helphelp

Leerlijn Biologie inhouden (PO-vmbo)

( )

Sectoren
Vakkernen
kerndoelen primair onderwijskerndoelen onderbouw vmbo bovenbouw bb exameneenhedenvmbo bovenbouw kb exameneenhedenvmbo bovenbouw gl/tl exameneenheden
1. Voortplanting
 

34:
De leerlingen leren zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van henzelf en anderen.

41:
De leerlingen leren over de bouw van planten, dieren en mensen en over de vorm en functie van hun onderdelen.

34, 41

29:
De leerling leert kennis te verwerven over en inzicht te verkrijgen in sleutelbegrippen uit het gebied van de levende en niet-levende natuur, en leert deze sleutelbegrippen te verbinden met situaties in het dagelijks leven.

30:
De leerling leert dat mensen, dieren en planten in wisselwerking staan met elkaar en hun omgeving (milieu), en dat technologische en natuurwetenschappelijke toepassingen de duurzame kwaliteit daarvan zowel positief als negatief kunnen beïnvloeden.

31:
De leerling leert o.a. door praktisch werk kennis te verwerven over en inzicht te verkrijgen in processen uit de levende en niet-levende natuur en hun relatie met omgeving en milieu.

32:
De leerling leert te werken met theorieën en modellen door onderzoek te doen naar natuurkundige en scheikundige verschijnselen als elektriciteit, geluid, licht, beweging, energie en materie.

35:
De leerling leert over zorg en leert zorgen voor zichzelf, anderen en zijn omgeving, en hoe hij de veiligheid van zichzelf en anderen in verschillende leefsituaties (wonen, leren, werken, uitgaan, verkeer) positief kan beïnvloeden

29, 30, 31, 32, 35

BI/K/6  Planten en dieren en hun samenhang: de eigen omgeving verkend
8. De kandidaat kan:
− de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld;
− de relaties noemen die ze onderling en met hun omgeving hebben.

BI/K/10 Bescherming
14. De kandidaat kan toelichten hoe (infectie)ziekten zich ontwikkelen, hoe ze zich verspreiden en hoe men zich daartegen beschermt.
 

BI/K/11 Reageren op prikkels
15. De kandidaat kan de rol en de werking van zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten.

BI/K/12 Van generatie op generatie
17. De kandidaat kan voortplanting en groei bij organismen beschrijven, evenals de vorm en functie van seksueel gedrag daarbij.
18. De kandidaat kan voortplanting en groei bij organismen toelichten, evenals de vorm en functie van seksueel gedrag daarbij.

BI/K/13 Erfelijkheid en evolutie
19. De kandidaat kan beschrijven hoe erfelijke eigenschappen van generatie op generatie worden doorgegeven en toelichten hoe.  
 

BI/K/6/8/BB, BI/K/10, BI/K/11/15/BB, BI/K/12, BI/K/13/KB/GL/TL

BI/K/6  Planten en dieren en hun samenhang: de eigen omgeving verkend
8. De kandidaat kan:
− de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld;
− de relaties noemen die ze onderling en met hun omgeving hebben.

BI/K/10 Bescherming
14. De kandidaat kan toelichten hoe (infectie)ziekten zich ontwikkelen, hoe ze zich verspreiden en hoe men zich daartegen beschermt.
 

BI/K/11 Reageren op prikkels
15. De kandidaat kan de rol en de werking van zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten.

BI/K/12 Van generatie op generatie
17. De kandidaat kan voortplanting en groei bij organismen beschrijven, evenals de vorm en functie van seksueel gedrag daarbij.
18. De kandidaat kan voortplanting en groei bij organismen toelichten, evenals de vorm en functie van seksueel gedrag daarbij.

BI/K/13 Erfelijkheid en evolutie
19. De kandidaat kan beschrijven hoe erfelijke eigenschappen van generatie op generatie worden doorgegeven en toelichten hoe.  
 

BI/K/6/8/BB, BI/K/10, BI/K/11/15/BB, BI/K/12, BI/K/13/KB/GL/TL

BI/K/6  Planten en dieren en hun samenhang: de eigen omgeving verkend
8. De kandidaat kan:
− de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld;
− de relaties noemen die ze onderling en met hun omgeving hebben.

