helphelp

Leerlijn Biologie vaardigheden (PO-vmbo)

( )

Sectoren
Vakkernen
kerndoelen onderbouwvmbo bovenbouw bb exameneenhedenvmbo bovenbouw kb exameneenhedenvmbo bovenbouw gl/tl exameneenheden
1. Informatievaardigheden

40:
De leerling leert historische bronnen te gebruiken om zich een beeld van een tijdvak te vormen of antwoorden te vinden op vragen, en hij leert daarbij ook de eigen cultuurhistorische omgeving te betrekken.

41:
De leerling leert de atlas als informatiebron te gebruiken en kaarten te lezen en te analyseren om zich te oriënteren, zich een beeld van een gebied te vormen of antwoorden op vragen te vinden.

40, 41

BI/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken.
 

BI/K/3  Leervaardigheden in het vak biologie
3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot:
− de ontwikkeling van het eigen leervermogen;
− het vermogen met biologische vaktaal en methodieken te communiceren en onderzoek te doen.
 

BI/K/2/2, BI/K/3/3

BI/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken.
 

BI/K/3  Leervaardigheden in het vak biologie
3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot:
− de ontwikkeling van het eigen leervermogen;
− het vermogen met biologische vaktaal en methodieken te communiceren en onderzoek te doen.
 

BI/K/2/2, BI/K/3/3

BI/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken.
 

BI/K/3  Leervaardigheden in het vak biologie
3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot:
− de ontwikkeling van het eigen leervermogen;
− het vermogen met biologische vaktaal en methodieken te communiceren en onderzoek te doen.
 

BI/K/2/2, BI/K/3/3
2. Modelontwikkeling en -gebruik

32:
De leerling leert te werken met theorieën en modellen door onderzoek te doen naar natuurkundige en scheikundige verschijnselen als elektriciteit, geluid, licht, beweging, energie en materie.

32
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
3. Onderzoeken

28:
De leerling leert vragen over onderwerpen uit het brede leergebied om te zetten in onderzoeksvragen, een dergelijk onderzoek over een natuurwetenschappelijk onderwerp uit te voeren en de uitkomsten daarvan te presenteren.

28

BI/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken.
 

BI/K/3  Leervaardigheden in het vak biologie
3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot:
− de ontwikkeling van het eigen leervermogen;
− het vermogen met biologische vaktaal en methodieken te communiceren en onderzoek te doen.
 

BI/K/11 Reageren op prikkels
15. De kandidaat kan de rol en de werking van zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten.

BI/K/2/2, BI/K/3/3, BI/K/11/15/BB

BI/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken.
 

BI/K/3  Leervaardigheden in het vak biologie
3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot:
− de ontwikkeling van het eigen leervermogen;
− het vermogen met biologische vaktaal en methodieken te communiceren en onderzoek te doen.
 

BI/K/11 Reageren op prikkels
16. De kandidaat kan:
− de rol en de werking van het zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten;
− beschrijven welke relatie er is tussen gedrag en inwendige en uitwendige prikkels.

BI/K/2/2, BI/K/3/3, BI/K/11/16/KB/GL/TL

BI/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken.
 

BI/K/3  Leervaardigheden in het vak biologie
3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot:
− de ontwikkeling van het eigen leervermogen;
− het vermogen met biologische vaktaal en methodieken te communiceren en onderzoek te doen.
 

BI/K/11 Reageren op prikkels
16. De kandidaat kan:
− de rol en de werking van het zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten;
− beschrijven welke relatie er is tussen gedrag en inwendige en uitwendige prikkels.

BI/K/2/2, BI/K/3/3, BI/K/11/16/KB/GL/TL
4. Ontwerpen

33:
De leerling leert door onderzoek kennis te verwerven over voor hem relevante technische producten en systemen, leert deze kennis naar waarde te schatten en op planmatige wijze een technisch product te ontwerpen en te maken.

33
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
5. Natuurwetenschappelijk instrumentarium / reken- en wiskundige vaardigheden
n.v.t.

