabellen, grafieken en formules te gebruiken om greep te krijgen op verbanden tussen grootheden en variabelen.

26:
De leerling leert te werken met platte en ruimtelijke vormen en structuren, leert daarvan afbeeldingen te maken en deze te interpreteren en leert met hun eigenschappen en afmetingen te rekenen en redeneren.

27:
De leerling leert gegevens systematisch te beschrijven, ordenen en visualiseren en leert gegevens, representaties en conclusies kritisch te beoordelen.

20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27
5. Geld

LS 38:
De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken.

LS 39:
De leerlingen leren praktische en formele reken-wiskundige problemen op te lossen en redeneringen helder weer te geven.

LS 40:
De leerlingen leren aanpakken bij het oplossen van reken-wiskunde- problemen te onderbouwen en leren oplossingen te beoordelen.

LS 41:
De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen, gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen.

LS 42:
De leerlingen leren de basisbewerkingen met gehele getallen in elk geval tot 100 snel uit het hoofd uitvoeren, waarbij optellen en aftrekken tot 20 en de tafels van buiten gekend zijn.

LS 43:
De leerlingen leren schattend tellen en rekenen.

LS 44:
De leerlingen leren handig optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

LS 45:
De leerlingen leren schriftelijk optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen volgens meer of minder verkorte standaardprocedures.

LS 46:
De leerlingen leren de rekenmachine met inzicht te gebruiken.

LS 47:
De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.

LS 48:
De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.

LS 38, LS 39, LS 40, LS 41, LS 42, LS 43, LS 44, LS 45, LS 46, LS 47, LS 48

LS 38:
De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken.

LS 39:
De leerlingen leren praktische en formele reken-wiskundige problemen op te lossen en redeneringen helder weer te geven.

LS 40:
De leerlingen leren aanpakken bij het oplossen van reken-wiskunde- problemen te onderbouwen en leren oplossingen te beoordelen.

LS 41:
De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen, gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen.

LS 42:
De leerlingen leren de basisbewerkingen met gehele getallen in elk geval tot 100 snel uit het hoofd uitvoeren, waarbij optellen en aftrekken tot 20 en de tafels van buiten gekend zijn.

LS 43:
De leerlingen leren schattend tellen en rekenen.

LS 44:
De leerlingen leren handig optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

LS 45:
De leerlingen leren schriftelijk optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen volgens meer of minder verkorte standaardprocedures.

LS 46:
De leerlingen leren de rekenmachine met inzicht te gebruiken.

LS 47:
De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.

LS 48:
De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.

DB 24:
De leerling leert omgaan met geld en betaalmiddelen.

LS 38, LS 39, LS 40, LS 41, LS 42, LS 43, LS 44, LS 45, LS 46, LS 47, LS 48, DB 24

DB 24:
De leerling leert omgaan met geld en betaalmiddelen.

DB 24

AM 39:
De leerling leert omgaan met geld en betaalmiddelen.

AM 39

20:
De leerling leert alleen en in samenwerking met anderen in praktische situaties wiskunde te herkennen en te gebruiken om problemen op te lossen.

21:
De leerling leert een wiskundige argumentatie op te zetten en te onderscheiden van meningen en beweringen en leert daarbij met respect voor ieders denkwijze wiskundige kritiek te geven en te krijgen.

22:
De leerling leert de structuur en de samenhang te doorzien van positieve en negatieve getallen, decimale getallen, breuken, procenten en verhoudingen en leert ermee te werken in zinvolle en praktische situaties.

23:
De leerling leert exact en schattend rekenen en redeneren op basis van inzicht in nauwkeurigheid, orde van grootte, en marges die in een gegeven situatie passend zijn.

24:
De leerling leert meten, leert structuur en samenhang doorzien van het metriek stelsel en leert rekenen met maten voor grootheden die gangbaar zijn in relevante toepassingen.

25:
De leerling leert informele notaties, schematische voorstellingen, tabellen, grafieken en formules te gebruiken om greep te krijgen op verbanden tussen grootheden en variabelen.

26:
De leerling leert te werken met platte en ruimtelijke vormen en structuren, leert daarvan afbeeldingen te maken en deze te interpreteren en leert met hun eigenschappen en afmetingen te rekenen en redeneren.

27:
De leerling leert gegevens systematisch te beschrijven, ordenen en visualiseren en leert gegevens, representaties en conclusies kritisch te beoordelen.

20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27