BI/K/10 Bescherming
14. De kandidaat kan toelichten hoe (infectie)ziekten zich ontwikkelen, hoe ze zich verspreiden en hoe men zich daartegen beschermt.
 

BI/K/11 Reageren op prikkels
15. De kandidaat kan de rol en de werking van zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten.

BI/K/12 Van generatie op generatie
17. De kandidaat kan voortplanting en groei bij organismen beschrijven, evenals de vorm en functie van seksueel gedrag daarbij.
18. De kandidaat kan voortplanting en groei bij organismen toelichten, evenals de vorm en functie van seksueel gedrag daarbij.

BI/K/13 Erfelijkheid en evolutie
19. De kandidaat kan beschrijven hoe erfelijke eigenschappen van generatie op generatie worden doorgegeven en toelichten hoe.  
 

BI/K/6/8/BB, BI/K/10, BI/K/11/15/BB, BI/K/12, BI/K/13/KB/GL/TL
2. Biologische eenheid

34:
De leerlingen leren zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van henzelf en anderen.

41:
De leerlingen leren over de bouw van planten, dieren en mensen en over de vorm en functie van hun onderdelen.

34, 41

29:
De leerling leert kennis te verwerven over en inzicht te verkrijgen in sleutelbegrippen uit het gebied van de levende en niet-levende natuur, en leert deze sleutelbegrippen te verbinden met situaties in het dagelijks leven.

32:
De leerling leert te werken met theorieën en modellen door onderzoek te doen naar natuurkundige en scheikundige verschijnselen als elektriciteit, geluid, licht, beweging, energie en materie.

34:
De leerling leert hoofdzaken te begrijpen van bouw en functie van het menselijk lichaam, verbanden te leggen met het bevorderen van lichamelijke en psychische gezondheid, en daarin een eigen verantwoordelijkheid te nemen

29, 32, 34

BI/K/4  Cellen staan aan de basis
4. De kandidaat kan:
− kenmerkende eigenschappen van cellen noemen, de samenstellende delen daarvan noemen, en de meest voorkomende organisatieniveaus binnen organismen noemen;
− beschrijven dat een organisme als een geheel beschouwd kan worden waarbij voor instandhouding en gezondheid van het organisme processen in onderlinge samenhang plaatsvinden.

BI/K/5  Schimmels en bacteriën: nuttig en soms schadelijk
6. De kandidaat kan de rol van schimmels en bacteriën in het milieu noemen en toelichten.  

BI/K/6  Planten en dieren en hun samenhang: de eigen omgeving verkend
8. De kandidaat kan:
− de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld;
− de relaties noemen die ze onderling en met hun omgeving hebben.

BI/K/4/4/BB, BI/K/5/6/BB, BI/K/6/8/BB

BI/K/4  Cellen staan aan de basis
4. De kandidaat kan:
− kenmerkende eigenschappen van cellen noemen, de samenstellende delen daarvan noemen, en de meest voorkomende organisatieniveaus binnen organismen noemen;
− beschrijven dat een organisme als een geheel beschouwd kan worden waarbij voor instandhouding en gezondheid van het organisme processen in onderlinge samenhang plaatsvinden.

BI/K/5  Schimmels en bacteriën: nuttig en soms schadelijk
6. De kandidaat kan de rol van schimmels en bacteriën in het milieu noemen en toelichten.  

BI/K/6  Planten en dieren en hun samenhang: de eigen omgeving verkend
8. De kandidaat kan:
− de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld;
− de relaties noemen die ze onderling en met hun omgeving hebben.

BI/K/4/4/BB, BI/K/5/6/BB, BI/K/6/8/BB

BI/K/4  Cellen staan aan de basis
4. De kandidaat kan:
− kenmerkende eigenschappen van cellen noemen, de samenstellende delen daarvan noemen, en de meest voorkomende organisatieniveaus binnen organismen noemen;
− beschrijven dat een organisme als een geheel beschouwd kan worden waarbij voor instandhouding en gezondheid van het organisme processen in onderlinge samenhang plaatsvinden.

BI/K/5  Schimmels en bacteriën: nuttig en soms schadelijk
6. De kandidaat kan de rol van schimmels en bacteriën in het milieu noemen en toelichten.  