BI/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken.
 

BI/K/3  Leervaardigheden in het vak biologie
3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot:
− de ontwikkeling van het eigen leervermogen;
− het vermogen met biologische vaktaal en methodieken te communiceren en onderzoek te doen.
 

BI/K/2/2, BI/K/3/3

BI/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken.
 

BI/K/3  Leervaardigheden in het vak biologie
3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot:
− de ontwikkeling van het eigen leervermogen;
− het vermogen met biologische vaktaal en methodieken te communiceren en onderzoek te doen.
 

BI/K/2/2, BI/K/3/3

BI/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken.
 

BI/K/3  Leervaardigheden in het vak biologie
3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot:
− de ontwikkeling van het eigen leervermogen;
− het vermogen met biologische vaktaal en methodieken te communiceren en onderzoek te doen.
 

BI/K/2/2, BI/K/3/3
6. Waarderen en oordelen
n.v.t.

BI/K/1  Oriëntatie op leren en werken
1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang aangeven van biologische kennis en vaardigheden in de maatschappij.
 

BI/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken.
 

BI/K/1/1, BI/K/2/2

BI/K/1  Oriëntatie op leren en werken
1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang aangeven van biologische kennis en vaardigheden in de maatschappij.
 

BI/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken.
 

BI/K/1/1, BI/K/2/2

BI/K/1  Oriëntatie op leren en werken
1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang aangeven van biologische kennis en vaardigheden in de maatschappij.
 

BI/K/2  Basisvaardigheden
2. De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, experimenteren en informatie verwerven en verwerken.
 

BI/K/1/1, BI/K/2/2
7. Redeneervaardigheden
n.v.t.

BI/K/1  Oriëntatie op leren en werken
1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang aangeven van biologische kennis en vaardigheden in de maatschappij.
 

BI/K/3  Leervaardigheden in het vak biologie
3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot:
− de ontwikkeling van het eigen leervermogen;
− het vermogen met biologische vaktaal en methodieken te communiceren en onderzoek te doen.
 

BI/K/7  Mensen beïnvloeden hun omgeving
10. De kandidaat kan
− toelichten dat de mens voor voedsel, water, zuurstof, grondstoffen, energie, voedselproductie en recreatie van ecosystemen afhankelijk is;
− beschrijven hoe de mens ecosystemen kan beïnvloeden;
− toelichten waarom de mens er belang bij heeft een duurzame relatie tussen mens en milieu te bevorderen.

BI/K/1/1, BI/K/3/3, BI/K/7/10/BB

BI/K/1  Oriëntatie op leren en werken
1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang aangeven van biologische kennis en vaardigheden in de maatschappij.
 

BI/K/3  Leervaardigheden in het vak biologie
3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot:
− de ontwikkeling van het eigen leervermogen;
− het vermogen met biologische vaktaal en methodieken te communiceren en onderzoek te doen.
 

BI/K/8  Houding, beweging en conditie
12. De kandidaat kan
− delen die van belang zijn voor stevigheid en beweging noemen;
− de gevolgen van overbelasting noemen en beschrijven.

BI/K/13 Erfelijkheid en evolutie
19. De kandidaat kan beschrijven hoe erfelijke eigenschappen van generatie op generatie worden doorgegeven en toelichten hoe.  
 

BI/K/1/1, BI/K/3/3, BI/K/8/12/KB/GL/TL, BI/K/13/KB/GL/TL

BI/K/1  Oriëntatie op leren en werken
1. De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang aangeven van biologische kennis en vaardigheden in de maatschappij.
 

BI/K/3  Leervaardigheden in het vak biologie
3. De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot:
− de ontwikkeling van het eigen leervermogen;
− het vermogen met biologische vaktaal en methodieken te communiceren en onderzoek te doen.
 

BI/K/8  Houding, beweging en conditie
12. De kandidaat kan
− delen die van belang zijn voor stevigheid en beweging noemen;
− de gevolgen van overbelasting noemen en beschrijven.

BI/K/13 Erfelijkheid en evolutie
19. De kandidaat kan beschrijven hoe erfelijke eigenschappen van generatie op generatie worden doorgegeven en toelichten hoe.  
 

BI/K/1/1, BI/K/3/3, BI/K/8/12/KB/GL/TL, BI/K/13/KB/GL/TL
8. Modelleren
n.v.t.

BI/K/4  Cellen staan aan de basis
4. De kandidaat kan:
− kenmerkende eigenschappen van cellen noemen, de samenstellende delen daarvan noemen, en de meest voorkomende organisatieniveaus binnen organismen noemen;
− beschrijven dat een organisme als een geheel beschouwd kan worden waarbij voor instandhouding en gezondheid van het organisme processen in onderlinge samenhang plaatsvinden.

BI/K/8  Houding, beweging en conditie
11. De kandidaat kan:
− delen die van belang zijn voor stevigheid en beweging noemen;
− de gevolgen van overbelasting noemen.

BI/K/11 Reageren op prikkels
15. De kandidaat kan de rol en de werking van zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten.

BI/K/12 Van generatie op generatie
17. De kandidaat kan voortplanting en groei bij organismen beschrijven, evenals de vorm en functie van seksueel gedrag daarbij.
18. De kandidaat kan voortplanting en groei bij organismen toelichten, evenals de vorm en functie van seksueel gedrag daarbij.

BI/K/4/4/BB, BI/K/8/11/BB, BI/K/11/15/BB, BI/K/12

BI/K/4  Cellen staan aan de basis
4. De kandidaat kan:
− kenmerkende eigenschappen van cellen noemen, de samenstellende delen daarvan noemen, en de meest voorkomende organisatieniveaus binnen organismen noemen;
− beschrijven dat een organisme als een geheel beschouwd kan worden waarbij voor instandhouding en gezondheid van het organisme processen in onderlinge samenhang plaatsvinden.

BI/K/8  Houding, beweging en conditie
12. De kandidaat kan
− delen die van belang zijn voor stevigheid en beweging noemen;
− de gevolgen van overbelasting noemen en beschrijven.

BI/K/12 Van generatie op generatie
17. De kandidaat kan voortplanting en groei bij organismen beschrijven, evenals de vorm en functie van seksueel gedrag daarbij.
18. De kandidaat kan voortplanting en groei bij organismen toelichten, evenals de vorm en functie van seksueel gedrag daarbij.

BI/K/11 Reageren op prikkels
16. De kandidaat kan:
− de rol en de werking van het zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten;
− beschrijven welke relatie er is tussen gedrag en inwendige en uitwendige prikkels.

BI/K/4/4/BB, BI/K/8/12/KB/GL/TL, BI/K/12, BI/K/11/16/KB/GL/TL

BI/K/4  Cellen staan aan de basis
5. De kandidaat kan:
− kenmerkende eigenschappen van cellen noemen, de samenstellende delen daarvan beschrijven, en de meest voorkomende organisatieniveaus binnen organismen noemen en beschrijven;
− toelichten dat een organisme als een geheel beschouwd kan worden waarbij voor instandhouding en gezondheid van het organisme processen in onderlinge samenhang plaatsvinden.
 

BI/K/8  Houding, beweging en conditie
12. De kandidaat kan
− delen die van belang zijn voor stevigheid en beweging noemen;
− de gevolgen van overbelasting noemen en beschrijven.

BI/K/12 Van generatie op generatie
17. De kandidaat kan voortplanting en groei bij organismen beschrijven, evenals de vorm en functie van seksueel gedrag daarbij.
18. De kandidaat kan voortplanting en groei bij organismen toelichten, evenals de vorm en functie van seksueel gedrag daarbij.

BI/K/11 Reageren op prikkels
16. De kandidaat kan:
− de rol en de werking van het zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten;
− beschrijven welke relatie er is tussen gedrag en inwendige en uitwendige prikkels.

BI/K/4/5/BK/GL/TL, BI/K/8/12/KB/GL/TL, BI/K/12, BI/K/11/16/KB/GL/TL