BI/K/6  Planten en dieren en hun samenhang: de eigen omgeving verkend
8. De kandidaat kan:
− de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld;
− de relaties noemen die ze onderling en met hun omgeving hebben.

BI/K/4/4/BB, BI/K/5/6/BB, BI/K/6/8/BB
3. Dynamisch evenwicht

34:
De leerlingen leren zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van henzelf en anderen.

41:
De leerlingen leren over de bouw van planten, dieren en mensen en over de vorm en functie van hun onderdelen.

34, 41

29:
De leerling leert kennis te verwerven over en inzicht te verkrijgen in sleutelbegrippen uit het gebied van de levende en niet-levende natuur, en leert deze sleutelbegrippen te verbinden met situaties in het dagelijks leven.

30:
De leerling leert dat mensen, dieren en planten in wisselwerking staan met elkaar en hun omgeving (milieu), en dat technologische en natuurwetenschappelijke toepassingen de duurzame kwaliteit daarvan zowel positief als negatief kunnen beïnvloeden.

31:
De leerling leert o.a. door praktisch werk kennis te verwerven over en inzicht te verkrijgen in processen uit de levende en niet-levende natuur en hun relatie met omgeving en milieu.

33:
De leerling leert door onderzoek kennis te verwerven over voor hem relevante technische producten en systemen, leert deze kennis naar waarde te schatten en op planmatige wijze een technisch product te ontwerpen en te maken.

34:
De leerling leert hoofdzaken te begrijpen van bouw en functie van het menselijk lichaam, verbanden te leggen met het bevorderen van lichamelijke en psychische gezondheid, en daarin een eigen verantwoordelijkheid te nemen

29, 30, 31, 33, 34

BI/K/5  Schimmels en bacteriën: nuttig en soms schadelijk
6. De kandidaat kan de rol van schimmels en bacteriën in het milieu noemen en toelichten.  

BI/K/6  Planten en dieren en hun samenhang: de eigen omgeving verkend
8. De kandidaat kan:
− de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld;
− de relaties noemen die ze onderling en met hun omgeving hebben.

BI/K/7  Mensen beïnvloeden hun omgeving
10. De kandidaat kan
− toelichten dat de mens voor voedsel, water, zuurstof, grondstoffen, energie, voedselproductie en recreatie van ecosystemen afhankelijk is;
− beschrijven hoe de mens ecosystemen kan beïnvloeden;
− toelichten waarom de mens er belang bij heeft een duurzame relatie tussen mens en milieu te bevorderen.

BI/K/5/6/BB, BI/K/6/8/BB, BI/K/7/10/BB

BI/K/5  Schimmels en bacteriën: nuttig en soms schadelijk
6. De kandidaat kan de rol van schimmels en bacteriën in het milieu noemen en toelichten.  

BI/K/6  Planten en dieren en hun samenhang: de eigen omgeving verkend
8. De kandidaat kan:
− de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld;
− de relaties noemen die ze onderling en met hun omgeving hebben.

BI/K/7  Mensen beïnvloeden hun omgeving
10. De kandidaat kan
− toelichten dat de mens voor voedsel, water, zuurstof, grondstoffen, energie, voedselproductie en recreatie van ecosystemen afhankelijk is;
− beschrijven hoe de mens ecosystemen kan beïnvloeden;
− toelichten waarom de mens er belang bij heeft een duurzame relatie tussen mens en milieu te bevorderen.

BI/K/5/6/BB, BI/K/6/8/BB, BI/K/7/10/BB

BI/K/5  Schimmels en bacteriën: nuttig en soms schadelijk
6. De kandidaat kan de rol van schimmels en bacteriën in het milieu noemen en toelichten.  

BI/K/6  Planten en dieren en hun samenhang: de eigen omgeving verkend
8. De kandidaat kan:
− de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld;
− de relaties noemen die ze onderling en met hun omgeving hebben.

BI/K/7  Mensen beïnvloeden hun omgeving
10. De kandidaat kan
− toelichten dat de mens voor voedsel, water, zuurstof, grondstoffen, energie, voedselproductie en recreatie van ecosystemen afhankelijk is;
− beschrijven hoe de mens ecosystemen kan beïnvloeden;
− toelichten waarom de mens er belang bij heeft een duurzame relatie tussen mens en milieu te bevorderen.

BI/K/5/6/BB, BI/K/6/8/BB, BI/K/7/10/BB
4. Instandhouding

34:
De leerlingen leren zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van henzelf en anderen.

41:
De leerlingen leren over de bouw van planten, dieren en mensen en over de vorm en functie van hun onderdelen.

34, 41

29:
De leerling leert kennis te verwerven over en inzicht te verkrijgen in sleutelbegrippen uit het gebied van de levende en niet-levende natuur, en leert deze sleutelbegrippen te verbinden met situaties in het dagelijks leven.

32:
De leerling leert te werken met theorieën en modellen door onderzoek te doen naar natuurkundige en scheikundige verschijnselen als elektriciteit, geluid, licht, beweging, energie en materie.

33:
De leerling leert door onderzoek kennis te verwerven over voor hem relevante technische producten en systemen, leert deze kennis naar waarde te schatten en op planmatige wijze een technisch product te ontwerpen en te maken.

34:
De leerling leert hoofdzaken te begrijpen van bouw en functie van het menselijk lichaam, verbanden te leggen met het bevorderen van lichamelijke en psychische gezondheid, en daarin een eigen verantwoordelijkheid te nemen

29, 32, 33, 34

BI/K/4  Cellen staan aan de basis
4. De kandidaat kan:
− kenmerkende eigenschappen van cellen noemen, de samenstellende delen daarvan noemen, en de meest voorkomende organisatieniveaus binnen organismen noemen;
− beschrijven dat een organisme als een geheel beschouwd kan worden waarbij voor instandhouding en gezondheid van het organisme processen in onderlinge samenhang plaatsvinden.

BI/K/5  Schimmels en bacteriën: nuttig en soms schadelijk
6. De kandidaat kan de rol van schimmels en bacteriën in het milieu noemen en toelichten.  

BI/K/8  Houding, beweging en conditie
11. De kandidaat kan:
− delen die van belang zijn voor stevigheid en beweging noemen;
− de gevolgen van overbelasting noemen.

BI/K/9  Het lichaam in stand houden: voeding en genotmiddelen, energie, transport en uitscheiding  
13. De kandidaat kan:
− vorm, werking en functie van het verteringsstelsel, bloedvatenstelsel, ademhalingsstelsel en uitscheidingsstelsel beschrijven;
− hun onderling verband toelichten.

BI/K/10 Bescherming
14. De kandidaat kan toelichten hoe (infectie)ziekten zich ontwikkelen, hoe ze zich verspreiden en hoe men zich daartegen beschermt.
 

BI/V/1  Bescherming en antistoffen
20. De kandidaat kan de manier waarop het lichaam zich beschermt tegen antigenen door middel van antistoffen beschrijven en toelichten hoe deze bescherming kunstmatig kan worden verhoogd.
 

BI/K/11 Reageren op prikkels
15. De kandidaat kan de rol en de werking van zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten.

BI/K/4/4/BB, BI/K/5/6/BB, BI/K/8/11/BB, BI/K/9, BI/K/10, BI/V/1, BI/K/11/15/BB

BI/K/4  Cellen staan aan de basis
4. De kandidaat kan:
− kenmerkende eigenschappen van cellen noemen, de samenstellende delen daarvan noemen, en de meest voorkomende organisatieniveaus binnen organismen noemen;
− beschrijven dat een organisme als een geheel beschouwd kan worden waarbij voor instandhouding en gezondheid van het organisme processen in onderlinge samenhang plaatsvinden.

BI/K/5  Schimmels en bacteriën: nuttig en soms schadelijk
6. De kandidaat kan de rol van schimmels en bacteriën in het milieu noemen en toelichten.  

BI/K/8  Houding, beweging en conditie
11. De kandidaat kan:
− delen die van belang zijn voor stevigheid en beweging noemen;
− de gevolgen van overbelasting noemen.

BI/K/9  Het lichaam in stand houden: voeding en genotmiddelen, energie, transport en uitscheiding  
13. De kandidaat kan:
− vorm, werking en functie van het verteringsstelsel, bloedvatenstelsel, ademhalingsstelsel en uitscheidingsstelsel beschrijven;
− hun onderling verband toelichten.

BI/K/10 Bescherming
14. De kandidaat kan toelichten hoe (infectie)ziekten zich ontwikkelen, hoe ze zich verspreiden en hoe men zich daartegen beschermt.
 

BI/V/1  Bescherming en antistoffen
20. De kandidaat kan de manier waarop het lichaam zich beschermt tegen antigenen door middel van antistoffen beschrijven en toelichten hoe deze bescherming kunstmatig kan worden verhoogd.
 

BI/K/11 Reageren op prikkels
15. De kandidaat kan de rol en de werking van zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten.

BI/K/4/4/BB, BI/K/5/6/BB, BI/K/8/11/BB, BI/K/9, BI/K/10, BI/V/1, BI/K/11/15/BB

BI/K/4  Cellen staan aan de basis
4. De kandidaat kan:
− kenmerkende eigenschappen van cellen noemen, de samenstellende delen daarvan noemen, en de meest voorkomende organisatieniveaus binnen organismen noemen;
− beschrijven dat een organisme als een geheel beschouwd kan worden waarbij voor instandhouding en gezondheid van het organisme processen in onderlinge samenhang plaatsvinden.

BI/K/5  Schimmels en bacteriën: nuttig en soms schadelijk
6. De kandidaat kan de rol van schimmels en bacteriën in het milieu noemen en toelichten.  

BI/K/8  Houding, beweging en conditie
11. De kandidaat kan:
− delen die van belang zijn voor stevigheid en beweging noemen;
− de gevolgen van overbelasting noemen.

BI/K/9  Het lichaam in stand houden: voeding en genotmiddelen, energie, transport en uitscheiding  
13. De kandidaat kan:
− vorm, werking en functie van het verteringsstelsel, bloedvatenstelsel, ademhalingsstelsel en uitscheidingsstelsel beschrijven;
− hun onderling verband toelichten.

BI/K/10 Bescherming
14. De kandidaat kan toelichten hoe (infectie)ziekten zich ontwikkelen, hoe ze zich verspreiden en hoe men zich daartegen beschermt.
 

BI/V/1  Bescherming en antistoffen
20. De kandidaat kan de manier waarop het lichaam zich beschermt tegen antigenen door middel van antistoffen beschrijven en toelichten hoe deze bescherming kunstmatig kan worden verhoogd.
 

BI/K/11 Reageren op prikkels
15. De kandidaat kan de rol en de werking van zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten.

BI/K/4/4/BB, BI/K/5/6/BB, BI/K/8/11/BB, BI/K/9, BI/K/10, BI/V/1, BI/K/11/15/BB
5. Interactie

34:
De leerlingen leren zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van henzelf en anderen.

39:
De leerlingen leren met zorg om te gaan met het milieu.

41:
De leerlingen leren over de bouw van planten, dieren en mensen en over de vorm en functie van hun onderdelen.

34, 39, 41

29:
De leerling leert kennis te verwerven over en inzicht te verkrijgen in sleutelbegrippen uit het gebied van de levende en niet-levende natuur, en leert deze sleutelbegrippen te verbinden met situaties in het dagelijks leven.

30:
De leerling leert dat mensen, dieren en planten in wisselwerking staan met elkaar en hun omgeving (milieu), en dat technologische en natuurwetenschappelijke toepassingen de duurzame kwaliteit daarvan zowel positief als negatief kunnen beïnvloeden.

31:
De leerling leert o.a. door praktisch werk kennis te verwerven over en inzicht te verkrijgen in processen uit de levende en niet-levende natuur en hun relatie met omgeving en milieu.

32:
De leerling leert te werken met theorieën en modellen door onderzoek te doen naar natuurkundige en scheikundige verschijnselen als elektriciteit, geluid, licht, beweging, energie en materie.

35:
De leerling leert over zorg en leert zorgen voor zichzelf, anderen en zijn omgeving, en hoe hij de veiligheid van zichzelf en anderen in verschillende leefsituaties (wonen, leren, werken, uitgaan, verkeer) positief kan beïnvloeden

29, 30, 31, 32, 35

BI/K/6  Planten en dieren en hun samenhang: de eigen omgeving verkend
8. De kandidaat kan:
− de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld;
− de relaties noemen die ze onderling en met hun omgeving hebben.

BI/K/8  Houding, beweging en conditie
11. De kandidaat kan:
− delen die van belang zijn voor stevigheid en beweging noemen;
− de gevolgen van overbelasting noemen.

BI/K/11 Reageren op prikkels
15. De kandidaat kan de rol en de werking van zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten.

BI/V/2  Gedrag bij mens en dier
21. De kandidaat kan gedrag van mens en dier op een gestandaardiseerde wijze beschrijven en dat beschreven gedrag verklaren.
 

BI/K/6/8/BB, BI/K/8/11/BB, BI/K/11/15/BB, BI/V/2

BI/K/6  Planten en dieren en hun samenhang: de eigen omgeving verkend
8. De kandidaat kan:
− de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld;
− de relaties noemen die ze onderling en met hun omgeving hebben.

BI/K/8  Houding, beweging en conditie
11. De kandidaat kan:
− delen die van belang zijn voor stevigheid en beweging noemen;
− de gevolgen van overbelasting noemen.

BI/K/11 Reageren op prikkels
15. De kandidaat kan de rol en de werking van zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten.

BI/V/2  Gedrag bij mens en dier
21. De kandidaat kan gedrag van mens en dier op een gestandaardiseerde wijze beschrijven en dat beschreven gedrag verklaren.
 

BI/K/6/8/BB, BI/K/8/11/BB, BI/K/11/15/BB, BI/V/2

BI/K/6  Planten en dieren en hun samenhang: de eigen omgeving verkend
8. De kandidaat kan:
− de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld;
− de relaties noemen die ze onderling en met hun omgeving hebben.

BI/K/8  Houding, beweging en conditie
11. De kandidaat kan:
− delen die van belang zijn voor stevigheid en beweging noemen;
− de gevolgen van overbelasting noemen.

BI/K/11 Reageren op prikkels
15. De kandidaat kan de rol en de werking van zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel toelichten.

BI/V/2  Gedrag bij mens en dier
21. De kandidaat kan gedrag van mens en dier op een gestandaardiseerde wijze beschrijven en dat beschreven gedrag verklaren.
 

BI/K/6/8/BB, BI/K/8/11/BB, BI/K/11/15/BB, BI/V/2
6. Evolutie

34:
De leerlingen leren zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van henzelf en anderen.

41:
De leerlingen leren over de bouw van planten, dieren en mensen en over de vorm en functie van hun onderdelen.

34, 41

29:
De leerling leert kennis te verwerven over en inzicht te verkrijgen in sleutelbegrippen uit het gebied van de levende en niet-levende natuur, en leert deze sleutelbegrippen te verbinden met situaties in het dagelijks leven.

30:
De leerling leert dat mensen, dieren en planten in wisselwerking staan met elkaar en hun omgeving (milieu), en dat technologische en natuurwetenschappelijke toepassingen de duurzame kwaliteit daarvan zowel positief als negatief kunnen beïnvloeden.

31:
De leerling leert o.a. door praktisch werk kennis te verwerven over en inzicht te verkrijgen in processen uit de levende en niet-levende natuur en hun relatie met omgeving en milieu.

32:
De leerling leert te werken met theorieën en modellen door onderzoek te doen naar natuurkundige en scheikundige verschijnselen als elektriciteit, geluid, licht, beweging, energie en materie.

35:
De leerling leert over zorg en leert zorgen voor zichzelf, anderen en zijn omgeving, en hoe hij de veiligheid van zichzelf en anderen in verschillende leefsituaties (wonen, leren, werken, uitgaan, verkeer) positief kan beïnvloeden

29, 30, 31, 32, 35

BI/K/13 Erfelijkheid en evolutie
19. De kandidaat kan beschrijven hoe erfelijke eigenschappen van generatie op generatie worden doorgegeven en toelichten hoe.  
 

BI/K/13/KB/GL/TL

BI/K/13 Erfelijkheid en evolutie
19. De kandidaat kan beschrijven hoe erfelijke eigenschappen van generatie op generatie worden doorgegeven en toelichten hoe.  
 

BI/K/13/KB/GL/TL

BI/K/13 Erfelijkheid en evolutie
19. De kandidaat kan beschrijven hoe erfelijke eigenschappen van generatie op generatie worden doorgegeven en toelichten hoe.  
 

BI/K/13/KB/GL/TL